← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.5 Rolnummer: F.22.0072.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 443 - laatst gezien 2026-06-18 03:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.5 Fiche Aan de registratieverplichting opdat in toepassing van artikel 1.3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 de antidumpingheffing kan worden geïnd zijn geen formele vereisten verbonden; het is enkel vereist dat de registratie geen twijfel laat bestaan inzake de identificatie van alle aan heffing onderworpen invoerverrichtingen van de betrokken producten en het mogelijk maakt om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Antidumpingrechten - Invoer - Registratieverplichting - Vormvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25 september 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Verordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad ... - 25-09-2012 - Art. 2 Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap - 30-11-2009 - Art. 13, derde lid Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap - 30-11-2009 - Art. 14, vijfde lid Tekst van de beslissing Nr. F.22.0072.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de Gewestelijk Directeur Douane en Accijnzen Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S.B., advocaat, (…), en J.D., advocaat, (…), beiden in hun hoedanigheid van vereffenaars van LOGITOYS nv. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 december
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 april 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel
  2. De overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap ingestelde antidumpingrechten kunnen op grond van artikel 13.1 van deze Verordening worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt.
  3. Overeenkomstig artikel 13.3 Verordening (EG) nr. 1225/2009 worden onderzoeken op grond van dit artikel geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidsstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid. Wanneer de definitief vastgestelde feiten de uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité het daartoe strekkende besluit. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist.
  4. Overeenkomstig artikel 14.5 Verordening (EG) nr. 1225/2009 kan de Commissie, na overleg in het raadgevend comité, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat vervolgens met ingang van de datum van registratie maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Gemeenschap ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. De registratieverplichting wordt opgelegd door middel van een verordening waarin het doel van de maatregel en, zo nodig, een schatting van de bedragen die eventueel later verschuldigd zullen zijn, worden vermeld. De invoer wordt voor een periode van ten hoogste negen maanden aan registratieplicht onderworpen.
  5. Artikel 1 van de Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25 september 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Verordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad ingestelde antidumpingrechten op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, door de invoer van rijwielen verzonden vanuit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie, bepaalt dat op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 een onderzoek wordt geopend om vast te stellen of bij de invoer in de Unie van rijwielen (inclusief bakfietsen, maar exclusief eenwielers), zonder motor, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8712 00 30 en ex 8712 00 70 (Taric-code 8712 00 30 10 en 8712 00 70 91) de bij Verordening (EU) nr. 990/2011 ingestelde maatregelen worden ontweken. Overeenkomstig artikel 2, eerste lid, Verordening (EU) nr. 875/2012 nemen de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 de nodige maatregelen om de invoer in de Unie van de in artikel 1 van deze verordening omschreven goederen te registreren. Overeenkomstig artikel 2, tweede lid, Verordening (EU) nr. 875/2012 wordt de registratie negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.
  6. Krachtens artikel 1.1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië wordt het definitieve antidumpingrecht dat geldt voor “alle andere ondernemingen” dat bij artikel 1, lid 2, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op tweewielige en andere rijwielen (met inbegrip van bakfietsen, maar exclusief eenwielers), zonder motor, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, uitgebreid tot tweewielige en andere rijwielen (met inbegrip van bakfietsen, maar exclusief eenwielers), zonder motor, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8712 00 30 en ex 8712 00 70 (Taric-codes 8712 00 30 10 en 8712 00 70 91). Overeenkomstig artikel 1.3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 wordt het bij lid 1 van voormeld artikel uitgebreide definitieve antidumpingrecht geïnd op ingevoerde producten uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 875/2012 en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/
  7. Opdat in toepassing van artikel 1.3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 de antidumpingheffing kan worden geïnd, is vereist dat de invoer van de aan antidumpingrechten onderworpen goederen regelmatig is geregistreerd overeenkomstig artikel 2 Verordening (EU) nr. 875/2012 en de artikelen 13, lid 3, en 14, lid 5, Verordening (EG) nr. 1225/
  8. Deze registratie beoogt het bijhouden van de relevante gegevens van die invoeren tijdens de registratieperiode zodat naderhand, nadat de ontwijking wordt bevestigd en er definitieve antidumpingrechten worden ingesteld, de betreffende antidumpingrechten kunnen worden geïnd met betrekking tot die geregistreerde invoeren. Aan deze registratieverplichting zijn geen formele vereisten verbonden. Het is enkel vereist dat de registratie geen twijfel laat bestaan inzake de identificatie van alle aan heffing onderworpen invoerverrichtingen van de betrokken producten en het mogelijk maakt om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen.
  9. De appelrechter oordeelt vooreerst dat: - aan de registratieverplichting die voortvloeit uit artikel 2 Verordening (EU) nr. 875/2012 geen formele vormvereisten worden opgelegd, zodat de registratie van de invoer in het PLDA-systeem “in theorie een afdoende registratie zou kunnen zijn”, maar dat in concreto wel dient te worden nagegaan of de registratie ook correct gebeurde; - de aangifte van 7 maart 2013 van de verweerders wel degelijk de juiste taric-code bevatte (3712 0030 10) om op grond van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 875/2012 de invoer te registreren als zijnde afkomstig van onder meer Sri Lanka. Vervolgens oordeelt hij evenwel dat: - geen bewijs voorligt van een registratie die voldoet aan art. 2 Verordening (EU) nr. 875/2012; - het onderscheid tussen registratie en oplijsting door de diensten van de eiser zelf is bedacht, maar duidelijk gebrekkig blijkt te zijn; de praktijk die erin bestaat dat een aangever zijn aangiftes naderhand maar diende op te volgen en vervolgens maar had moeten doorklikken om vast te stellen dat er uiteindelijk retroactief antidumpingrechten verschuldigd waren, niet als de door de verordening voorgeschreven registratie kan worden aangezien; - het feit dat een boeking in het PLDA-systeem zou kunnen volstaan als voldoende registratie niet betekent dat er uiteindelijk een effectieve registratie plaatshad; - de initiële opname in PLDA niet correct gebeurde aangezien, zoals uit het schrijven van 5 mei 2015 van de diensten van de eiser blijkt, de aangifte niet was opgenomen in de lijst voor de behandeling van de definitieve inning van de antidumpingrechten waardoor de verschuldigde dumpingrechten niet werden geïnd; - in de beschikking van 11 juni 2015 bovendien wordt gesteld dat de schuld werd geboekt op 17 december 2013 onder PLDA nr. 1344652/13, hetzij buiten de registratieperiode.
  10. Door, na te hebben vastgesteld dat de registratie van de invoer in het PLDA-systeem is gebeurd op 7 maart 2013, te oordelen dat “inzake van een registratie die voldoet aan art. 2 Verordening (EU) nr. 875/2012 (…) geen bewijs voorligt”, terwijl met de voormelde redenen niet wordt vastgesteld dat de registratie van de invoer in het PLDA-systeem twijfel liet bestaan over de identificatie van alle aan heffing onderworpen invoerverrichtingen van de betrokken producten en het niet mogelijk maakte om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Eric Van Dooren, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 23 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.