← België

W. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.1 Rolnummer: F.21.0091.N Zaak: W. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 601 - laatst gezien 2026-06-18 13:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.1 Fiche Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 maart 2019 in de zaak C-201/18 oordeelt het Hof dat wanneer het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van de goederen of diensten niet wijzigt, er geen reden is tot herziening van de ten aanzien van dat bedrijfsmiddel in aftrek gebrachte btw

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Herziening van de aftrek van de belasting - Bedrijfsmiddelen - Goederen voorwerp van zakelijke rechten - Erfpacht - Aankoop door de erfpachter van de tréfonds - Geen wijziging van het gebruik van het goed - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB nr. 3 van 10 december 1969 - 3 - 10-12-1969 - Art. 10 - 31 Link Justel databank 19691210-31 KB nr. 3 van 10 december 1969 - 3 - 10-12-1969 - Art. 11 - 31 Link Justel databank 19691210-31 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0091.N L.W., advocaat, (…), in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van bv YOUR, met zetel te 2000 Antwerpen, Kloosterstraat 90, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0888.087.458, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, Centrumdirecteur van de Administratie KMO, Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 juni
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 13 februari 2025 en op 9 april 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 10, § 1, 4°, Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde is er aanleiding tot herziening wanneer het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan of wanneer het niet meer gebruikt wordt voor de btw-eenheid ingevolge de uittreding van één van haar leden, tenzij wordt aangetoond dat zulks het gevolg is van een handeling die recht op aftrek verleent of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd. Krachtens artikel 11, § 3, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit wordt deze herziening in eenmaal verricht voor het jaar waarin de oorzaak van de herziening zich heeft voorgedaan en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop, volgens het geval, van een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste per jaar, van het bedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting. In toepassing van deze bepalingen, in hun onderlinge samenhang, is er in beginsel aanleiding tot pro rata herziening van de btw-aftrek wanneer een onroerend bedrijfsmiddel binnen de vijftien jaar na ingebruikname ophoudt in de onderneming te bestaan.
  3. Met betrekking tot de artikelen 184 tot en met 192 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 27 maart 2019 in de zaak C-201/18 dat “het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van de goederen of diensten bepalend is voor de omvang van de aanvankelijke aftrek waarop de belastingplichtige recht heeft en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden”, dat het herzieningsmechanisme “een nauw en rechtstreeks verband [beoogt] te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen of diensten voor belaste handelingen in een later stadium” derwijze dat een herziening zich slechts zal opdringen indien “de nauwe en rechtstreekse band wordt verbroken tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen en diensten voor in een later stadium belaste handelingen”. Hieruit volgt dat wanneer het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van de goederen of diensten niet wijzigt, er geen reden is tot herziening van de ten aanzien van dat bedrijfsmiddel in aftrek gebrachte btw.
  4. De appelrechters stellen vast dat: - Your bv op 5 februari 2010 een recht van erfpacht verkreeg op welbepaalde onroerende goederen, tegen betaling van een periodieke vergoeding van 15.000 euro per maand gedurende 27 jaar; - de wederpartij een ‘up front factuur’ heeft opgesteld ten bedrag van 702.173,32 euro in hoofdsom en 147.456,52 euro aan btw; - Your bv deze btw in aftrek heeft gebracht; - het tussen partijen geen betwisting vormde dat Your bv de onroerende goederen in kwestie volledig aanwendde voor de uitoefening van haar economische activiteit, zodat de initiële aftrek van de btw rechtsgeldig was; - Your bv op 10 mei 2012 de onverdeelde helft in de onroerende goederen bezwaard met het erfpachtrecht kocht, zodat het erfpachtrecht ten belope van de helft verviel wegens vermenging.
  5. Uit geen enkele vaststelling van de appelrechters blijkt dat het daadwerkelijke gebruik van het bedrijfsmiddel wijzigde door of bij de aankoop door Your bv van de onverdeelde helft in de onroerende goederen bezwaard met het erfpachtrecht. De appelrechters stellen integendeel vast dat niet wordt betwist dat Your bv “het kwestieuze onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van het recht van erfpacht dat aan haar werd verleend bij voormelde notariële akte volledig aanwendt voor de uitoefening van haar economische activiteit”.
  6. Door niettemin te oordelen dat “het recht van erfpacht ingevolge vermenging [eindigt]” en dat deze vermenging ertoe leidt dat “het recht van erfpacht (dat in hoofde van [de eiser], de houder van het erfpachtrecht dient beschouwd te worden als bedrijfsmiddel) als bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan”, zodat Your bv ten gevolge van de juridische vermenging had moeten overgaan tot een herziening van de btw in toepassing van artikel 10, § 1, 4°, van het voormelde koninklijk besluit, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 23 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.