← België

W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Artikel 67bis, Wegverkeerswet - Vermoeden van toerekening aan de kentekenplaathouder - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Artikel 67bis, Wegverkeerswet - Vermoeden van toerekening aan de kentekenplaathouder - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Artikel 67bis, Wegverkeerswet - Vermoeden van toerekening aan de kentekenplaathouder - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0172.N P. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gust Detienne, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 8 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en in dubio pro reo: het bestreden vonnis verklaart de eiser schuldig, omdat hij het niet aannemelijk maakt dat niet hij, maar zijn schoonvader de bestuurder was van de wagen met aanhangwagen; het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser niet de eigenaar is van de kentekenplaat op de aanhangwagen; hij is ook niet de eigenaar van de aanhangwagen; op hem als bestuurder van het voertuig waaraan de aanhangwagen was bevestigd, rust geen vermoeden dat hij die misdrijven, waaraan het bestreden vonnis hem schuldig verklaart, ook pleegde; hij moet ook niet aannemelijk maken dat hij onschuldig is, noch bewijzen dat iemand anders de overtreding beging.
  3. Het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit ook wordt gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, houdt niet in dat de rechter elke aanvoering van een beklaagde voor waar moet aannemen en dat het hem zou ontzegd zijn de aannemelijkheid van die aanvoering te toetsen.
  4. Bij die beoordeling mag de rechter het tijdstip betrekken waarop een bepaalde aanvoering werd geformuleerd en het gegeven of de inhoud van die aanvoering wordt bevestigd door objectieve en onafhankelijke gegevens.
  5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de eiser werd door de houder van de kentekenplaat W. aangeduid als de bestuurder en hij maakt het niet aannemelijk dat niet hij, maar zijn schoonvader de bestuurder was; - de eiser liet na om in te gaan op meerdere uitnodigingen tot verhoor; - eveneens liet hij na om voor de politierechtbank een verweer te formuleren, hoewel hij kennis had van de zitting; - het is pas in hoger beroep, na de veroordeling door de politierechtbank, dat een verklaring van zijn schoonmoeder wordt bijgebracht; - de informatie van W. wordt boven de laattijdig bijgebrachte en louter subjectieve verklaringen van de schoonmoeder gesteld; - het is immers al te gemakkelijk om laattijdig de schuld in de schoenen te schuiven van een reeds overleden persoon; - ook de stukken waaruit zou moeten blijken dat de eiser aan het werk was op het ogenblik van de feiten overtuigen niet; - het detail bij de factuur van 22 november 2022 maakte de eiser of zijn echtgenote zelf en is bijgevolg niet objectief; - ook blijkt niet dat hij het zelf was die op 23 oktober 2023 nog tot 18.30 u werkte; - het is immers een factuur uitgaande van ‘Randhof’ met als contactpersoon N. (die blijkens stuk 4 zijn echtgenote is), een onderneming waar mogelijk nog andere mensen tewerkgesteld zijn; - op de rechtszitting verklaarde de eiser bovendien dat hij de werken samen met drie of vier andere personen uitvoerde; - de verklaring van zijn echtgenote in stuk 4 dat hij in deze periode als meewerkende echtgenoot werkte is daarenboven vaag naar het specifieke ogenblik van de feiten en in ieder geval niet objectief. Met deze redenen oordeelt het bestreden vonnis niet dat de eiser schuldig is omdat hij niet aannemelijk maakt dat niet hij maar zijn schoonvader bestuurder was van het voertuig met aanhangwagen, maar wel dat eisers aanvoering niet aannemelijk is. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis miskent de bewijskracht van de urenstaat van de eiser van 17 oktober 2022 tot en met 31 oktober 2022, die was gehecht aan de factuur van 22 november 2022; die urenstaat vermeldt uitdrukkelijk dat het de eiser was die aan het werk was en niet iemand anders; met het oordeel dat uit die gevoegde urenstaat niet blijkt dat het de eiser zelf was die aan het werk was, oordelen de appelrechters dat die akte een verklaring niet bevat, die wel er in staat.
  8. De verwerping van eisers aanvoering dat hij op het ogenblik van de feiten elders aan het werk was, is niet louter gebaseerd op de verwijzing naar de urenstaat, maar op een beoordeling van een geheel van andere gegevens die de bekritiseerde beslissing schragen. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.