← België

I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A

Art. 418

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Degene ten aanzien van wie een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid bewezen wordt verklaard, is schuldig aan het in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde misdrijf van onopzettelijk doden wanneer vaststaat dat, zonder dat gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden

(1); de omstandigheid dat ook andere factoren mede hiervoor verantwoordelijk zijn, doet hieraan geen afbreuk
(2).
(1)Cass. 10 november 2020, AR P.20.0659.N, AC 2020, nr. 688, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9.
(2)Zie Cass. 20 december 1996, AR C.95.0006.N, AC 1996, nr. 522, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.10. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Schuldigverklaring - Oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en het overlijden - Voorwaarde - Equivalentietheorie - Andere factoren die mede verantwoordelijkheid zijn voor de dood - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 418

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 419

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Algemeen Vrije woorden: Onopzettelijke doding - Schuldigverklaring - Oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en het overlijden - Voorwaarde - Equivalentietheorie - Andere factoren die mede verantwoordelijkheid zijn voor de dood - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 418

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 419- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0922.N M. I., , beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frank Coel, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2800 Mechelen, Schuttersvest 78, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 16 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek: met het oordeel dat de eiser, door met zijn voertuig zonder aanwijsbare reden naar rechts uit te wijken, een stuurfout heeft begaan die, hoe licht ook, in oorzakelijk verband staat met het ongeval, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de eiser schuldig is aan het in de telastlegging A bedoelde misdrijf van het onopzettelijk veroorzaken van de dood van P.C. en omkleden zij die beslissing niet regelmatig met redenen; zelfs in zoverre zou vaststaan dat de eiser een stuurfout beging door naar rechts uit te wijken en even over de rand van de rijbaan te zijn gereden, zou het ongeval zich volgens de deskundige niet hebben voorgedaan zonder de aanwezigheid van de “varkensruggen” aan de rand van de rijweg, waardoor het voertuig werd weggekatapulteerd naar de overzijde van de rijbaan en daar in aanrijding kwam met een verlichtingspaal; de omstandigheid dat een voertuig op een beperkte wijze afwijkt van zijn rijstrook, kan niet als een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in de zin van de strafwet worden beschouwd; immers moet worden nagegaan of de verzoeker heeft gehandeld volgens de algemene zorgvuldigheidsnorm, wat moet worden getoetst aan het gedrag van een normaal, zorgvuldig persoon; de zogenaamde lichtste fout (“culpa levissima”) kan dan ook niet als onrechtmatig worden beschouwd; de appelrechters dienden dan ook niet te onderzoeken of eisers gedrag blijk geeft van de lichtste afwijking van het zorgvuldig gedrag; het criterium van een normaal, zorgvuldig persoon moet immers redelijk worden beoordeeld.
  3. De appelrechters oordelen niet alleen dat de eiser een stuurfout in oorzakelijk verband met het dodelijke ongeval heeft gemaakt door met zijn voertuig zonder aanwijsbare reden naar rechts uit te wijken. Het bestreden vonnis (p. 8, derde alinea) oordeelt immers ook dat de overdreven snelheid heeft bijgedragen aan de dramatische dodelijke afloop van het ongeval, aangezien het voertuig niet op dezelfde wijze tegen de verlichtingspaal zou zijn gebotst bij een lagere snelheid, met aanzienlijk hogere overlevingskansen voor P.C. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  4. Het in artikel 418 Strafwetboek bedoelde gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg houdt alle mogelijke fouten of onachtzaamheden in, hoe licht ook.
  5. Degene ten aanzien van wie een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid bewezen wordt verklaard, is schuldig aan het in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde misdrijf van onopzettelijk doden wanneer vaststaat dat, zonder dat gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden. De omstandigheid dat ook andere factoren mede hiervoor verantwoordelijk zijn, doet hieraan geen afbreuk.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Met de in het middel aangehaalde redenen beantwoorden de appelrechters het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer met betrekking tot de telastlegging A. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  8. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 37octies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: de appelrechters beantwoorden niet eisers verzoek om hem geen effectieve gevangenisstraf maar een autonome probatiestraf op te leggen dan wel een straf met (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging; de appelrechters motiveren niet waarom een gevangenisstraf wél een voldoende verwittiging zou inhouden voor de eiser en een autonome probatiestraf niet.
  10. Het bestreden vonnis (p. 9) oordeelt over de straftoemeting onder meer als volgt: - de eiser komt, gelet op zijn strafregister, niet in aanmerking voor een opschorting van de uitspraak van de veroordeling, noch voor een gewoon uitstel van tenuitvoerlegging; - de eiser vraagt om een autonome probatiestraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf van drie maanden; - de autonome probatiestraf is geen aan de ernst van de feiten aangepaste maatschappelijke reactie. De opgelegde gevangenisstraf van drie maanden moet worden bevestigd, gelet op de ernstige feiten en de tragische gevolgen ervan; - de door de eiser aangehaalde omstandigheden zijn niet van die aard om de door de politierechter opgelegde straffen te herzien of te milderen, dan wel om het geheel of een deel daarvan uit te spreken met uitstel van tenuitvoerlegging, aangezien dit bij de eiser zou leiden tot een onvoldoende bewustwording van de ernst van de door hem gepleegde feiten en dit een verkeerd signaal zou geven; - de in het beroepen vonnis opgelegde bestraffing is van aard om de eiser tot inkeer te brengen over zijn verantwoordelijkheid in het verkeer en om herhaling van gelijkaardige feiten te voorkomen.
  11. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters eisers verzoek om hem een autonome probatiestraf dan wel een straf met (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170503.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.