← België

C. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.8 Rolnummer: P.24.1798.N Zaak: C. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-06-05 Raadplegingen: 874 - laatst gezien 2026-06-18 14:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 4 Artikel I.2-11 Codex over het welzijn op het werk bepaalt dat de leden van de hiërarchische lijn elk binnen hun bevoegdheid en op hun niveau, het beleid van de werkgever met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk uitvoeren; artikel 127, 1°, Sociaal Strafwetboek bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de Wet Welzijn Werknemers; om als lasthebber in de zin van deze bepaling te worden aanzien moet de betrokkene geen lid zijn van de hiërarchische lijn; de rechter oordeelt verder onaantastbaar of een beklaagde op het ogenblik van de feiten handelde als lasthebber in de zin van artikel 127, 1°, Sociaal Strafwetboek; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn

(1).
(1)Over artikel 127, 1° Sociaal Strafwetboek en de aansprakelijkheid van de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, zie Cass. 28 september 2021, AR P.21.0644.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.25; Cass. 20 januari 2009, AR P.08.0650.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090120.5, AC 2009, nr. 46, met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 10 mei 2005, AR P.04.1693.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4, AC 2005, nr. 270, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - AANSPRAKELIJKHEID - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsongeval te wijten aan inbreuken op de Codex Welzijn op het Werk - Aansprakelijkheid van de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber - Begrip lasthebber - Hiërarchische band met de werknemer - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 127, 1° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Art. I.2-11 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Arbeidsongeval te wijten aan inbreuken op de Codex Welzijn op het Werk - Aansprakelijkheid van de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber - Begrip lasthebber - Hiërarchische band met de werknemer - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 127, 1° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Art. I.2-11 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Thesaurus CAS: LASTGEVING Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Arbeidsongeval te wijten aan inbreuken op de Codex Welzijn op het Werk - Aansprakelijkheid van de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber - Begrip lasthebber - Hiërarchische band met de werknemer - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 127, 1° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Art. I.2-11 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Meesters. Aangestelden Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Arbeidsongeval te wijten aan inbreuken op de Codex Welzijn op het Werk - Aansprakelijkheid van de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber - Begrip lasthebber - Hiërarchische band met de werknemer - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 127, 1° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Art. I.2-11 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1798.N I T. C., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, II COMMODITY CENTRE BELGIUM nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 612, ON 0860.944.977, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, de beide cassatieberoepen tegen D. H., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 december
  1. De eisers doen afstand van hun cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissingen waarbij zij werden veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan de verweerder, er een geneesheer-deskundige werd aangesteld en de zaak voor verdere afhandeling op burgerlijk gebied in voortzetting werd gesteld op een volgende rechtszitting, zijnde geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  2. Het arrest spreekt de eiseres vrij voor de feiten van de telastleggingen A.1, A.2, A.3 en A.
  3. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep van de eiseres bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen I.2-11, I.2-16, eerste lid, zoals van toepassing, en IV.3-7, 2° en 3°, Codex over het welzijn op het werk en de artikelen 127 en 176/1 Sociaal Strafwetboek: de appelrechters leiden uit de gegevens van het strafdossier af dat de eiser het gezag en de bevoegdheid had om erop toe te zien dat de arbeidsveiligheid werd gerespecteerd en hij verantwoordelijk was voor het feit dat niet in een adequate afbakening, verkeersregels en informatie- en preventiemaatregelen werd voorzien; uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt nochtans niet dat hij lid was van de hiërarchische lijn; uit de enkele vaststelling dat de eiser betrokken was bij het opstellen van de Take 5 en met het toezicht op de werken, kan niet worden afgeleid dat hij beslissingsrecht had over het welzijnsbeleid en de veiligheid op de werkplaats; niettemin beslissen de appelrechters dat de eiser als lasthebber van de eiseres dient te worden beschouwd.
  5. Artikel I.2-11 Codex over het welzijn op het werk bepaalt dat de leden van de hiërarchische lijn elk binnen hun bevoegdheid en op hun niveau, het beleid van de werkgever met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk uitvoeren.
  6. Artikel 127, 1°, Sociaal Strafwetboek bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de Wet Welzijn Werknemers.
  7. Om als lasthebber in de zin van deze bepaling te worden aanzien moet de betrokkene geen lid zijn van de hiërarchische lijn.
  8. De rechter oordeelt verder onaantastbaar of een beklaagde op het ogenblik van de feiten handelde als lasthebber in de zin van artikel 127, 1°, Sociaal Strafwetboek.
  9. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
  10. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 39 - 40) oordeelt als volgt: - T., de bestuurster van de eiseres, verklaarde “dat het overzicht op de werkvloer overkeken wordt door in eerste instantie [de eiser], natiebaas dewelke zorgt voor de opstart en opvolging”; - T. verklaarde later dat “op het terrein er de 2 teamleaders (zijn), [de eiser] en D., de functie van [de eiser] is teamleader voor het leiden van de activiteiten buiten” en de eiser “was aangesteld om toezicht uit te oefenen op de bewuste operaties op 10/05/2022”; - P. verklaarde dat “de ‘keyspeler’ (iemand die wat meer verantwoordelijkheid draagt) voor het betrokken magazijn op de dag van het ongeval [de eiser] was”, dat “hij de voorbereiding van de Take 5 gemaakt had met [de eiser] de dag ervoor”, en dat “het geven van de Take 5 gebeurde ter plaatse door [de eiser]”; - de eiser zelf verklaarde dat “hij toezicht had op de naleving van de veiligheidsvoorschriften die in de Take 5 waren beschreven op dat moment” en dat “hij de Take 5 op de dag van het ongeval had gegeven”; - de eiser is bovendien natiebaas “zodat hij leiding en het toezicht kon uitoefenen op havenarbeiders. Er kan dan ook niet aangenomen worden dat hij enkel zou gehandeld hebben op bevel van de operationeel verantwoordelijken T. en P.”; - “het is dan ook duidelijk dat [de eiser] de persoon is die, na advies van de preventiedienst en van de mensen hogerop, ter plaatse beslissingsrecht heeft over het welzijnsbeleid en de veiligheid op de werkplaats, zodat hij strafrechtelijk verantwoordelijk is”.
  12. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser als lasthebber in de zin van de voormelde bepaling moet worden aanzien. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel
  13. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen I.2-11, I.2-16, eerste lid, zoals van toepassing, en IV.3-7, 2° en 3°, Codex over het welzijn op het werk en de artikelen 127 en 176/1 Sociaal Strafwetboek: het behoorde niet tot eisers bevoegdheid om in een scheiding te voorzien tussen de werknemers te voet en de mobiele arbeidsmiddelen of om verkeersregels vast te stellen; de appelrechters beperken zich tot de algemene vaststelling dat de eiser beslissingsrecht had over het welzijnsbeleid zonder echter na te gaan of dit beslissingsrecht zich ook uitstrekte tot de feiten die het voorwerp uitmaakten van de telastleggingen B, C en D (tweede onderdeel); de eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat de verweten inbreuken die het ongeval zouden hebben veroorzaakt niet tot zijn taak of bevoegdheid behoorden; dit verweer wordt niet beantwoord door het arrest (derde onderdeel).
  14. Het arrest beperkt zich niet tot de algemene vaststelling dat de eiser beslissingsrecht had over het welzijnsbeleid zonder bovendien na te gaan of dit beslissingsrecht zich ook uitstrekte tot de feiten die het voorwerp uitmaakten van de telastleggingen B, C en D. Het bespreekt na een weergave van de feiten (arrest, p. 13 – 15), van de verklaringen van verschillende personen, waaronder de eiser, afgelegd aan de inspectiediensten (arrest, p. 15 – 26) en van het verslag van de inspectiediensten (arrest, p. 26 – 27) de feiten die het concreet voorwerp uitmaken van voormelde telastleggingen en de rol van de eiser daarin (arrest, p. 31 – 34). Met deze redenen en met de in het antwoord op het eerste onderdeel weergegeven overwegingen van het arrest, geven de appelrechters te kennen dat het beslissingsrecht van de eiser zich ook uitstrekte tot de feiten die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen B, C en D. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters wel degelijk het bedoelde verweer. Het middel mist in zijn beide onderdelen feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek en miskenning van het wettelijk begrip “oorzakelijk verband”: de appelrechters hebben de door hen nochtans vastgestelde fout van de verweerder erin bestaande dat deze laatste via de poort naar buiten is gegaan en zo in het verlengde kwam van de route van de bulldozer niet betrokken bij de beoordeling van het causaal verband; het ongeval zou zich nochtans ook hebben voorgedaan zonder de fout van de eisers maar met behoud van de feitelijke gedraging van de verweerder.
  16. Het arrest oordeelt niet zoals het onderdeel aanvoert. Het oordeelt dat: - niet blijkt dat de voetgangers de poortdoorgang niet mochten gebruiken en dat de poortdoorgang die de verweerder gebruikte niet was afgeschermd door middel van een fysieke afbakening (p. 32); - niet is aangetoond dat de verweerder aan het telefoneren was of zijn gsm gebruikte op het ogenblik van de aanrijding (p. 36); - het gegeven dat de verweerder zich ter hoogte van de poortdoorgang bevond in de werkzone waar de bulldozer hem aanreed te wijten is aan het “totale gebrek aan adequate inrichting van het terrein, veiligheidsvoorschriften en verkeersregels” (p. 37); - het gebrek aan veiligheidsmaatregelen de oorzaak van de aanrijding was (p. 37); - het gegeven dat de verweerder “op het moment van het ongeval het verbod op eten en drinken in de binnen- en buitenzone heeft overtreden, (hieraan) geen afbreuk doet” (p. 37); - onvoldoende is aangetoond dat de verweerder een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met de schade (p. 44). In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters verklaren de eisers schuldig aan het feit van de telastlegging E, maar beantwoorden het in de appelconclusie gevoerde verweer niet dat ook zonder de fouten van de eisers het ongeval zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan aangezien de verweerder het magazijn is in- en uitgewandeld door de grote poort en niet door gebruik te maken van de deur naast de grote poort van het magazijn.
  19. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de appelrechters aannemen dat bij de verweerder geen fout in oorzakelijk verband met het ongeval is aangetoond. Zij dienden dan ook het door het onderdeel bedoelde doelloze verweer niet te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en miskenning van het wettelijk begrip “oorzakelijk verband”: enerzijds oordelen de appelrechters dat onvoldoende is aangetoond dat de verweerder een fout heeft begaan in oorzakelijk verband met de schade, maar anderzijds stellen zij vast dat de verweerder een fout heeft begaan door “het feit dat [de verweerder] op het moment van het ongeval het verbod op het eten en drinken in de binnen- en buitenzone heeft overtreden”; het arrest dat aldus aanneemt dat er geen reden is om op burgerlijk gebied de aansprakelijkheid te verdelen is gesteund op tegenstrijdige motieven; bovendien is het duidelijk dat de fout om het magazijn te verlaten via de poort noodzakelijk in verband staat met het feit dat de verweerder het verbod om te eten en te drinken in het magazijn heeft overtreden; het oordeel dat er geen reden is om de aansprakelijkheid te verdelen, is niet naar recht verantwoord.
  21. Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet als redenen of beschikkingen van een rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen.
  22. Eensdeels oordeelt het arrest (p. 37) dat het aan de eisers was om veiligheidsmaatregelen te nemen en dat het gebrek hieraan de oorzaak vormde voor de aanrijding van de verweerder door de bulldozer, en dat het feit dat de verweerder op het moment van het ongeval het verbod op eten en drinken in de binnen- en buitenzone heeft overtreden hieraan geen afbreuk doet. Anderdeels oordeelt het arrest (p. 44) dat onvoldoende is aangetoond dat de verweerder een fout heeft begaan in oorzakelijk verband met de schade zodat er geen sprake is van een verdeling van aansprakelijkheid. Deze redenen heffen elkaar niet op, noch doen zij elkaar teniet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  23. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  24. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiseres heeft betreffende de verdeling van de aansprakelijkheid aangevoerd dat de verweerder onvoorzichtig is geweest; dit verweer wordt door de appelrechters niet beantwoord.
  26. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer dat de partijen bij conclusie voor hem aanvoeren, te beantwoorden. Deze verplichting houdt echter niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd maar dat zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  27. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel, eerste onderdeel, geeft het arrest de redenen weer op grond waarvan het aanneemt dat de verweerder geen fout heeft begaan in oorzakelijk verband met het ongeval. Aldus beantwoordt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer zonder dat de appelrechters dienden in te gaan op de argumenten die louter tot staving van het verweer werden aangevoerd, zonder evenwel een zelfstandig verweer te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals vermeld. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 274,51 euro, waarvan de eiser I 137,25 euro is verschuldigd en de eiseres II 137,26 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 27 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090120.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.