← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Zwijgrecht - Vermoeden van onschuld - Afwezigheid van een geloofwaardige verklaring door de beklaagde over de bezwarende vaststellingen - Ontkennende verklaringen van de beklaagde - Beoordeling van de geloofwaardigheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Bewijslast - Zwijgrecht - Vermoeden van onschuld - Afwezigheid van een geloofwaardige verklaring door de beklaagde over de bezwarende vaststellingen - Ontkennende verklaringen van de beklaagde - Beoordeling van de geloofwaardigheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Zwijgrecht - Vermoeden van onschuld - Afwezigheid van een geloofwaardige verklaring door de beklaagde over de bezwarende vaststellingen - Ontkennende verklaringen van de beklaagde - Beoordeling van de geloofwaardigheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Zwijgrecht - Vermoeden van onschuld - Afwezigheid van een geloofwaardige verklaring door de beklaagde over de bezwarende vaststellingen - Ontkennende verklaringen van de beklaagde - Beoordeling van de geloofwaardigheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0186.N I E. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven. II C. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Shari Desmet, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 januari

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt de veelvuldige verweermiddelen van de eiser I niet; het ontbreekt het arrest aan nauwkeurigheid; het negeert de conclusie van de eiser I volledig en het gaat niet concreet in op de vele elementen die duidelijk de onschuld van de eiser I aantonen; het wijst wat betreft de feiten omschreven onder de telastlegging A1 naar het onderling verband tussen de vermelde elementen die doen besluiten tot de schuld van de eiser I, maar laat na dit verband te concretiseren; het arrest vermeldt niet de onderzoeksresultaten waaruit moet blijken dat de verklaringen van de eiser I leugenachtig zouden zijn; het arrest maakt ontoelaatbare gevolgtrekkingen strijdig met het vermoeden van onschuld.
  3. In zoverre het onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest niet antwoordt op de door de eiser I in zijn grievenformulier en zijn appelconclusie ontwikkelde verweren, zonder die verweren te preciseren, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  5. De rechter die ter verantwoording van de schuldbeoordeling verwijst naar feitelijke gegevens die hij vermeldt en het door hem vastgestelde onderling verband tussen die gegevens, moet dit onderling verband niet nader motiveren. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  6. Het arrest (p. 25-26, nr. 4) steunt het oordeel over de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser I op de manifeste tegenstrijdigheid van de inhoud ervan met de verkregen onderzoeksresultaten. Het arrest (p. 24-25) vermeldt wel degelijk die onderzoeksresultaten. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest vermeldt bij de beantwoording van het verweer van een medebeklaagde betreffende de onregelmatigheid van een observatie, waarbij de eiser I zich had aangesloten, niet de naam van de eiser I; het arrest beantwoordt de appelconclusie van de eiser I niet, minstens compleet ondermaats; de rechter moet de straf bijzonder motiveren.
  8. De omstandigheid dat het arrest bij de beoordeling van het verweer van een medebeklaagde over de onregelmatigheid van een observatie, waarbij de eiser I zich heeft aangesloten, geen melding maakt van de naam van de eiser I, kan die eiser niet schaden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  9. In zoverre het onderdeel de motivering betreffende de aan de eiser I opgelegde straf bekritiseert, is het bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  10. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en moet het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen. Derde onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest verwijst voor de schuldbeoordeling van de eiser I naar de afwezigheid van het verstrekken door de eiser I van een aannemelijke verklaring; dit is manifest in strijd met het recht om te zwijgen en het vermoeden van onschuld; uit de appelconclusie van de eiser I blijkt de juistheid van zijn stelling en het gegeven dat die wordt ondersteund door objectieve elementen; de keuze van de eiser I om een bepaalde vraag niet of niet concreet te beantwoorden, mag niet tot gevolg hebben dat de bewijslast van het openbaar ministerie afneemt.
  12. De aangevoerde grief is vreemd aan de bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel betreffende de motiveringsplicht. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  13. De rechter mag bij de schuldbeoordeling het gegeven betrekken dat een beklaagde geen geloofwaardige verklaring kan of wil verstrekken betreffende bezwarende vaststellingen. Daaruit kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, het zwijgrecht zoals vervat in artikel 6.1 en 6.2 EVRM en het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM worden afgeleid en dit doet evenmin afbreuk aan de regel dat de bewijslast voor de schuld bij het openbaar ministerie berust. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen beginsel “in dubio pro reo”, het zwijgrecht en de uit het recht op een eerlijk proces afgeleide regel dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt: het recht van verdediging houdt in dat de rechter geen rekening mag houden met de wijze waarop een beklaagde zijn onschuld staande heeft willen houden; de eiser I heeft de telastleggingen niet alleen betwist maar ook steeds zijn betrokkenheid bij elke transactie ontkend; nergens wordt aangetoond op welke wijze de verklaringen van de eiser I niet met de werkelijkheid stroken; twijfel moet in het voordeel van de eiser I worden uitgelegd, wat niet is gebeurd.
  16. Het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, het zwijgrecht zoals dit wordt afgeleid uit artikel 6.1 en 6.2 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de regel dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt houden niet in dat de rechter gehouden is ontkennende verklaringen van een beklaagde voor waar aan te nemen en dat hij verklaringen van een beklaagde niet op hun geloofwaardigheid mag beoordelen. Uit een met redenen omklede schuldigverklaring van een beklaagde kan geen schending van deze bepalingen of een miskenning van de vermelde beginselen worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 326 Wetboek van Strafvordering, alsook een gebrekkige bewijswaardering: het arrest negeert, net als het beroepen vonnis, de door de eiser I aangevoerde elementen zoals de leugenachtigheid van en de tegenstrijdigheden en dubbelzinnigheden in de wijzigende verklaringen van S. en de geloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser I; deze zaak betreft een woord tegen woord-situatie en het arrest had voorrang moeten geven aan de verklaringen van de eiser I; het onderzoek werd kennelijk enkel à charge gevoerd; het arrest heeft de gegevens manifest verkeerd gewaardeerd; het arrest kon niet tot het oordeel komen dat de eiser I buiten elke redelijke twijfel betrokken was bij de feiten waaraan hij schuldig werd verklaard; het openbaar ministerie heeft niet aangetoond dat de verklaringen van de eiser I niet geloofwaardig zijn en het arrest heeft in weerwil van alle objectieve elementen de eiser I toch schuldig verklaard; het arrest schiet ook ernstig tekort op het vlak van de motiveringsplicht; de appelrechters mochten zich niet beperken tot een beslissing gebaseerd op hun intieme overtuiging maar enkel op een met concrete motieven onderbouwde overtuiging.
  19. In zoverre het middel is gericht tegen de wijze waarop het onderzoek is gevoerd, tegen de houding van het openbaar ministerie of tegen het beroepen vonnis en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  20. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  21. In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, moet het om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel worden verworpen.
  22. Artikel 147, tweede lid, Grondwet bepaalt dat het Hof van Cassatie niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt.
  23. In wezen verzoekt het middel voor het overige het Hof om in strijd met deze grondwetsbepaling de door het arrest gemaakte bewijswaardering over te doen. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
  24. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 15 Grondwet, artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 6bis, derde lid, Drugwet: het arrest oordeelt dat uit artikel 6bis Drugwet volgt dat de huiszoeking waarvan de eiser II de onregelmatigheid had aangevoerd, wel degelijk regelmatig is, zonder dat dit gegeven door één van de partijen werd opgeworpen en zonder dat dit voorwerp was van het debat in eerste aanleg of in hoger beroep; bovendien oordeelt het arrest ten onrechte dat aan de voorwaarde voor een zoeking op grond van artikel 6bis Drugwet was voldaan; er waren geen ernstige en objectieve aanwijzingen, die gekend waren vóór de aanvang van de zoeking, waaruit bleek dat de loods een plaats betrof waar verdovende middelen werden vervaardigd, bereid, bewaard of opgeslagen; er was slechts een aanwijzing voor een geheel ander misdrijf, namelijk de invoer, de handel en het bezit van verdovende middelen in vereniging, zonder dat er op dat ogenblik al een misdrijf was ontdekt; pas post factum werd het bewaren of de opslag van verdovende middelen vastgesteld.
  25. In de appelconclusie van het openbaar ministerie (p. 8), zoals het arrest (p. 20) ook vaststelt, werd aangevoerd dat de zoeking in de loods kon worden gerechtvaardigd op grond van artikel 6bis Drugwet. De eiser II kan dan ook niet voorhouden dat hij in zijn verdediging werd verschalkt en dat het gegeven dat artikel 6bis, derde lid, Drugwet een grondslag kon vormen voor de regelmatigheid van de zoeking niet tot het debat voor het appelgerecht behoorde. Het gegeven dat dit aspect niet eerder in de procedure aan bod was gekomen, dat die grondslag door het openbaar ministerie slechts als een mogelijke grondslag werd aangemerkt en dat de eiser II het niet nodig heeft geacht daarover daadwerkelijk standpunt in te nemen en de juistheid ervan te betwisten, laat niet toe tot een ander oordeel te komen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  26. Het arrest (p. 19-20) vermeldt de ernstige of objectieve aanwijzingen die een zoeking op grond van artikel 6bis Drugwet toelieten, het stelt vast dat die gekend waren vooraleer tot de zoeking werd overgegaan en het oordeelt dat daaruit met een voldoende graad van aannemelijkheid bleek dat in de loods verdovende middelen werden vervaardigd, bereid, bewaard of opgeslagen. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  27. Ondergeschikt wordt gevraagd dat het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag stelt: “Schendt artikel 6bis van de Drugswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 15 van de Grondwet, in die zin dat het post factum door de feitenrechter laten kwalificeren van een uitgevoerde zoeking ex artikel 41 e.v. Sv als een zoeking ex artikel 6bis tot resultaat heeft dat in het kader van op te sporen drugsmisdrijven iedere proactieve zoeking heterdaad – waarbij aldus het op te sporen misdrijf nog niet gepleegd was, laat staan ter stond nadat het gepleegd werd – waarbij aldus komt vast te staan dat de elementen in hun verband gelezen geen zoeking heterdaad zouden kunnen verantwoorden, aldus in fine door de feitenrechter nog zou kunnen worden geregulariseerd door slechts op dit ogenblik in het vonnis of het arrest te verwijzen naar de verantwoording ex art. 6bis Drugswet? Beklaagden voorwerp van een onderzoek in het kader van een drugsmisdrijf versus beklaagden, voorwerp van een ander strafrechtelijk onderzoek, ongelijk behandeld worden, niet alleen doordat de procedure zoeking 6bis kan worden toegepast in plaats van beroep te doen op de procedure zoeking heterdaad, maar tevens ter regularisatie van de ongeoorloofde zoeking heterdaad, doordat deze regularisatie nog voor de eerste maal zou kunnen worden opgeworpen door de feitenrechter, zelfs wanneer deze zetelt in graad van beroep? beklaagden voorwerp van een drugsonderzoek steeds in hun rechten van verdediging (o.m. in de vorm van een tegensprekelijk debat) zouden worden geschonden indien zij niet steeds – indien van toepassing – op eigen initiatief in conclusies de zoeking ex art 6bis Drugswet zouden betwisten, zelfs wanneer geen van de verbalisanten lopende het onderzoek gewag zou hebben gemaakt van deze rechtsgrond waarop de zoeking werd gestoeld, om te vermijden dat zij hiermee pas zouden worden geconfronteerd in een vonnis of arrest? Beklaagden voorwerp van enig ander gerechtelijk onderzoek, zouden dit niet hoeven te doen, hetwelk de ongelijke behandeling van gelijke categorieën aantoont.”
  28. De vraag die geheel uitgaat van de hierboven verworpen aanvoering dat de eiser II werd verschalkt door het gronden van de regelmatigheid van de zoeking in de loods op artikel 6bis Drugwet, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 231,61 euro, waarvan de eiser I 115,80 euro is verschuldigd en de eiser II 115,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.