← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.19 Rolnummer: P.25.0201.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 532 - laatst gezien 2026-06-15 06:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of hij aan wie een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld bestuurdersverbod werd opgelegd, artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod heeft overtreden door als feitelijk bestuurder van een vennootschap te handelen; de rechter kan bij die beoordeling wel degelijk betrekken dat de betrokkene gebruik maakt van roerende en onroerende goederen van de vennootschap, hij beschikt over een bankkaart van de vennootschap, hij het ontslag van een zaakvoerder van de vennootschap regelt en hij zich inlaat met het beheer van een bedrijvigheid van de vennootschap en de aanwending van financiële middelen die uit die bedrijvigheid voortkomen. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Beroepsverbod - Overtreding van een opgelegd beroepsverbod - Beoordeling door de rechter - Criteria Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Beroepsverbod - Overtreding van een opgelegd beroepsverbod - Beoordeling door de rechter - Criteria Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Beroepsverbod - Overtreding van een opgelegd beroepsverbod - Beoordeling door de rechter - Criteria Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0201.N A. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen De Backer, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Haantjeslei 69A, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen B1, B2, B3, C1, C2, D1, D2, E2, E3 en E
  3. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 193, 196, eerste en tweede lid, 213 en 214 Strafwetboek, de artikelen 1 en 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser het feitelijk bestuur van E. nv bleef uitoefenen; er worden geen concrete daden van bestuur of beheer omschreven, waaruit buiten elke redelijke twijfel kan worden afgeleid dat de eiser feitelijk bestuurder was; het enkele feit dat de eiser als voormalig bestuurder na zijn ontslag nog betrokken bleef bij de werking van de patrimoniumvennootschap E. nv, daar nog een zekere inspraak had en over de goederen van de vennootschap kon beschikken, impliceert niet dat hij nog steeds het bestuur had van de vennootschap; essentieel is dat de feitelijke bestuurder onafhankelijk van enig orgaan of gezag kan optreden; hij moet op onofficiële wijze de bevoegdheden uitoefenen die wettelijk of statutair zijn toegewezen aan de officiële vennootschapsorganen of de vennootschap vertegenwoordigen; uit de vaststellingen dat de eiser nog kosteloos gebruik kon maken van (on)roerende goederen van de vennootschap, hij een bankkaart van de vennootschap nog in zijn bezit had, hij een ontslag regelde, hij een tankstation zou hebben beheerd en hij de zaakvoerder vergezelde naar een goudwisselkantoor om de gelden van de verkoop van dit tankstation om te zetten in goud, zonder dat gespecificeerd wordt wat onder het beheer van een tankstation wordt verstaan, kan niet worden afgeleid dat de eiser een feitelijk bestuurder was.
  5. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of hij aan wie een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld bestuurdersverbod werd opgelegd, artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod heeft overtreden door als feitelijk bestuurder van een vennootschap te handelen. De rechter kan bij die beoordeling wel degelijk betrekken dat de betrokkene gebruik maakt van roerende en onroerende goederen van de vennootschap, hij beschikt over een bankkaart van de vennootschap, hij het ontslag van een zaakvoerder van de vennootschap regelt en hij zich inlaat met het beheer van een bedrijvigheid van de vennootschap en de aanwending van financiële middelen die uit die bedrijvigheid voortkomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  7. Het arrest wijst voor de schuldigverklaring van de eiser op het volgende: - G.D. verklaarde dat hij met het geld van de verkoop van het benzinestation door E. nv goud heeft gekocht bij het goudwisselkantoor op vraag van de eiser. Die verklaring wordt ondersteund door feitelijke gegevens die het arrest vermeldt; - in de portefeuille van de eiser werd op 26 maart 2018 een bankkaart aangetroffen van een rekening van E. nv, waarop nochtans enkel G.D., die als bestuurder was aangesteld, een volmacht had; - de eiser had het voertuig Peugeot dat op naam van E. nv stond ingeschreven, in gebruik. Hoewel het voertuig werd ingeschreven en verzekerd door G.D., was het de eiser die ermee reed; - de eiser mocht gratis in de woning van E. nv blijven wonen; - de eiser kon indien hij daarover werd ondervraagd geen redenen aanhalen waarom hij dergelijke voordelen zou genieten, als persoon die beweerdelijk geen enkel functie had in E. nv; - de boekhouder W.G. bevestigde dat de eiser de woning gelegen te (…) volledig als persoonlijke woning gebruikte en dat dit niet boekhoudkundig werd verwerkt, zij het dat dit in het boekjaar per 30 september 2019 als voordeel van alle aard zou zijn geboekt; - het is duidelijk dat de voordelen die de eiser genoot een soort van vergoeding vormden voor zijn feitelijk bestuurderschap; - de eiser regelde ook het ontslag van G.D. in E. nv toen die daarop aandrong omwille van het drugonderzoek; - de eiser beheerde wel degelijk het tankstation dat werd geëxploiteerd door E. nv, zij het zonder enige officiële functie in de vennootschap. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser zich als een feitelijk bestuurder van E. nv heeft gedragen en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod en de onder de telastleggingen A1 tot en met A5 beschreven valsheden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn de verontrusting van de eiser is in augustus 2021 en dat als eindpunt het bestreden arrest in aanmerking moet worden genomen; het oordeelt anderzijds dat de duurtijd ongeveer 2,5 jaar bedraagt; minstens houdt het arrest geen rekening met de termijn vanaf de verontrusting.
  9. Nadat het arrest in het algemeen heeft uiteengezet hoe het aanvangspunt van de redelijke termijn moet worden bepaald, alsook welke criteria voor de beoordeling van die termijn moeten worden in acht genomen, stelt het met betrekking tot de eiser vast dat de redelijke termijn voor hem een aanvang nam op het ogenblik dat hij op de hoogte werd gesteld dat de politie hem wilde verhoren als verdachte, dit is in augustus
  10. Het arrest analyseert rekening houdend met de vermelde criteria gedetailleerd het verloop van de procedure tot op het ogenblik dat de zaak werd behandeld en in beraad genomen, namelijk op 30 oktober
  11. Het oordeelt dat er geen onverantwoord lange periodes zijn waarin het dossier heeft stilgelegen door de houding van de gerechtelijke instanties en dat uit het geschetste tijdsverloop niet volgt dat de redelijke termijn-vereiste is miskend. Daaruit volgt dat de appelrechters bij de beoordeling van de redelijke termijn-vereiste wel degelijk het tijdsverloop vanaf het verontrusten van de eiser in augustus 2021 tot en met het door hen gewezen arrest in aanmerking hebben genomen. De vermelding van een termijn van 2,5 jaren betreft dan ook een materiële verschrijving die het Hof moet lezen als 3,5 jaren. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  12. Voor het overige is het middel afgeleid uit die onjuiste lezing en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 272,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.