id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 1
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De verplichting voor verzekeraars om vrouwen en mannen op het vlak van beloning niet te discrimineren ongeacht eventueel bestaande verschillen in de wettelijke pensioenleeftijd, is geen gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen of van het ontbreken van een overgangsregeling in die wet, maar bestond in het Belgische recht reeds voor verzekerde feiten die zich, met betrekking tot aanvullende sociale verzekeringen die de werkgever heeft aangegaan, voordoen sinds 17 mei 1990
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 14 KB nr. 40 in werking getreden op 6 november 1967 en werd opgeheven op 8 april 1971. Art. 47bis Loonbeschermingswet werd door de wet van 10 juni 2010 vernummerd tot 47ter. Thesaurus CAS: ARBEID - VROUWEN Vrije woorden: Aanvullende stelsels sociale zekerheid - Gelijkheid - Handhaving - Aanvang regelgeving Wettelijke bepalingen: Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij Wet van 2 december 1957 - 02-12-1957 - Art. 119 KB nr. 40 van 24 oktober 1967 betreffende de vrouwenarbeid - 40 - 24-10-1967 - Art. 14 - 04 Link Justel databank 19671024-04 Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 47ter - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Fiches 3 - 4 Morele schade is schade in de zin van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek; zij bestaat uit pijn, smart of enig ander moreel leed; ook een rechtspersoon kan dergelijke schade lijden, in het bijzonder wanneer diens aanzien wordt gekrenkt; een rechtspersoon die tot de behartiging van een collectief belang is opgericht, lijdt evenwel geen morele schade door de loutere schending van het betreffende collectief belang
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Morele schade. Elementen en grootte Vrije woorden: Schadelijder - Rechtspersoon Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Vrije woorden: Schadelijder - Rechtspersoon - Behartiging collectief belang - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
S.22.0022.N AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.494.849, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- R.V.H., eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eerste verweerster woonplaats kiest,
- SERIS SECURITY nv, met zetel te 1831 Machelen, Telecomlaan 8, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.770.607, tweede verweerster. II Nr. S.22.0023.N INSTITUUT VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN (afgekort IGVM), met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0873.091.753, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- AG INSURANCE nv, voornoemd, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eerste verweerster woonplaats kiest,
- SERIS SECURITY nv, voornoemd, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de tweede verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 4 januari
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 13 maart 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak S.22.0022.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. In de zaak S.22.0023.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest, zodat zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak S.22.0022.N Eerste middel Eerste onderdeel in zijn geheel
- Het recht op uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, vastgelegd in een groepsverzekeringsovereenkomst gesloten door een werkgever ten voordele van de werknemers, is geen bij het sluiten van die groepsverzekeringsovereenkomst definitief vastgesteld recht, maar, zolang de uitkeringen verschuldigd zijn, een toekomstig gevolg van het sluiten van die overeenkomst. Het onderdeel dat in zijn beide subonderdelen ervan uitgaat dat de uit een door de werkgever gesloten groepsverzekeringsovereenkomst, die voorziet in de betaling van aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, voortvloeiende rechten onherroepelijk zijn vastgesteld op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 40 van 24 oktober 1967 betreffende de vrouwenarbeid, dat in werking trad op 6 november 1967 en werd opgeheven op 8 april 1971, kan elke werkneemster, overeenkomstig artikel 119 van het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, bij het bevoegde rechtscollege een vordering instellen om het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers te doen toepassen. Dat wetsartikel had tot doel elke werkneemster een subjectief recht op de toepassing van het beginsel van gelijke beloning toe te kennen, overeenkomstig de interpretatie die het Hof van Justitie aan artikel 119 EEG-Verdrag geeft. Met ingang van 8 april 1971 werd dit subjectief recht uitgebreid tot mannelijke werknemers bij artikel 47bis Loonbeschermingswet, dat met ingang van 1 juli 2011 bij artikel 10 van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek werd vernummerd tot artikel 47ter.
- In het arrest BILKA-KAUFHAUS nr. C-170/84 van 13 mei 1986 oordeelde het Hof van Justitie dat een bedrijfspensioenregeling geen rechtstreeks bij de wet geregeld en als dusdanig buiten de werkingssfeer van artikel 119 vallend stelsel van sociale zekerheid is en dat de uitkeringen aan de werknemers op grond van dergelijke regeling zijn aan te merken als een door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaald voordeel in de zin van artikel 119, tweede alinea, EEG-Verdrag. In het arrest BARBER nr. 262/88 van 17 mei 1990 (ro. 28-32) oordeelde het Hof van Justitie dat artikel 119 EEG-Verdrag elke discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers op het gebied van de beloning verbiedt, ongeacht het stelsel waarvan deze ongelijkheid het gevolg is, zodat de vaststelling van een naar geslacht verschillende leeftijd voor pensioenen die worden betaald in het kader van een vervangende regeling, in strijd is met artikel 119 EEG-Verdrag, zelfs indien het verschil in pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen is gebaseerd op het in de nationale wettelijke regeling voorziene verschil. In het arrest FISSCHER nr. C-128/93 van 28 september 1994 (ro. 33) oordeelde het Hof van Justitie: “Aangezien de beheerders van een pensioenregeling, ofschoon zij buiten de arbeidsverhouding staan, uitkeringen moeten betalen die een beloning in de zin van artikel 119 vormen, dienen zij deze bepaling na te leven door alles te doen wat binnen hun bevoegdheden valt, om ter zake de naleving van het beginsel van gelijkheid van behandeling te verzekeren, en moeten de bij de pensioenregeling aangesloten personen zich tegenover hen op deze bepaling kunnen beroepen. Aan het nuttig effect van artikel 119 zou in aanzienlijke mate afbreuk worden gedaan en de rechtsbescherming, die een daadwerkelijke gelijkheid vereist, zou ernstig worden aangetast indien een werknemer deze bepaling enkel tegenover zijn werkgever kon inroepen en niet tegenover de beheerders van de regeling, die uitdrukkelijk zijn belast met de uitvoering van de verplichtingen van de werkgever.” Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie vallen de uitkeringen betaald aan werknemers op grond van aanvullende regelingen voor sociale zekerheid aangegaan door de werkgever aldus onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag en zijn zowel de werkgever als de verzekeraar verantwoordelijk voor de naleving van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk. In het geciteerde arrest BARBER (ro. 45) oordeelde het Hof van Justitie dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag geen beroep kan worden gedaan om aanspraak te maken op een pensioen vanaf een tijdstip gelegen voor de datum van zijn arrest, hetzij 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld. In zijn latere rechtspraak verduidelijkte het Hof van Justitie dat het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk in voorkomend geval slechts is toe te passen op uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van tijdvakken van arbeid van na 17 mei 1990 (zie o.m. HvJ 6 oktober 1993, nr. C-109/91, Gerardus Cornelis Ten Oever t/ Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, ro. 19 en 20; HvJ 14 december 1993, nr. C-110/91, M. Moroni t/ Collo GmbH, ro. 29-33; HvJ 28 september 1994, nr. C-128/93, Fisscher, ro. 23; HvJ 28 september 1994, nr. C-408/92, Constance Christina Ellen Smith e.a. t/ Avdel Systems Ltd., ro. 12; HvJ 28 september 1994, nr. C-28/93, Maria Nelleke Gerda van den Akker e.a. t/ Stichting Shell Pensioenfonds, ro. 12; HvJ (Grote kamer) 7 oktober 2019, C-171/18, Safeway Ltd t/ Andrew Richard Newton & Safeway Pension Trustees, ro. 14 e.v.). Dat ligt in dezelfde lijn als het Protocol bij artikel 157 VWEU, volgens hetwelk voor de toepassing van dat artikel uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectorale regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning worden beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld, zijnde een gelijkluidend protocol als een eerder protocol met betrekking tot artikel 119 EEG-Verdrag dat aan het EU-Verdrag van 1992 was gehecht en in werking trad op 1 november
- Voorts verduidelijkte het Hof van Justitie dat voor uitkeringen die geen verband houden met de duur van het daadwerkelijke tijdvak van de arbeid, de beperking in de tijd van de werking van het arrest BARBER slechts geldt indien het verzekerde feit zich vóór 17 mei 1990 heeft voorgedaan (HvJ 28 september 1994, nr. C-200/91, Coloroll Pension Trustees Ltd, ro. 59).
- Uit voormelde wetsbepalingen samen gelezen met de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de verplichting voor verzekeraars om vrouwen en mannen op het vlak van beloning niet te discrimineren ongeacht eventueel bestaande verschillen in de wettelijke pensioenleeftijd, geen gevolg is van de inwerkingtreding van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, hierna Genderwet, of van het ontbreken van een overgangsregeling in die wet, maar in het Belgische recht reeds bestond voor verzekerde feiten die zich, met betrekking tot aanvullende sociale verzekeringen die de werkgever heeft aangegaan, voordoen sinds 17 mei
- Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.
- Er is geen reden om de prejudiciële vraag, die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Bijgevolg is het onderdeel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 26, § 1 en § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- De aangevoerde schending van artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM is afgeleid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. (…) C. Zaak S.22.0023.N Eerste middel Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.
- Morele schade is schade in de zin van deze bepaling. Zij bestaat uit pijn, smart of enig ander moreel leed.
- Ook een rechtspersoon kan dergelijke schade lijden, in het bijzonder wanneer diens aanzien wordt gekrenkt. Een rechtspersoon die tot de behartiging van een collectief belang is opgericht, lijdt evenwel geen morele schade door de loutere schending van het betreffende collectief belang. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Voegt de zaken S.22.0022.N en S.22.0023.N. In de zaak S.22.0022.N: Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de eiseres tegen de tweede verweerster en de eiseres veroordeelt tot de kosten ten aanzien van de tweede verweerster. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de kosten ten aanzien van de eerste verweerster. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 686,15 euro en op de som van 22 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Houdt de kosten ten aanzien van de tweede verweerster aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. In de zaak S.22.0023.N: Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de kosten ten aanzien van de eerste en de tweede verweersters. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en houdt de beslissing over de overige helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Bepaalt de kosten voor de eiser op 503 euro en op de som van 22 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Ilse Couwenberg en Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting van 2 juni 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CTBRL:2025:ARR.20251120.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div