id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A
Art. 1017
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1018
, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
, eerste, tweede en derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 4 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 7 Een procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding moet zeker zijn; dit betekent dat partijen ondubbelzinnig hun gemeenschappelijke wil hebben geuit om af te wijken van het basisbedrag; de louter cijfermatige overeenstemming tussen de door partijen gevraagde bedragen van de rechtsplegingsvergoeding volstaat daartoe niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Procedureakkoord - Zeker karakter van het procedureakkoord - Begrip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1017
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1018
, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
, eerste, tweede en derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 4 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 8 Een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet zeker zijn en veronderstelt dat een partij ondubbelzinnig haar wil heeft geuit om af te wijken van het basisbedrag; het loutere feit dat een partij, zonder verdere precisering, een rechtsplegingsvergoeding vraagt die hoger is dan het volgens de rechter van toepassing zijnde basisbedrag, volstaat daartoe niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Basisbedrag - Verzoek tot afwijking - Zeker karakter van het verzoek tot afwijking - Begrip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1017
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1018
, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
, eerste, tweede en derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 4 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0087.N SUNWEST nv, met zetel te 8000 Brugge, Koolkerkse Steenweg 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0435.513.766, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- INDIMMO DEVELOPMENT nv, met zetel te 1050 Elsene, Marsveldplein 5 bus 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0787.858.051,
- INDIMMO BELUX nv, met zetel te 1050 Elsene, Marsveldplein 5 bus 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0787.858.645,
- INDIMMO nv, met zetel te 1050 Elsene, Marsveldplein 5 bus 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0427.788.113, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 18 oktober
- Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 25 april 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1134 Oud Burgerlijk Wetboek zijn contractspartijen verbonden door hun rechtsgeldig aangegane overeenkomsten en moeten zij die te goeder trouw nakomen.
- Krachtens artikel 1156 Oud Burgerlijk Wetboek is de rechter in geval van betwisting ertoe gehouden de gemeenschappelijke bedoeling van de contractspartijen te achterhalen, zonder zich daarbij te moeten richten naar de letterlijke zin van de in het geschrift gebruikte woorden.
- De verbindende kracht van een overeenkomst wordt niet miskend wanneer de rechter aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze volgens zijn uitleg ervan wettig tussen de partijen heeft.
- Krachtens artikel 16.IV Handelshuurwet kan de verhuurder de hernieuwing, buiten de in artikel 16.I tot en met 16.III bepaalde gevallen, weigeren mits hij aan de huurder een vergoeding wegens uitzetting uitkeert, gelijk aan drie jaar huur, eventueel verhoogd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden.
- De Handelshuurwet strekt tot bescherming van de handelszaak. De uitzettingsvergoeding, zoals zij door die wet is bepaald, strekt ertoe de huurder te vergoeden voor het verlies van de handelszaak dat het gevolg is van de uitzetting. Opdat de huurder aanspraak kan maken op deze vergoeding, is bijgevolg vereist dat door de weigering tot huurhernieuwing de handelszaak, waarvan hij eigenaar is en die hij in het huurpand exploiteert, verloren gaat.
- Wanneer de hoofdhuurder het gehuurde goed in onderhuur heeft gegeven en alleen de onderhuurder rechten heeft op de handelszaak, kan de hoofdhuurder bijgevolg geen eigen recht op vergoeding wegens uitzetting tegen de verhuurder doen gelden. In dit geval en in zoverre de handelszaak van de onderhuurder verloren gaat, heeft alleen deze laatste, door verplichte bemiddeling van de hoofdhuurder, recht op die vergoeding.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de handelshuurwetgeving van toepassing is op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, gelet onder meer op artikel 2 van de huurovereenkomst tussen partijen; - de toepassing van de handelshuurwet aldus niet volgt uit de aard of de natuur van de overeenkomst en uit het vervuld zijn van de door artikel 1 Handelshuurwet bepaalde voorwaarden, maar uit de keuze van partijen bij het sluiten van de overeenkomst; - de derde verweerster krachtens artikel 16.IV Handelshuurwet bijgevolg het recht had om de door de eiseres gevraagde huurhernieuwing ongemotiveerd te weigeren; - de vraag of de eiseres aanspraak maakt op een uitwinningsvergoeding enkel en alleen dient te worden beoordeeld op basis van de Handelshuurwet; - het feit dat artikel 2 van de huurovereenkomst een ruimere bestemming van de verhuurde onroerende goederen toeliet dan het in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek overeenkomstig artikel 1 Handelshuurwet, niet maakt dat deze ruimere bestemming relevant is voor de beoordeling van de vraag of de eiseres aanspraak kan maken op de door artikel 16.IV Handelshuurwet bepaalde vergoeding; - de huurovereenkomst immers geen enkele bepaling bevat in die zin, terwijl evenmin het bewijs wordt geleverd van een wilsovereenstemming daarover; - de eiseres geen handelszaak heeft in het gehuurde pand, noch rechten op de daarin door haar diverse onderhuurders uitgebate handelszaken, zodat er ingevolge de weigering van de huurhernieuwing aan haar zijde geen sprake is van een verlies van een handelszaak; - de rechtbank de vrederechter met andere woorden niet bijtreedt waar deze oordeelde dat de eiseres een handelszaak had in de gehuurde onroerende goederen, bestaande in het onderverhuren van de verkregen huurrechten; - een handelszaak immers te definiëren is als het geheel van lichamelijke en onlichamelijke goederen die de handelaar samenbrengt voor zijn handelsbedrijf met de bedoeling een cliënteel aan te trekken en te behouden, wat het louter onderverhuren van een pand geenszins is; - bij gebrek aan verlies van een handelszaak, de eiseres geen aanspraak kan maken op de door artikel 16.IV Handelshuurwet bepaalde uitwinningsvergoeding.
- De appelrechter die met deze redenen aan de huurovereenkomst de gevolgen toekent die zij, volgens zijn uitleg ervan, wettig tussen de partijen heeft, miskent de verbindende kracht van de overeenkomst niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Derde middel Ontvankelijkheid
- De verweersters voeren een grond van niet-ontvankelijkheid aan: de eiseres heeft geen belang om op te komen tegen de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding omdat deze in overeenstemming is met het procedureakkoord gesloten tussen de eiseres en de verweersters.
- De beoordeling van de grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden onderscheiden van de beoordeling van het middel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer de rechtsplegingsvergoeding in de zin van artikel
- Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. In uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil. Krachtens artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing de vergoeding ofwel verminderen, ofwel verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.
- De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voorzien in indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen. Het gaat telkens om basis-, minimum- en maximumbedragen. Zo was overeenkomstig artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voor vorderingen met een waarde tussen 60.000,01 en 100.000 euro vanaf 1 november 2022 het geïndexeerde basisbedrag 4.500 euro, het minimumbedrag 1.500 euro en het maximumbedrag 9.000 euro. Verder was overeenkomstig artikel 3 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen vanaf 1 november 2022 het geïndexeerde basisbedrag 1.800 euro, het minimumbedrag 112,50 euro en het maximumbedrag 15.000 euro.
- Behoudens wanneer een procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter bijgevolg ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen.
- Een procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding moet zeker zijn. Dit betekent dat partijen ondubbelzinnig hun gemeenschappelijke wil hebben geuit om af te wijken van het basisbedrag. De louter cijfermatige overeenstemming tussen de door partijen gevraagde bedragen van de rechtsplegingsvergoeding volstaat daartoe niet.
- Ook een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet zeker zijn en veronderstelt dat een partij ondubbelzinnig haar wil heeft geuit om af te wijken van het basisbedrag. Het loutere feit dat een partij, zonder verdere precisering, een rechtsplegingsvergoeding vraagt die hoger is dan het volgens de rechter van toepassing zijnde basisbedrag, volstaat daartoe niet.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiseres in eerste aanleg in hoofdorde een uitzettingsvergoeding vorderde wegens de weigering van de huurhernieuwing, voorlopig begroot op een provisie van 75.000 euro en verder nader te begroten door een aan te stellen be-drijfsrevisor en in ondergeschikte orde vorderde dat de weigering van de huurhernieuwing door de derde verweerster ongeldig en ongedaan wordt verklaard, dat gezegd wordt voor recht dat de eiseres huurster blijft van het pand aan de in de overeenkomst van 1994 bepaalde voorwaarden en dat de derde verweerster wordt veroordeeld tot terbeschikkingstelling van het pand onder verbeurte van een dwangsom en tot overdracht van de inmiddels reeds geïnde huurgelden en gesloten huurovereenkomsten; - de derde verweerster in eerste aanleg de afwijzing van deze vorderingen vroeg; - de eerste rechter de derde verweerster heeft veroordeeld tot betaling van een provisionele vergoeding van 75.000 euro omdat ingevolge de weigering van de huurhernieuwing de derde verweerster haar handelszaak, bestaande in het onderverhuren van de huurrechten, had verloren; - de eerste verweerster hoger beroep aantekende tegen dit vonnis en de afwijzing vorderde van de door de eiseres ingestelde vorderingen, waaronder de vordering tot veroordeling van de derde verweerster tot betaling van een uitzettingsvergoeding; - de verweersters in het dispositief van haar appelconclusie vorderden dat de eiseres wordt verwezen in de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 4.500 euro per aanleg voor de verweersters; - de eiseres bij incidenteel beroep in hoofdorde vorderde dat de weigering van de huurhernieuwing ongeldig en ongedaan wordt verklaard, dat gezegd wordt voor recht dat de eiseres huurster blijft van het pand aan de in de overeenkomst van 1994 bepaalde voorwaarden en dat de eerste verweerster wordt veroordeeld tot terbeschikkingstelling van het pand onder verbeurte van een dwangsom en tot overdracht van de inmiddels reeds geïnde huurgelden en gesloten huurovereenkomsten en in ondergeschikte orde een vergoeding van 75.000 euro provisioneel vorderde wegens de weigering van de huurhernieuwing, de uitzetting en de contractbreuk begaan door de derde verweerster, minstens op grond van de waardevermeerdering ontstaan voor de eerste verweerster dan wel op grond van rechtsmisbruik, en verder nader te begroten door een aan te stellen bedrijfsrevisor; - de eiseres in haar appelconclusie vorderde dat de verweersters als in ongelijk te stellen partijen worden verwezen in de kosten van de eiseres, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen, die in de opgave van de kosten op het einde van deze conclusie wordt begroot op telkens 4.500 euro.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres over de grond van de zaak de in het ongelijk gestelde partij is en bijgevolg wordt veroordeeld tot de gerechtskosten voor de procedure voor de eerste rechter; - de hoofdvordering van de eiseres voor de eerste rechter een niet in geld waardeerbare vordering betreft; - het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bijgevolg 1.800 euro bedraagt; - de eerste verweerster 4.500 euro vordert ten titel van rechtsplegingsvergoeding; - er evenwel, overeenkomstig artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, geen reden wordt aangetoond dan wel door de rechtbank is aan te nemen op grond waarvan voor de procedure voor de eerste rechter een hoger bedrag aan rechtsplegingsvergoeding zou moeten worden toegekend; - de kosten van de beroepsprocedure eveneens ten laste van de eiseres worden gelegd, gelet op de inwilliging van het hoofdberoep en de afwijzing van het incidenteel beroep; - de verweersters 4.500 euro vorderen ten titel van rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep; - er in graad van hoger beroep sprake is van een complexe zaak, mede door de omvang én de inhoud van de syntheseconclusie van de eiseres, waarbij onder meer standpunten werden ingenomen en omstandig werden verdedigd die zelfs prima facie zonder enige feitelijke en juridische grond zijn, dan wel manifest in strijd zijn met de voorliggende stukken; - in die omstandigheden het gevorderde bedrag aan rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt toegekend.
- De appelrechter die op die gronden ambtshalve afwijkt van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wegens de complexiteit van de zaak, zonder dat hierover een procedureakkoord dan wel een verzoek tot afwijking van het basisbedrag voorligt, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseres tot drie vierden van de kosten en laat de beslissing betreffende de overige kosten aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 712,71 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Bart Wylleman, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 30 mei 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250530.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div