id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.23 Rolnummer: P.25.0305.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 782 - laatst gezien 2026-06-18 20:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is een geleide ondervraging over misdrijven die aan een in dat artikel bedoelde persoon ten laste kunnen worden gelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar, geacteerd in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden maar dat artikel is niet van toepassing op spontane verklaringen of aanwijzingen van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken door een daartoe bevoegde ambtenaar, wiens interpellatie enkel bedoeld is om zich een juist beeld van de vastgestelde feiten te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen; dat de vastgestelde feiten kunnen wijzen op het bestaan van een misdrijf, dat de controle in het kader waarvan de feiten worden vastgesteld bewijs kan opleveren dat kan worden gebruikt in het kader van een strafvervolging of dat specifieke vragen worden gesteld, is daarbij niet doorslaggevend en de rechter oordeelt op grond van de hem concreet voorgelegde feiten, met inbegrip van de specifieke context waarin het gesprek en de eventueel daarin vervatte vraagstelling plaatsvond, onaantastbaar of er al dan niet sprake is van een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering
(1)Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, met concl. van advocaat–generaal B. DE SMET; Cass. 9 november 2021, AR P.21.1008.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10; Cass. 5 november 2019, AR P.19.0384.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1, AC 2019, nr. 566, RW 2020–21, 778, NC 2021, 416 /5 met noot J. DE SMEDT, “Vragen staat vrij, verhoren niet. Op weg naar een positieve definitie van het begrip ‘verhoor' in artikel 47bis Sv.?”; Cass. 28 mei 2019, AR P.19.0127.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13, AC 2019, nr. 330; zie M.–A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Verhoor door politieambtenaren - Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering - Begrip - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Opsporingsonderzoek - Opsporingshandelingen - Verhoor door politieambtenaren - Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering - Begrip - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0305.N I N. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. II M. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 februari
- De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest spreekt de eisers vrij voor de telastlegging A. In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten: het arrest weigert de verklaring van de eiser II van 19 oktober 2019 uit het debat te weren omdat uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat zijn gesprek met de verbalisanten geen verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering uitmaakt, maar wel een louter spontane verklaring of verstrekte aanwijzing; uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt echter dat het wel degelijk gaat om een ondervraging van de eiser II nadat hij van zijn vrijheid was benomen; meer in het bijzonder blijkt uit dit proces-verbaal dat de verbalisanten aan de eiser II naar aanleiding van de controle in zijn juwelierswinkel wel degelijk gerichte vragen met het oog op de waarheidsvinding hebben gesteld; aldus geeft het arrest van dit proces-verbaal een uitlegging die met de inhoud ervan niet te verzoenen is en miskent het de bewijskracht van dit proces-verbaal.
- Het arrest stelt niet vast dat de eiser II van zijn vrijheid was benomen op het moment waarop hij de verbalisanten te woord stond in het kader van de controle die zij uitvoerden in zijn winkel.
- Voor het overige verwijt het onderdeel aan het arrest niet te oordelen dat het aanvankelijk proces-verbaal een vermelding bevat die niet erin voorkomt, dan wel een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt, maar wel uit dat proces-verbaal een juridische gevolg af te leiden, namelijk dat het in het proces-verbaal beschreven gesprek tussen de verbalisanten en de eiser II niet voldoet aan het begrip verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Een dergelijke grief levert geen miskenning van de bewijskracht van akten op.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.3 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt ten onrechte het verweer van de eiser II dat zijn “gesprek” met de verbalisanten naar aanleiding van de controle in zijn juwelierswinkel in werkelijkheid een verhoor betrof in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, waarbij de cautieplicht en eisers recht op bijstand van een advocaat niet zijn geëerbiedigd; uit de vermeldingen in het aanvankelijk proces-verbaal, met inbegrip van de inhoud van eisers verklaringen, blijkt immers dat aan de eiser II gerichte vragen werden gesteld over feiten die hem op dat ogenblik ten laste werden gelegd en dit op een moment waarop hij reeds van zijn vrijheid was benomen; de verbalisanten hadden duidelijk de intentie om de eiser II te ondervragen als verdachte van een misdrijf; uit de in het proces-verbaal geacteerde gezegdes blijkt dat eisers verklaring in ieder geval verder gaat dan een spontane verklaring of het verstrekken van aanwijzingen “in het kader van een controle” en dat het in werkelijkheid ging om een geleide ondervraging met het oog op de waarheidsvinding in een opsporingsonderzoek met betrekking tot een witwasmisdrijf.
- In zoverre het onderdeel een kennisname vereist van de inhoud van dossierstukken, in het bijzonder van het aanvankelijk proces-verbaal, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het arrest stelt niet vast dat de eiser II van zijn vrijheid was benomen op het moment waarop de verbalisanten hem de in het onderdeel vermelde vragen stelden. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is een geleide ondervraging over misdrijven die aan een in dat artikel bedoelde persoon ten laste kunnen worden gelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar, geacteerd in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden. Dat artikel is daarentegen niet van toepassing op spontane verklaringen of aanwijzingen van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken door een daartoe bevoegde ambtenaar, wiens interpellatie enkel bedoeld is om zich een juist beeld van de vastgestelde feiten te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen. Dat de vastgestelde feiten kunnen wijzen op het bestaan van een misdrijf, dat de controle in het kader waarvan de feiten worden vastgesteld bewijs kan opleveren dat kan worden gebruikt in het kader van een strafvervolging of dat specifieke vragen worden gesteld, is daarbij niet doorslaggevend.
- De rechter oordeelt op grond van de hem concreet voorgelegde feiten, met inbegrip van de specifieke context waarin het gesprek en de eventueel daarin vervatte vraagstelling plaatsvond, onaantastbaar of er al dan niet sprake is van een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Overeenkomstig artikel 67, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (hierna Witwaswet 2017), zoals van toepassing, mag de betaling van edele metalen in de regel niet in contanten worden verricht of ontvangen voor een bedrag van meer dan 500,00 euro wanneer de verkoper een consument is en de koper geen consument. Indien in dat laatste geval de koper de betaling geheel of gedeeltelijk in contanten aanvaardt te verrichten, moet hij de consument identificeren, zijn identiteit verifiëren en zijn gegevens en het bewijs van de verificatie bewaren. Overtreding van die bepaling wordt bestraft met een geldboete overeenkomstig artikel 137, eerste lid, 1°, Witwaswet
- De eiser II heeft hoger beroep ingesteld tegen zijn schuldigverklaring aan de telastlegging C.3 (witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek van 46.600,00 euro en 2.400,00 US Dollar), maar niet tegen zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen D en E (overtreding van de cashdrempel en de registratieplicht bepaald in artikel 67, § 2, Witwaswet 2017 door de contante aankoop van 230 gram goud voor 6.900,00 euro zonder identificatie of registratie). Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak van de eiser II voor de telastleggingen A (valsheid en gebruik van valse stukken) en C.1 (witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek) van een onbepaalde hoeveelheid juwelen. De appelrechters spreken de eiser II vrij voor de telastlegging A, stellen vast dat zijn schuld aan de telastleggingen D en E vaststaat en verklaren hem schuldig aan de telastleggingen C.1 en C.
- Daarbij stelt het arrest onder meer de volgende feiten vast: - het strafdossier nam een aanvang toen een inspecteur van de lokale politie Antwerpen, verbonden aan het team GOUDI dat de Antwerpse juweliers en goudwinkels als werkterrein heeft, een voortvluchtige persoon de juwelierszaak van de eisers zag binnenstappen en nadien terug verlaten; - na zijn interceptie verklaarde die persoon spontaan dat hij bij een juwelier juwelen van zijn moeder had verkocht en hiervoor 6.900,00 euro had gekregen, bedrag dat op hem ook werd teruggevonden bij een fouille; - in deze omstandigheden lag het voor de hand dat de politieagenten, waaronder de vermelde inspecteur van het team GOUDI, op grond van artikel 26 Wet Politieambt overgingen tot controle van de juwelierszaak van de eisers, die op dat moment was geopend en derhalve een publiek toegankelijke plaats was; - de inspecteurs beschreven het verloop van de controle op een gedetailleerde wijze in het aanvankelijk proces-verbaal van 19 oktober 2019; - “In de deuropening van de juwelierszaak troffen de voornoemde politieagenten [de eiser II] aan (…). Er werd [hem] gevraagd om (…) hen naar binnen te vergezellen. Er werd aan [de eiser II] gevraagd of er juist een jongeman was geweest die juwelen is komen verkopen. Aarzelend bevestigde [de eiser II] de verkoop. De verbalisant vroeg aan [de eiser II] om de aangekochte juwelen te laten zien alsook de verplichte registratie. Een duidelijk zenuwachtige [eiser II] zei de politie even te wachten en stapte een beetje over en weer. Nogmaals vroeg de verbalisant naar de registratie van de aankoop. [De eiser II] zei dat hij niets genoteerd had van de aankoop, het was te druk en de klant wilde snel zijn geld. [De eiser II] bleef wat over en weer lopen en keek wat onder de toonbank maar gaf nog steeds geen juwelen. Dan ging hij naar de naastliggende werkplaats waar [de eiser I] – de andere zaakvoerder – achter een laptop naar de voetbal zat te kijken. [De eiser II] vroeg aan [de eiser I] waar de juwelen waren en deze zei van niets te weten. Er werd door de verbalisant gezegd dat niet te geloven aangezien de verkoop recent heeft plaatsgehad. De verbalisant bleef in de deuropening staan en zei tegen [de eiser II] dat hij de aangekochte juwelen wilde zien. [De eiser II] vroeg hem even te wachten; hij zal ze halen. (…) [De eiser II] zei dat de jongen dit aan hen heeft verkocht, 230 gram. De verbalisant zei tegen [de eiser II] dat hij exact wilde weten wat hij had aangekocht. Nogmaals zegt [de eiser II] dat dit was wat hij heeft aangekocht, 230 gram. De verbalisant vroeg aan [de eiser II] welke weegschaal hij gebruikt heeft om het goud te wegen dat door [de geïntercepteerde persoon] verkocht werd. [De eiser II] zei dat hij dit klein zwart weegschaaltje heeft gebruikt. Wanneer de verbalisant vroeg waarom hij niet de geijkte weegschaal heeft gebruikt dewelke in de winkel slaat, kon [de eiser II] daar geen antwoord op geven”; - er werd besloten de juwelierszaak te bevriezen en de dienstdoende terreinondersteuner, officier van gerechtelijke politie, te laten komen. De eisers werden om 14.24 uur van hun vrijheid benomen; - om 16.48 uur werd onder leiding van de dienstdoende terreinondersteuner een huiszoeking op grond van heterdaad in de juwelierszaak aangevat. Het arrest oordeelt verder als volgt: - de vermelde feitelijke omstandigheden van de zaak en de aard en het doel van de controle wijzen uit dat er hier geen sprake was van een verhoor van de eisers in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering; - bovendien heeft de eiser I zelf geen verklaringen aan de politieagenten afgelegd, gezien hij alleen heeft geantwoord op een vraag van de eiser II; - de vaststellingen en de vraagstelling door de politieagenten waren in de aan de orde zijnde context hoe dan ook evident en hadden in het bijzonder als doel informatiegaring aangaande het gebeurde met de geïntercepteerde persoon in de juwelierszaak, informatiegaring waarvoor de politieagenten bevoegd waren; - de controle op grond van artikel 26 Wet Politieambt en de daarmee gepaard gaande vraagstelling door de politieagenten was enkel bedoeld om zich een juist beeld van het gebeurde te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen. Het enkele feit dat de in casu vastgestelde feiten konden wijzen op het bestaan van één of meer misdrijven doet hieraan geen afbreuk; - een schending van de voorschriften van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering ligt dus niet voor. Van op onrechtmatige wijze van de eisers afgenomen verhoren was geen sprake.
- Gelet op het specifieke verbod en, in voorkomend geval, de specifieke administratieve verplichtingen die artikel 67, § 2, Witwaswet 2017 aan juweliers oplegt, alsook in het licht van de vermelde omstandigheden, mochten de verbalisanten aan de eiser II vragen stellen over de aankoop van het goud waarover de geïntercepteerde persoon spontane verklaringen had afgelegd. Daaronder konden vragen over het precieze voorwerp van de aankoop, de contante betaling ervan, zoals door de eiser II onmiddellijk toegegeven (arrest, p. 23, eerste alinea), en het bestaan van een registratiebewijs ervan.
- De appelrechters kunnen de antwoorden van de eiser II op die vraagstelling aanzien als spontane verklaringen of aanwijzingen van een persoon die door daartoe bevoegde ambtenaren op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken, rekening houdend met zijn verplichtingen die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen D en E, waaraan de eiser II door de eerste rechter definitief schuldig is verklaard. Uit die antwoorden, naast andere bewijsgegevens zoals de aanvankelijke verklaringen van de geïntercepteerde persoon, diens latere verklaringen waaronder de verklaring dat hij regelmatig in de winkel van de eisers gestolen goederen ging verkopen, de resultaten van de huiszoeking op grond van heterdaad en boekhoudkundige gegevens met betrekking tot de zaak van de eisers, konden de appelrechters eveneens wettig en zonder schending van de in het middel vermelde bepalingen, de schuld van de eiser II aan de in hoger beroep nog betwiste telastleggingen C.1 en C.3 afleiden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat er sprake is van een onregelmatige controle van de werkruimte van eisers juwelierszaak en dat alle daarop gebaseerde bewijselementen uit het debat dienen te worden geweerd voor de beoordeling van de schuldvraag; de daaropvolgende huiszoeking van 16.48 uur werd echter niet geweerd uit het debat; nochtans was deze huiszoeking rechtstreeks gebaseerd op de vaststellingen die waren gebeurd tijdens de onregelmatige controle van 14.24 uur en diende deze dus eveneens uit het debat te worden geweerd; op grond van deze vaststellingen kon het arrest niet wettig beslissen dat de huiszoeking van 16.48 uur niet als onwettig bewijs diende te worden uitgesloten.
- De in het onderdeel als geschonden aangegeven bepalingen dwingen de strafrechter niet om bewijsgegevens uit het debat te weren die weliswaar zijn verkregen na een door hem vastgestelde onregelmatigheid in de bewijsgaring, maar die naar zijn oordeel geen gevolg zijn van die onregelmatigheid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 21-23) oordeelt onder meer als volgt: - gelet op de onregelmatigheid, bestaande in het ongewenst betreden door de verbalisanten van de niet voor het publiek toegankelijke werkplaats achter de winkel van de eisers, neemt het hof van beroep de vaststellingen van de verbalisant en de antwoorden die de verbalisant kreeg bij zijn controle van de werkruimte van de juwelierszaak niet in aanmerking als bewijselementen bij de beoordeling van de schuldvraag. Ook alle verdere daarop gebaseerde bewijselementen worden geweerd voor de beoordeling van de schuldvraag; - dit impliceert evenwel niet dat de ganse controle van 19 oktober 2019 van de juwelierszaak door de politiediensten onregelmatig was. Zo blijven alle door de politiediensten vóór het begaan van de onregelmatigheid vergaarde onderzoeksgegevens regelmatig en dus in het debat; - de regelmatig op 19 oktober 2019 bij de controle van de juwelierszaak verzamelde onderzoeksgegevens in combinatie met de andere reeds verzamelde onderzoeksgegevens, hielden onmiskenbaar een afdoende rechtsgrond in voor de politiediensten om op 19 oktober 2019 om 16.48 uur onder leiding van een officier van gerechtelijke politie de huiszoeking bij heterdaad in de ruimten van de juwelierszaak, waaronder de werkplaats, aan te vatten. De uit deze huiszoeking resulterende onderzoeksgegevens zijn dus op regelmatige wijze vergaard; - de ontdekking van de feiten van de telastleggingen D en E lag reeds voor voordat de onregelmatigheid van het ongewenst betreden van de niet voor het publiek toegankelijke werkplaats werd begaan; - bijgevolg dringt er zich louter een beperkte wering van bewijselementen op, zoals hiervoor aangegeven.
- Het arrest dat aldus oordeelt dat de huiszoeking ingevolge heterdaad niet steunt op de onregelmatige vaststellingen die de verbalisanten ter gelegenheid van hun eerdere controle in de niet voor het publiek toegankelijke ruimte achter de winkel van de eisers hebben gedaan, verantwoordt de beslissing om het resultaat van de huiszoeking niet uit het bewijs te weren, naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: door enerzijds te oordelen dat er sprake is van een onregelmatige controle van de werkruimte van eisers juwelierszaak en dat alle daarop gebaseerde bewijselementen uit het debat dienen te worden geweerd voor de beoordeling van de schuldvraag en anderzijds te oordelen dat de huiszoeking van 16.48 uur niet dient te worden geweerd uit het debat voor de beoordeling van de schuldvraag, bestaat er een tegenstrijdigheid, minstens een dubbelzinnigheid, in de redenen van het arrest; aldus is er een afwezigheid van motivering.
- Het onderdeel preciseert niet in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het onwettig is. In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid van de motivering aanvoert, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- De tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel eveneens niet ontvankelijk.
- De schending van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde motiveringsgebreken. In zoverre is het onderdeel evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 238,21 euro, waarvan op het cassatieberoep I 119,11 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 119,10 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div