← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A

Art. 1217

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1220

, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1223

, § 1, eerste en vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0085.N

  1. A.V.E.,
  2. J.V.E., in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van J.V.E.,
  3. G.V.E., in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van J.V.E.,
  4. K.V.E., in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van J.V.E.,
  5. J.K.,
  6. P.K.,
  7. D.K.,
  8. S.V.E., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
  9. P.V.E.,
  10. G.V.E.,
  11. L.V.E., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 24 januari 2023 en 7 november
  12. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 25 februari 2025 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 25 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  13. Krachtens artikel 1217 Gerechtelijk Wetboek bepaalt de notaris-vereffenaar bij de opening van de werkzaamheden met alle partijen geheel of gedeeltelijk het tijdschema voor het verdere verloop van de gerechtelijke verdeling, tenzij zij van de bepaling van dergelijk tijdschema afzien. De overeengekomen termijnen worden vermeld in het proces-verbaal van opening van de notariële werkzaamheden of in latere processen-verbaal, wat betreft de termijnen die in de loop van de werkzaamheden worden overeengekomen. Elk proces-verbaal vermeldt de dag en het uur waarop of de termijn waarbinnen de volgende verrichting zal plaatsvinden.
  14. Krachtens artikel 1220, § 1, Gerechtelijk Wetboek houdt de notaris-vereffenaar, behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de met toepassing van artikel 1217 overeengekomen termijnen zijn aangebracht.
  15. Krachtens artikel 1223, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan iedere deelgenoot, voor de toewijzing van de kavels, die in voorkomend geval door de deskundige zijn bepaald, zijn bezwaren inbrengen met betrekking tot de staat van vereffening-verdeling in de zin van artikel 1214, § 7, en, in voorkomend geval, opmerkingen en middelen met betrekking tot het eindverslag van de deskundige laten gelden. Krachtens artikel 1223, § 1, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek beschikken de partijen, behoudens akkoord van de partijen betreffende de navolgende termijn, over een termijn van een maand vanaf de dagtekening van de aanmaning om aan de notaris-vereffenaar en de andere partijen hun bezwaren met betrekking tot de staat van vereffening-verdeling in de zin van artikel 1214, § 7, schriftelijk mee te delen en, in voorkomend geval, hun opmerkingen met betrekking tot het eindverslag van de deskundige die tot die bezwaren aanleiding hebben gegeven, te laten kennen.
  16. Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat een partij die geen opmerkingen formuleert met betrekking tot een aanspraak van een tegenpartij, behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, geen bezwaar meer kan doen gelden tegen de toekenning van deze aanspraak in de staat van vereffening-verdeling.
  17. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de verweerders bij de boedelbeschrijving, op de vraag van de notaris-vereffenaar of zij tijdens het leven van AV schenkingen hebben ontvangen, elk hebben geantwoord dat zij 100.000 euro hebben ontvangen in 2007; - de eisers aanspraak maakten op de inbreng van deze schenkingen en stelden dat, bij gebrek aan onder meer

(1)stukken omtrent de datum van de schenkingen,
(2)de oorsprong van de geschonken gelden en
(3)de bestemming van het saldo van de rekening waarvan zij afkomstig zijn, de verweerders de bewijzen van deze geldelijke schenkingen moeten voorleggen met toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek; - de verweerders met betrekking tot deze aanspraak enkel opmerkten dat het bewijs van het bestaan van de schenkingen voldoende is geleverd door hun verklaringen hierover ten overstaan van de notaris-vereffenaar, zoals schriftelijk bevestigd in de processen-verbaal van boedelbeschrijving; - de notaris-vereffenaar zowel in de staat van vereffening-verdeling van 20 augustus 2018 met betrekking tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de onverdeeldheden van het echtpaar V-C en de nalatenschap van AV als in de staat van vereffening-verdeling van 31 augustus 2018 met betrekking tot de nalatenschap van TC voorzag in de inbreng van de schenkingen, voor de helft in iedere nalatenschap, aangezien niet was bewezen dat de schenkingen buiten erfdeel waren gedaan; - de verweerders bij wijze van bezwaar tegen deze staten van vereffening-verdeling voor het eerst aanvoerden dat de schenkingen wel buiten erfdeel waren gedaan; - de notaris-vereffenaar in zijn antwoord op
(1)de bezwaren van 2 december 2018 met betrekking tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de onverdeeldheden van het echtpaar V-C en de nalatenschap van AV en
(2)de bezwaren van 14 januari 2019 met betrekking tot de nalatenschap van TC aannam dat de schenkingen buiten erfdeel waren gedaan en vervolgens de staten van vereffening-verdeling aanpaste in die zin dat de schenkingen werden aangerekend op het beschikbare deel.
  1. De appelrechter die in het tussenarrest van 24 januari 2023 oordeelt dat, daar waar de eisers aanspraak maakten op de inbreng van de schenkingen, het gegeven dat de verweerders niet hebben opgemerkt dat de schenkingen buiten erfdeel waren gedaan niet wegneemt dat zij dit nog als bezwaar tegen de staat van vereffening-verdeling kunnen doen gelden, terwijl geen sprake is van een akkoord in die zin tussen alle partijen of van de ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Omvang van cassatie
  2. De cassatie van het tussenarrest van 24 januari 2023 in zoverre de appelrechter het bezwaar van de verweerders tegen de staten van vereffening-verdeling tijdig en ontvankelijk verklaart wat betreft de inbreng van de schenkingen, heeft de vernietiging tot gevolg van het eindarrest van 7 november 2023 in zoverre de appelrechter ten gronde oordeelt dat de schenkingen buiten erfdeel waren gedaan. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden tussenarrest van 24 januari 2023 in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van het bezwaar van de verweerders tegen de staten van vereffening-verdeling wat betreft de inbreng van de schenkingen. Vernietigt het bestreden eindarrest van 7 november 2023 in zoverre het ten gronde oordeelt over dat bezwaar en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250519.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250519.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.