id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A
Art. 322
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Geen aparte vraag over de deelnemingsvorm van de onontbeerlijke hulp aan de misdaad - Redenen over mededaderschap van een beschuldigde - Grens Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 322
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Geen aparte vraag over de deelnemingsvorm van de onontbeerlijke hulp aan de misdaad - Redenen over mededaderschap van een beschuldigde - Grens Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 322
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Geen aparte vraag over de deelnemingsvorm van de onontbeerlijke hulp aan de misdaad - Redenen over mededaderschap van een beschuldigde - Grens Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 322
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Fiches 5 - 6 Artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het college, zonder dat het moet antwoorden op alle neergelegde conclusies, de voornaamste redenen van de beslissing van de jury moet formuleren; die bepaling strekt ertoe de partijen bij de assisenprocedure in staat te stellen de beslissing van de jury te begrijpen
(1).
(1)Cass. 28 maart 2023, AR P.22.1724.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1; Cass. 24 mei 2022, AR P.22.0419.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.3; Cass. 15 september 2020, AR P.20.0240.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2, AC 2020, nr. 538, met concl. OM, RW 2022-23, 1234; Cass. 31 januari 2018, AR P.17.1058.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1, AC 2018, nr. 67; Cass. 25 oktober 2016, AR P.16.0834.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1, AC 2016, nr. 601; Cass. 26 april 2016, AR P.16.0077.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.4, AC 2016, nr. 282; Cass. 5 juni 2012, AR P.11.0902.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3, AC 2012, nr. 361; Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC, 2010, nr. 562, NC 2011, 253 noot L. GYSELAERS; EHRM 29 november 2016, Lhermitte t/België: EHRM 16 november 2010, Taxquet t/België, § 63, www.echr.coe.int Over art. 334 Sv. zie L. HUYBRECHTS, “Strafrechtelijke motiveringsplicht in de branding. Over de motiveringsplicht i.v.m. feit en schuld”, NC 2012, 114-115; M. DE SWAEF, “Het hof van assisen in recente cassatierechtspraak”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia, 2014, 158; C. MAES en S. VANTHIENEN, “Het hof van assisen 2.
- Succesvolle reboot of herhaalde systemcrash?”, in Publiekrechtelijke Kronieken, 2018, 232-256; L. KENNES, “Les réformes récentes et à venir du jugement des affaires criminelles”, in Actualités de droit penal et de procedure pénale, Anthémis, 2019, 165-166 en 174-175; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 1362-1363; M.-A BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2025, 1865-
- Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Motivering van het arrest over de schuld - Voornaamste redenen - Doel van het voorschrift Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Voornaamste redenen - Doel van het voorschrift Fiches 7 - 10 Noch artikel 6.1 EVRM, noch artikel 334 Wetboek van Strafvordering of enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel, verplichten ertoe dat de formulering van de voornaamste redenen ook melding zou maken van:- de reden waarom een bepaalde verklaring van een medebeschuldigde meer overtuigend wordt bevonden dan een andere verklaring van die medebeschuldigde; - de achterliggende motieven van de voornaamste redenen van de jury; - alle argumenten à décharge die door een beschuldigde tijdens het debat werden voorgebracht; - de reden waarom geloof wordt gehecht aan de interpretatie van de telefoniegegevens door de politiediensten; - de stukken die door de beschuldigde tijdens het debat werden neergelegd; uit de loutere omstandigheid dat de formulering van de voornaamste redenen van de beslissing van de jury niet de reden vermeldt waarom aan een bepaalde verklaring geloof wordt gehecht en aan andere verklaringen niet, kan niet worden afgeleid dat de beslissing van de jury op arbitraire gronden is gebaseerd of het vermoeden van onschuld miskent. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Motivering van het arrest over de schuld - Voornaamste redenen - Draagwijdte - Geen vermelding van stukken ingediend door de beschuldigde of van zijn argumenten - Geen redenen over de geloofwaardigheid van belastende bewijsgegevens of van bepaalde verklaringen van de beschuldigde - Vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Voornaamste redenen - Draagwijdte - Geen vermelding van stukken ingediend door de beschuldigde of van zijn argumenten - Geen redenen over de geloofwaardigheid van belastende bewijsgegevens of van bepaalde verklaringen van de beschuldigde - Vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Voornaamste redenen - Draagwijdte - Geen vermelding van stukken ingediend door de beschuldigde of van zijn argumenten - Geen redenen over de geloofwaardigheid van belastende bewijsgegevens of van bepaalde verklaringen van de beschuldigde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 344
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Voornaamste redenen - Draagwijdte - Geen vermelding van stukken ingediend door de beschuldigde of van zijn argumenten - Geen redenen over de geloofwaardigheid van belastende bewijsgegevens of van bepaalde verklaringen van de beschuldigde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 Het arrest van het hof van assisen over de schuldvragen en het proces-verbaal van de rechtszitting dienen geen melding te maken van de toegepaste bepalingen van het Wetboek van Strafvordering; uit de loutere omstandigheid dat die bepalingen niet worden vermeld, kan niet worden afgeleid dat de erin vermelde voorschriften niet werden nageleefd. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Vrije woorden: Arrest van schuldigverklaring - Vermelding van de toegepaste wetsbepalingen - Verzuim - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Vermelding van de toegepaste wetsbepalingen - Verzuim - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334
- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Hof van assisen - Verklaring van de jury - Motivering van het arrest over de schuld - Vermelding van de toegepaste wetsbepalingen - Verzuim - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) -
Art. 334- 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0562.N I C. R., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. II R. Z., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen: - het arrest van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 8 oktober 2024, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (hierna arrest I); - het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 8 oktober 2024 (hierna arrest II); - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 december 2024 over de schuld (hierna arrest III); - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 13 december 2024 over de straf (hierna arrest IV). Het cassatieberoep II is gericht tegen de arresten I, III en IV. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II tegen het arrest I
- Artikel 416 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen slechts cassatieberoep kunnen instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben. Het arrest I oordeelt louter dat de eiser I in zijn bij toepassing van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering neergelegde conclusie geen onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering heeft omschreven waarover de voorzitter uitspraak moet doen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II een conclusie bij toepassing van die bepaling heeft ingediend. De eiser II heeft bijgevolg geen hoedanigheid om cassatieberoep aan te tekenen tegen het arrest I, zodat het cassatieberoep II in zoverre niet ontvankelijk is. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, 392, 393 en 394 Strafwetboek en artikel 231 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser I diensten heeft verleend aan de medebeschuldigde M.Z. als tussenpersoon bij het plegen van de moord, verantwoordt het arrest III, dat de voornaamste redenen van de beslissing van de jury van het hof van assisen bevat, de schuldigverklaring van de eiser I als mededader van of strafbare deelnemer aan de moord niet naar recht; uit die redenen blijkt niet door welke materiële daad de eiser I rechtstreeks heeft meegewerkt aan de uitvoering van het misdrijf met de wil om als strafbare deelnemer hieraan bij te dragen; het arrest III stelt slechts vast dat de eiser I kennis had van een mogelijke intimidatie van het slachtoffer, wat niet kan worden gelijkgesteld met de kennis van een moord; het arrest III laat na vast te stellen dat de eiser I wetens en willens aan het hoofdfeit van de moord heeft meegewerkt en dat hij dat ook wilde; het staat louter vast dat de eiser I werd aangezocht als een persoon om “een probleem” op te lossen, zonder dat de eiser I een positieve daad bij de moord heeft gepleegd of doelbewust wou bijdragen aan het mogelijk maken of vergemakkelijken van de moord.
- Artikel 231 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest III (p. 6-8) stelt vast dat: - de medebeschuldigde W.D. verklaarde dat het de eiser I was die hem vroeg om personen te vinden om een probleem in België op te lossen en dat de eiser I een tussenpersoon was in de “zogezegde intimidatie”; - de eiser I verklaarde “dat hij in zijn telefooncontacten zocht naar een mogelijke geschikte uitvoerder van de volgens hem, ten aanzien van het slachtoffer uit te voeren intimidatie”. Verder oordeelt het arrest III dat: - de medebeschuldigde M.Z. de eiser I heeft aangesproken om “personen te zoeken om de moord te plegen”; - het telefonieonderzoek aantoont dat de eiser I en de medebeschuldigde Y.V. in de periode voorafgaand aan de feiten en op de dag van de feiten erg vaak samen waren en op de dag van de feiten zowel ’s morgens vóór de feiten als ’s avonds na de feiten een bezoek hebben gebracht aan de medebeschuldigde M.Z., terwijl uit het verslag van de politie op de rechtszitting blijkt dat gsm-nummers anoniem werden aangemaakt “in functie van de uit te voeren en uitgevoerde moord op het slachtoffer”, waarbij de eiser I en de medebeschuldigden de telefoonnummers en gsm’s, gebruikt in de periode van de feiten, hebben gedumpt of weggemaakt op de dag van de feiten of kort nadien; - de rol van de eiser I als tussenpersoon voor het inschakelen van de medebeschuldigde W.D. past in de diensten die de eiser I in het kader van een mogelijke drugtrafiek verleende aan de medebeschuldigde M.Z.
- Uit die redenen blijkt dat het arrest III niet oordeelt dat de eiser I slechts werd ingeschakeld als een tussenpersoon “om een probleem op te lossen” of om het slachtoffer louter te intimideren, maar dat de eiser I wel degelijk is opgetreden als de tussenpersoon die, in opdracht van de medebeschuldigde M.Z., via de medebeschuldigde W.D. de uitvoerders voor de moord heeft gezocht. Hieruit blijkt dat de assisenjury van oordeel is dat de eiser I wetens en willens noodzakelijke hulp heeft verleend bij die moord, met name door te zoeken naar de personen die de moord konden uitvoeren en navolgend ook hebben uitgevoerd. Het onderdeel berust aldus op een onjuiste lezing van het arrest III en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 334 Wetboek van Strafvordering: op grond van de aan de jury gestelde vragen blijkt niet of de eiser I als hoofddader dan wel als mededader moet worden beschouwd, aangezien de jury met betrekking tot de beschuldiging van het opzettelijk doden van het slachtoffer diende te antwoorden op de vraag of de eiser I schuldig was “om de misdaad uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd”; hieruit blijkt niet of de eiser I nu als hoofddader dan wel als mededader moet worden beschouwd; de verplichting om de voornaamste redenen van de beslissing van de jury te formuleren, vereist in het licht van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak en van de motiveringsplicht dat ondubbelzinnig blijkt aan welke deelnemingsdaad de beschuldigde schuldig wordt geacht, alsook dat blijkt dat hij wetens en willens aan het misdrijf heeft bijgedragen; het arrest III had, gelet op de aard van de zaak, uitgebreider gemotiveerd moeten zijn dan een gemiddelde strafzaak; met het oordeel dat de eiser I diensten heeft verleend aan de medebeschuldigde M.Z. als tussenpersoon bij het plegen van de moord, omkleedt het arrest III de schuldigverklaring van de eiser I als mededader van de moord niet regelmatig met redenen en verantwoordt het die beslissing niet naar recht.
- De motiveringsplicht van het hof van assisen wordt voor wat betreft de beslissing over de schuld geregeld door artikel 334 Wetboek van Strafvordering en niet door artikel 149 Grondwet.
- Geen enkele bepaling verplicht de voorzitter van het hof van assisen om bij de vragen die hij bij toepassing van artikel 322 Wetboek van Strafvordering aan de gezworenen dient te stellen, afzonderlijke vragen te stellen voor elke onderscheiden deelnemingsgedraging zoals bedoeld in artikel 66 Strafwetboek. Wanneer het hof van assisen een beschuldigde evenwel schuldig verklaart als deelnemer aan een misdaad, moet uit de voornaamste redenen van de jury die door het college bij toepassing van artikel 334 Wetboek van Strafvordering worden geformuleerd, blijken welke feitelijke gedraging de beschuldigde heeft gepleegd en aan welke deelnemingsvorm hij schuldig wordt geacht.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de assisenjury van oordeel is dat de eiser I wetens en willens noodzakelijke hulp heeft verleend bij de moord door te zoeken naar de personen die de moord konden uitvoeren en navolgend ook hebben uitgevoerd, dit is de in artikel 66, derde lid, Strafwetboek bedoelde deelnemingsvorm. Met de in het eerste onderdeel vermelde redenen motiveert het arrest III aldus op een voor de eiser I voldoende begrijpelijke wijze aan welke deelnemingsgedraging hij schuldig wordt geacht en verantwoordt het de schuldigverklaring van de eiser I naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM: door de eiser I schuldig te verklaren als deelnemer aan de moord zonder rekening te houden met de argumenten à décharge die de eiser I had aangevoerd, miskent het arrest III het vermoeden van onschuld en verantwoordt het de schuldigverklaring van de eiser I niet naar recht; het arrest III houdt geen rekening met de stukken die de eiser I voor het hof van assisen op de rechtszitting van 12 december 2024 heeft neergelegd en die werden gevoegd als bijlage 20 bij het proces-verbaal, waaruit blijkt dat de eiser I betwisting voerde over de telefoniegegevens en over de tegenstrijdige verklaringen van de medebeschuldigde W.D. en tevens heeft gewezen op zijn eigen, consistente verklaringen; het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld vereisen dat deze argumenten worden beantwoord, wat niet blijkt uit het arrest III; er blijkt niet dat de jury rekening heeft gehouden met de argumentatie van de eiser I, waarbij met name niet blijkt dat zij rekening hebben gehouden met de betwisting over de complexe telefoniegegevens en over de veelvuldig gewijzigde en manifest onjuiste verklaringen van de medebeschuldigde W.D.; de beslissing om slechts met één verklaring van de medebeschuldigde W.D. rekening te houden is louter arbitrair, waarbij er ook niet wordt gemotiveerd waarom de ene verklaring boven de andere moet worden verkozen, wat een miskenning inhoudt van het vermoeden van onschuld.
- Artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het college, zonder dat het moet antwoorden op alle neergelegde conclusies, de voornaamste redenen van de beslissing van de jury moet formuleren. Die bepaling strekt ertoe de partijen bij de assisenprocedure in staat te stellen de beslissing van de jury te begrijpen.
- Noch artikel 6.1 EVRM, noch artikel 334 Wetboek van Strafvordering of enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel, verplichten ertoe dat de formulering van de voornaamste redenen ook melding zou maken van: - de reden waarom een bepaalde verklaring van een medebeschuldigde meer overtuigend wordt bevonden dan een andere verklaring van die medebeschuldigde; - de achterliggende motieven van de voornaamste redenen van de jury; - alle argumenten à décharge die door een beschuldigde tijdens het debat werden voorgebracht; - de reden waarom geloof wordt gehecht aan de interpretatie van de telefoniegegevens door de politiediensten; - de stukken die door de beschuldigde tijdens het debat werden neergelegd.
- Uit de loutere omstandigheid dat de formulering van de voornaamste redenen van de beslissing van de jury niet de reden vermeldt waarom aan een bepaalde verklaring geloof wordt gehecht en aan andere verklaringen niet, kan niet worden afgeleid dat de beslissing van de jury op arbitraire gronden is gebaseerd of het vermoeden van onschuld miskent.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de jury van het hof van assisen over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 327, 329, 334 en 335 Wetboek van Strafvordering: door het oordeel dat er recht werd gedaan door “het hof (van assisen)” en dit “na beraadslaging met de leden van de jury”, is het arrest III niet naar recht verantwoord; hieruit blijkt immers dat, na de beraadslaging met de leden van de jury, er recht werd gedaan door het hof van assisen en niet door het college; in zoverre er geen sprake was van een eenvoudige meerderheid, kon het hof van assisen, dit is de voorzitter en de assessoren, de eiser I niet schuldig verklaren.
- Het arrest III, waaraan de vragenlijst met de beslissing van de jury wordt gevoegd, bevat de voornaamste redenen van de beslissing van de jury en vermeldt dat het hof van assisen, na beraadslaging met de leden van de jury, de eiser I schuldig verklaart. Hierdoor stelt het arrest III vast, zonder toepassing te maken van artikel 335 Wetboek van Strafvordering, dat er werd beraadslaagd door het college bij toepassing van artikel 329 Wetboek van Strafvordering en dat de beslissing over de schuldvragen door de jury werd genomen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest III en mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: door niet te vermelden wie precies de rechters waren die de eiser I hebben veroordeeld, zijn de arresten III en IV niet naar recht verantwoord; noch het arrest III, noch het proces-verbaal van de rechtszitting van 12 december 2024 maken melding van de artikelen 327 en 329 dan wel artikel 335 Wetboek van Strafvordering als toegepaste en nageleefde bepalingen; er blijkt dan ook niet dat de eiser I werd veroordeeld door de bij de wet ingestelde rechter; uit de arresten III en IV blijkt dat de uiteindelijke beslissing werd genomen door het hof van assisen alleen en niet door het college.
- Het arrest van het hof van assisen over de schuldvragen en het proces-verbaal van de rechtszitting dienen geen melding te maken van de toegepaste bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Uit de loutere omstandigheid dat die bepalingen niet worden vermeld, kan niet worden afgeleid dat de erin vermelde voorschriften niet werden nageleefd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het onderdeel, zowel in zoverre het betrekking heeft op het arrest III als op het arrest IV, afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door enerzijds te oordelen dat er recht werd gedaan, niet door het college maar door het hof van assisen, en anderzijds melding te maken van de beslissing van de jury over de schuld, is het arrest III tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het onderdeel is volledig afgeleid uit de in het eerste onderdeel vermelde onjuiste lezing van het arrest III en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 231,61 euro, waarvan eiser I 138,90 euro is verschuldigd en eiser II 92,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 27 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250924.2F.21 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221207.2F.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div