← België

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250519.3N.10 Rolnummer: S.23.0006.N Zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID contra H. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-06-26 Raadplegingen: 733 - laatst gezien 2026-06-18 03:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiche Opdat een persoon lasthebber zou kunnen zijn in de zin van artikel 3, 1° Uitvoeringsbesluit RSZ-wet is niet vereist dat er een rechtstreekse contractuele betrekking bestaat tussen de lasthebber en de persoon die als werkgever wordt beschouwd; het is voldoende dat een persoon in het kader van contractuele betrekkingen feitelijk zijn voornaamste bedrijvigheid wijdt aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van een in de bepaling bedoelde vereniging of organisatie tegen een ander loon dan kost en inwoning; de rechtsbetrekking die aan die voorwaarden voldoet, wordt enkel voor de toepassing van de RSZ-wet gelijkgesteld met een rechtsbetrekking die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, zonder dat de betrokkene werkt in een band van ondergeschiktheid; deze gelijkstelling raakt niet aan de bestaande rechtsverhouding tussen de partijen. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdrageplicht - Toepassingsgebied - Verruiming - Verenigingen en organisaties - Lasthebber - Begrip - Vennootschapsvorm - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 2, § 1, 1° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 3, 1° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Tekst van de beslissing Nr. S.23.0006.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. M.H., eerste verweerder, 2. SODALIS vzw, met zetel te 1500 Halle, Bergensesteenweg 95 bus 2A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0406.558.672, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 13 oktober 2022, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 12 maart 2018 (nr. S.16.0077.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180312.6). Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid 1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: aangezien de eiser aanvoert dat de artikelen 2, § 1, 1°, RSZ-wet en artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet het mogelijk maken om voor hun toepassing een vennootschapsconstructie te doorprikken zonder dat daartoe het bewijs van simulatie is vereist, is het middel, dat geen schending aanvoert van artikel 1321 Oud Burgerlijk Wetboek, niet ontvankelijk. 2. Het middel voert aan dat de techniek van de gelijkstelling met werknemers, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, RSZ-wet en zoals ingevuld door de Koning, toelaat om voor de toepassing van de RSZ-wet abstractie te maken van de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie van de personen die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als van een arbeidsovereenkomst en dat de appelrechters niet wettig hebben beslist dat niet is voldaan aan alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet. 3. Anders dan de grond van niet-ontvankelijkheid aanvoert, behelst de in het bedoelde aangevoerde grief aldus geen schending van artikel 1321 Oud Burgerlijk Wetboek. De in het middel aangevoerde schendingen van artikel 2, § 1, 1°, RSZ-wet en artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet volstaan, zo de grief gegrond is, om tot cassatie te leiden. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Gegrondheid 4. Krachtens artikel 2, § 1, 1°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst en alsdan de persoon aanwijzen die als werkgever wordt beschouwd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de in artikel 2, § 1, 1°, RSZ-wet bedoelde “personen die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst”, de zogenaamde marginale arbeidskrachten uit de privé-sector worden beoogd. Dit zijn de personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers maar die wegens de aard van de door hen gesloten overeenkomst juridisch niet of moeilijk kunnen aangezien worden als arbeidend onder het gezag van een ander persoon. De uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet heeft tot doel deze personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers, dezelfde sociale bescherming te verlenen. 5. In uitvoering van deze bepaling heeft de Koning in artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet de toepassing van de RSZ-wet verruimd tot de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen, verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk. Opdat een persoon lasthebber zou kunnen zijn in de zin van deze bepaling is niet vereist dat er een rechtstreekse contractuele betrekking bestaat tussen de lasthebber en de persoon die als werkgever wordt beschouwd. Het is voldoende dat een persoon in het kader van contractuele betrekkingen feitelijk zijn voornaamste bedrijvigheid wijdt aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van een in de bepaling bedoelde vereniging of organisatie tegen een ander loon dan kost en inwoning. De rechtsbetrekking die aan die voorwaarden voldoet, wordt enkel voor de toepassing van de RSZ-wet gelijkgesteld met een rechtsbetrekking die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, zonder dat de betrokkene werkt in een band van ondergeschiktheid. Deze gelijkstelling raakt niet aan de bestaande rechtsverhouding tussen de partijen. 6. De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster een erkend sociaal secretariaat is, georganiseerd als vzw; - de verweerder sinds 1 januari 2008 oprichter, aandeelhouder, werkend vennoot en zaakvoerder is van de commanditaire vennootschap “Cat in the Moon”; - de commanditaire vennootschap “Cat in the Moon” op 28 december 2007 met de verweerster een “overeenkomst mandaat directiecomité” sloot krachtens dewelke eerstgenoemde zich ertoe verbond om voor de verweerster de dagelijkse leiding van haar activiteiten uit te voeren, alsook “adviesverstrekking” en “vertegenwoordiging (intern en extern)”; - deze overeenkomst namens de commanditaire vennootschap zou worden uitgevoerd door de verweerder; - de eiser naar aanleiding van controles bij brief van 26 maart 2009 aan de verweerster meedeelde dat zij zou overgaan tot de effectieve uitvoering van de onderwerping aan het sociale zekerheidsstelsel voor werknemers van de verweerder op basis van het artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet; - de verweerder en de verweerster deze beslissing van de eiser aanvechten. Zij stellen dit ook vast ten aanzien van twee andere medewerkers van de verweerster die eveneens een commanditaire vennootschap hebben opgericht met ingang van 1 januari 2018. 7. De appelrechters oordelen dat: - de verweerster en de verweerder het nodige hebben gedaan om de samenwerking op zelfstandige basis te organiseren; - het beginsel van de wilsautonomie tot gevolg heeft dat de kwalificatie die bepalend is voor de socialezekerheidspositie door de betrokkene gebeurt; - artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet alleen natuurlijke personen betreft; - de vraag zich stelt of de vennootschapsconstructie louter een constructie is om te omzeilen dat er sociale zekerheidsbijdragen in het stelsel van de werknemers verschuldigd zouden zijn, waarvoor de bewijslast bij de eiser ligt; - de bestuurder van een vennootschap niet in een contractuele verhouding staat tot de opdrachtgever van die vennootschap, hier de verweerster, en dus in principe niet kan worden aangezien als werknemer van die opdrachtgever; - vanuit verbintenisrechtelijk perspectief slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen dat die bestuurder als werknemer met de opdrachtgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en niet met de aannemer van werk; - een overeenkomst met een managementvennootschap, waarbij een bepaalde persoon wordt aangeduid om het werk uit te voeren, een courante en juridisch correcte overeenkomst is; - de eiser in deze zaak niet bewijst dat deze overeenkomst werd gesloten met het doel om de betaling van sociale zekerheidsbijdragen te omzeilen en dus aan wetsontduiking te doen; - er door de eiser niet wordt aangetoond dat aan alle voorwaarden van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet is voldaan. 8. De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat slechts aan de voorwaarden van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet is voldaan wanneer bewezen is dat een contractuele constructie van tewerkstelling als zelfstandige, die tot gevolg heeft dat er geen rechtstreekse overeenkomst is tussen de persoon die als werkgever wordt beschouwd en de zelfstandige, wetsontduiking uitmaakt, schenden de voormelde bepalingen en verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250519.3N.10 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180312.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.