id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.9 Rolnummer: F.24.0050.N Zaak: L. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 669 - laatst gezien 2026-06-18 03:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Echtgenoten en wettelijk samenwonenden, ten aanzien van wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, zijn ertoe gehouden een gezamenlijke aangifte in te dienen in eenzelfde taal; deze gezamenlijke aangifte strekt ertoe de vestiging en controle van de gemeenschappelijke aanslag administratief te vereenvoudigen
(1).
(1)Het Hof oordeelde tevens dat de appelrechters naar recht konden oordelen, op grond van de door hen gedane vaststellingen, dat de verplichting voor de eisers om als echtgenoten één enkel model van aangifte te gebruiken (gezamenlijke aangifte in één taal) geen disproportionele inbreuk op het gelijkheidsbeginsel vormt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Vrije woorden: Gehuwden en wettelijk samenwonenden - Gezamenlijke aangifte - Verplichting - Doel Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 126 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 307 KB 8 maart 2010 tot vastlegging van het model van het aangifteformulier inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2010 - 08-03-2010 - Art. 1 - 03 ELI link Pub nr 2010003151 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0050.N
- S.L.,
- G.M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 oktober
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 april 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- De in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen en de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijk worden behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschillende behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel. Het gelijkheidsbeginsel wordt miskend, indien er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
- De appelrechters stellen vast dat: - “het koninklijk besluit van 8 maart 2010 tot vastlegging van het model van het aangifteformulier inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2010, meer bepaald het model zelf, voorziet dat gehuwden en wettelijk samenwonenden elk één kolom van dezelfde aangifte moeten invullen”; - “zoals [de eisers] stellen, hieruit [volgt] dat echtgenoten verplicht zijn één enkele aangifte in te dienen”; - “de belastingplichtigen, die hun aangifte in de personenbelasting via tax-on-web indienen, de “kladversie” van hun aangifte, d.i. de elektronische aangifte vóór ondertekening, steeds in een andere taal [kunnen] invullen, en het slechts op het moment van de ondertekening [is] dat deze automatisch wordt omgezet in de taal van het fiscaal dossier”; - “wat betreft de papieren aangifte, het voor meertalige echtgenoten die met het oog op één gemeenschappelijke aanslag, een keuze moeten maken, wat betreft de taal van de aangifte, steeds mogelijk is om de kladversie van de aangifte in te vullen in een andere taal, en dat ook de toelichting en het voorbereidend document van de aangifte die de nodige informatie verschaffen voor de invulling van die papieren aangifte, steeds in de andere taal kunnen worden gevraagd aan de bevoegde taxatiedienst”.
- De appelrechters die, rekening houdend met die vaststellingen, oordelen dat de verplichting voor de eisers om als echtgenoten één enkel model van aangifte te gebruiken geen disproportionele inbreuk op het gelijkheidsbeginsel vormt, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - “[de eisers] stellen dat de verplichting om één enkele taal te gebruiken in de betrekkingen met de fiscale administratie betekent dat voor echtgenoten die elk een andere landstaal gebruiken, de administratieve procedure verloopt in een taal die één van beide echtgenoten niet gebruikt”; - “[de eisers] evenwel niet de nietigheid van de wijzigingsprocedure zelf [inroepen], uitgezonderd [de eerste eiser] om specifieke redenen die vreemd zijn aan het koninklijk besluit van 8 maart 2010”.
- De appelrechters oordelen bijgevolg op niet-bekritiseerde wijze dat bij hen geen vordering werd aangebracht tot nietigverklaring van de betwiste aanslag wegens nietigheid van de wijzigingsprocedure zelf ingevolge miskenning van het gelijkheidsbeginsel. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het feit dat de verdere administratieve procedure verloopt in één enkele taal de goede uitoefening van het recht van verdediging van de anderstalige echtgenoot belemmert en daardoor een disproportionele inbreuk op het gelijkheidsbeginsel uitmaakt, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 126, § 1, WIB92, zoals van toepassing na de vervanging ervan bij de wet van 10 augustus 2001, wordt in geval van huwelijk of wettelijke samenwoning een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd en belet deze gemeenschappelijke aanslag niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.
- Krachtens artikel 307, § 1 en § 2, WIB92, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 29 maart 2012, wordt de aangifte gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat wordt uitgereikt door de dienst die daartoe door de directeur-generaal van de directe belastingen werd aangewezen en wordt het formulier ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend.
- Krachtens artikel 1, eerste lid, Koninklijk Besluit van 8 maart 2010 wordt het model van het aangifteformulier inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2010 in de bijlage van dit besluit vastgelegd. Deze bijlage bevat een model van de aangifte in de personenbelasting met twee kolommen, waarbij wordt toegelicht dat gehuwden en wettelijk samenwonenden van een verschillend geslacht die een gezamenlijke aangifte indienen, de gegevens van de man in de linkerkolom en die van de vrouw in de rechterkolom moeten invullen en dat gehuwden en wettelijk samenwonenden van hetzelfde geslacht die een gezamenlijke aangifte indienen, de gegevens van de oudste in de linkerkolom en die van de jongste in de rechterkolom moeten invullen.
- Hieruit volgt dat echtgenoten en wettelijk samenwonenden, ten aanzien van wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, ertoe gehouden zijn een gezamenlijke aangifte in te dienen in eenzelfde taal. Deze gezamenlijke aangifte strekt ertoe de vestiging en controle van de gemeenschappelijke aanslag administratief te vereenvoudigen.
- Het in het onderdeel aangevoerde verschil in behandeling tussen echtgenoten of wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden berust bijgevolg in zijn geheel op het feit dat voor echtgenoten of wettelijk samenwonenden een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, terwijl voor feitelijk samenwonenden een afzonderlijke aanslag geldt.
- In zoverre het onderdeel voorhoudt dat de doelstelling van de wetgever bij de verplichting tot gezamenlijke aangifte onbegrijpelijk is, kan het niet worden aangenomen.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de appelrechters naar recht oordelen dat de gevolgen van de verplichting voor echtgenoten tot gezamenlijke aangifte in één taal niet disproportioneel zijn. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bedoelde verschil in behandeling tussen echtgenoten of wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden niet gerechtvaardigd is doordat op naam van feitelijk samenwonenden geen gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, kan het evenmin worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het feit dat een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd irrelevant is voor het taalgebruik in de latere administratieve procedure, kan het, om de redenen vermeld in r.o. 5, niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Prejudiciële vraag
- De verplichting voor echtgenoten om een gezamenlijke aangifte in te dienen, in eenzelfde taal, volgt uit het Koninklijk Besluit van 8 maart 2010, dat het model van het aangifteformulier inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2010 vastlegt. De aangevoerde schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel heeft bijgevolg betrekking op dit Koninklijk Besluit van 8 maart 2010 en niet op artikel 126 WIB
- De voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld. Tweede middel
- De appelrechters stellen vast dat beide eisers het Nederlands ten overstaan van de fiscale administratie gebruikten, omdat zij hun gezamenlijke aangifte in de personenbelasting in het Nederlands indienden.
- Het middel, dat in zijn geheel ervan uitgaat dat de eiseres het Frans heeft gebruikt ten overstaan van de fiscale administratie, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 243,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div