id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 329
- 31 ELI link Pub nr 2002021488 Programmawet (I)
Art. 330
- 31 ELI link Pub nr 2002021488 Programmawet (I)
Art. 339
- 31 ELI link Pub nr 2002021488 Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 21, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 38, § 3bis, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0078.N VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ – DE LIJN, met zetel te 2800 Mechelen, Motstraat 20, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0242.069.537, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 20 mei
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 25 maart 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 329 van de Programmawet (I) van 24 december 2002 kunnen de werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid per kwartaal voor elk van deze werknemers een structurele vermindering genieten die overeenstemt met de principes zoals uiteengezet in hetgeen volgt. Krachtens artikel 330 van de voormelde Programmawet, zoals te dezen van toepassing, heeft de structurele vermindering betrekking op drie categorieën van tewerkstellingen van werknemers. Categorie 1 betreft de tewerkstellingen in hoedanigheid van werknemer onderworpen aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en die niet in een andere categorie wordt bedoeld en de tewerkstellingen als werknemer in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst bij de Koninklijke Muntschouwburg of bij het Paleis voor Schone Kunsten; instellingen van openbaar nut aangehaald in Categorie B van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. Categorie 2 betreft de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer bij een werkgever van de non-profit sector. Categorie 3 betreft de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer bij een werkgever van de beschutte werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen. Krachtens artikel 339 van de voormelde Programmawet kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en regels bepalen volgens de welke een doelgroepvermindering kan worden toegekend voor bepaalde werknemers van categorie 1, bedoeld in artikel
- Krachtens artikel 339 van de voormelde Programmawet, zoals voor het Vlaams Gewest vervangen bij het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid, kan de Vlaamse Regering, volgens de voorwaarden die ze nader bepaalt, een doelgroepvermindering toekennen aan werkgevers die oudere werknemers tewerkstellen en moet de tewerkstelling van de oudere werknemer minimaal aan een aantal voorwaarden beantwoorden, waaronder het behoren van de oudere werknemer tot de categorie 1 van werknemers, vermeld in artikel
- Krachtens artikel 38, § 3bis, eerste lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid wordt een loonmatigingsbijdrage ingevoerd die gelijk is aan de som van 5,67 pct. van het bedrag van het loon van de werknemer en 5,67 pct. van het bedrag van de verschuldigde basiswerkgeversbijdrage. Artikel 38, § 3bis, tweede lid, van die wet bepaalt dat het percentage verkregen overeenkomstig het eerste lid wordt verhoogd met 0,40 pct. indien de werknemer die niet valt onder categorie 1 of categorie 3 zoals bepaald bij artikel 330 van de Programmawet (I) van 24 december 2002 onder de toepassing valt van de wetten op de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni
- Artikel 38, § 3bis, derde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, zoals gewijzigd door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, de zogenaamde taks-shiftwet, bepaalt dat voor de categorieën 1 en 3 zoals bepaald in artikel 330 van de Programmawet (I) van 24 december 2002 de loonmatigingsbijdrage wordt vastgesteld op de som van 4,27 pct. van het bedrag van het loon van de werknemer en 4,27 pct. van het bedrag van de verschuldigde basiswerkgeversbijdrage vanaf 1 januari
- Krachtens artikel 21, § 1, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid omvat de sociale zekerheid de hierna volgende takken: 1° de uitkeringen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; 2° de werkloosheidsuitkeringen; 3° de rust- en overlevingspensioenen; 4° de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen en beroepsziekten; 5° de geneeskundige verstrekkingen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; 6° de gezinsbijslag; 7° de jaarlijkse vakantie-uitkeringen.
- Uit deze bepalingen en hun wetsgeschiedenis volgt dat met werknemers die onderworpen zijn aan het “geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid” slechts worden bedoeld de werknemers die verzekerd zijn op grond van en overeenkomstig alle takken waaruit het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers is opgebouwd, waartoe de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel niet behoort. Het middel dat volledig berust op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 451,94 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Ilse Couwenberg en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div