id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Verzoekschrift - Artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet - Detentieomstandigheden - Artikel 3 EVRM - Verbod van foltering, onmenselijke of vernederende handelingen of bestraffingen - Aanvoering van een opsluiting strijdig met artikel 3 EVRM - Vereiste van minimale zwaarwichtigheid - Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Beoordeling door de rechter - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Detentieomstandigheden - Artikel 3 EVRM - Verbod van foltering, onmenselijke of vernederende handelingen of bestraffingen - Aanvoering van een opsluiting strijdig met artikel 3 EVRM - Vereiste van minimale zwaarwichtigheid - Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet - Beoordeling door de rechter - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0701.N C. M., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het op 19 mei 2025 ter griffie ingediende stuk
- Dit stuk dat werd ingediend buiten de in artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn van vijf dagen na het instellen van het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: door met betrekking tot eisers detentieomstandigheden slechts rekening te houden met de onnauwkeurige en onvolledige informatie zoals meegedeeld in de nota van de gevangenisdirecteur, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat eisers detentie niet strijdig is met het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling en is die beslissing niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest baseert zich niet op nauwkeurige informatie, onder meer met betrekking tot de celgrootte, het aantal gevangenen per cel, het beddengoed, de sanitaire, hygiënische en medische omstandigheden en de activiteiten buiten de cel, terwijl met al die elementen cumulatief rekening moet worden gehouden; de nota van de gevangenisdirecteur bevat hierover geen nauwkeurige informatie, hoewel de eiser te dien einde twee brieven en een bijkomend psychologisch verslag had overgemaakt; die nota bevat slechts beperkte informatie over de detentieomstandigheden in de gevangenis te Hasselt in de periode tussen 20 en 30 april 2025, maar geen informatie over de gevangenisomstandigheden in de gevangenissen te Wandsworth in het Verenigd Koninkrijk (periode van 17 mei 2023 tot 20 december 2023), deze te Brugge (periode van 20 december 2023 tot 8 april 2025) en deze te Hasselt vanaf eisers overplaatsing op 8 april 2025, waarbij geen informatie voorligt over de voormelde elementen; de nota van de gevangenisdirecteur bevat aldus onvoldoende informatie om een nauwkeurig en doeltreffend onderzoek te kunnen voeren naar, en een effectieve controle te kunnen uitoefenen op, de cumulatieve detentieomstandigheden van de eiser in de verschillende cellen en gevangenissen waarin hij werd vastgehouden vanaf 17 mei
- In zoverre het middel niet gericht is tegen het arrest maar tegen het e-mailbericht (“nota”) van de gevangenisdirectie, is het niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
- Het enkele feit dat hij die van zijn vrijheid is beroofd met het oog op strafvervolging ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist.
- Indien een beklaagde die zich in voorlopige hechtenis bevindt, voorhoudt dat hij is opgesloten in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 EVRM, kan hij door middel van een overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling de rechter vragen zich daarover uit te spreken. Die rechter kan voor zover een schending van artikel 3 EVRM vaststaat, effectief rechtsherstel verlenen.
- Het staat aan de rechter die kennis neemt van een door een beklaagde op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onaantastbaar te oordelen of de beklaagde daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt.
- De rechter dient bij die beoordeling rekening te houden met de actuele omstandigheden waarin de beklaagde is opgesloten. Het komt de rechter naar aanleiding van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling niet toe te oordelen over de omstandigheden waaronder de beklaagde in het verleden van zijn vrijheid werd beroofd maar die achterhaald zijn ingevolge een wijziging van zijn detentietoestand.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 6) oordeelt over de omstandigheden waarin de eiser is opgesloten als volgt: - uit de e-mail van 30 april 2025 van de regionale directie blijkt dat de eiser sedert 20 april 2025 verblijft in de gevangenis te Hasselt in een monocel van 9,4 m², die een wascel en toilet bevat; - de monocel, waarin de eiser alleen verblijft, heeft daglicht; - tevens blijkt dat de eiser op weekdagen tweemaal per dag de mogelijkheid heeft om gedurende anderhalf uur in de buitenlucht te vertoeven. Op weekenddagen is dat driemaal per dag. Op het ogenblik van voormelde wandelingen in de buitenlucht is er mogelijkheid tot lichaamsbeweging (wandelen, lopen, balsporten, bewegingstoestellen); - de eiser beschikt derhalve over voldoende persoonlijke ruimte in zijn cel en beschikt bovendien gedurende een aantal uren per dag over bewegingsruimte buiten de cel; - enige doorwerking van beweerde inbreuken m.b.t. zijn detentie-omstandigheden in het verleden op zijn huidige, actuele detentie-omstandigheden en zijn gezondheidstoestand wordt niet aannemelijk gemaakt. Ook de verslagen van klinisch psycholoog B. maken dit niet aannemelijk, aangezien uit die verslagen niet kan worden afgeleid of de beweerde inbreuken op die detentie-omstandigheden de oorzaak zijn van de lijdensdruk bij de eiser. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat eisers opsluiting niet strijdig is met artikel 3 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 13 EVRM, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: de beslissing tot verwerping van eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en dus tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis, is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden niet op eisers conclusie, waarin de eiser had gewezen op de hypothetische risico’s bij de beoordeling van het onttrekkings- collusie- en recidivegevaar; het onttrekkings- en recidivegevaar moeten worden beoordeeld op grond van de relevante factoren van de zaak, waarbij op een concrete wijze moet worden nagegaan of het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn niet is miskend; het arrest steunt zich niet op een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek om na te gaan of aan de voorwaarden voor de voorlopige hechtenis, in het bijzonder met betrekking tot het onttrekkings- en recidivegevaar, is voldaan en motiveert ook niet waarom de door de eiser voorgestelde voorwaarden en borgsom onvoldoende garanties zouden bieden.
- De rechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een beklaagde verwerpt en bijgevolg diens voorlopige hechtenis handhaaft, dient een conclusie met aanvoeringen dat de gevaren voor recidive en onttrekking kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van voorwaarden of een borgsom, te beantwoorden.
- Die rechter moet daarbij niet de redenen van zijn redenen geven. Hij dient weliswaar het verweer te beantwoorden, maar moet niet antwoorden op argumenten die louter werden aangevoerd tot staving van een verweer zonder een afzonderlijk verweer te vormen. Gelet op de korte termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, volstaat het dat hij het verweer in zijn essentie beantwoordt, zonder op elk detail te moeten ingaan.
- Aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid alsook of er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten beklaagde nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen of zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
- De beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek. Bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht is er immers geen gerechtelijk onderzoek meer.
- Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met de noodzakelijke individualisering van zijn beslissing en de noodzaak deze te steunen op nauwkeurige en geactualiseerde gegevens.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van eigen redenen en de overgenomen redenen van de schriftelijke vordering van de federale procureur, de beroepen beschikking van 31 maart 2025 en de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 mei 2024 en 9 augustus 2024 en van het hof van beroep van 7 november 2024, oordelen de appelrechters niet alleen dat er ten aanzien van de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten, dat de duur van de voorlopige hechtenis de redelijke termijn niet overschrijdt en dat een verdere hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, maar ook dat: - er een ernstig vluchtgevaar bestaat, gelet op een eerdere uitlating van de eiser die verwijst naar een mogelijke bevrijdings- of ontsnappingspoging en gelet op de grote internationale mobiliteit van de eiser, die geen enkele band heeft met het Rijk; - de door hem voorgestelde voorwaarden en borgsom en de in ondergeschikte orde voorgestelde hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht niet van aard zijn om het gevaar voor de openbare veiligheid en het risico op onttrekking afdoende te neutraliseren.
- Met het geheel van die redenen, die geen blijk geven van enig automatisme en geen stereotiepe noch hypothetische redenen inhouden, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de door hem voorgestelde alternatieven voor de voorlopige hechtenis moeten worden verworpen, verwerpen en beantwoorden zij het andersluidende verweer van de eiser en omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel louter betrekking heeft op het oordeel van het arrest over het recidive- en collusiegevaar, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.28 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div