id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 471
, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Vrije woorden: Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden - Diefstal met geweld, gepleegd ten nadele van kwetsbaar persoon, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg - Meerdere daders - Toerekening van de verzwarende omstandigheden - Beoordeling voor elke dader afzonderlijk - Individuele analyse van het gedrag van de dader - Toerekening op basis van dezelfde feitelijke gegevens - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 471
, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Objectief verzwarende omstandigheden - Diefstal met geweld, gepleegd ten nadele van kwetsbaar persoon, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg - Meerdere daders - Toerekening van de verzwarende omstandigheden - Beoordeling voor elke dader afzonderlijk - Individuele analyse van het gedrag van de dader - Toerekening op basis van dezelfde feitelijke gegevens - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 471
, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden - Diefstal met geweld, gepleegd ten nadele van kwetsbaar persoon, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg - Meerdere daders - Toerekening van de verzwarende omstandigheden - Beoordeling voor elke dader afzonderlijk - Individuele analyse van het gedrag van de dader - Toerekening op basis van dezelfde feitelijke gegevens - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 471
, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.1 - Recht op een eerlijk proces - Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden - Diefstal met geweld, gepleegd ten nadele van kwetsbaar persoon, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg - Meerdere daders - Toerekening van de verzwarende omstandigheden - Beoordeling voor elke dader afzonderlijk - Individuele analyse van het gedrag van de dader - Toerekening op basis van dezelfde feitelijke gegevens - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 471
, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast.
Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden - Diefstal met geweld, gepleegd ten nadele van kwetsbaar persoon, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg - Meerdere daders - Toerekening van de verzwarende omstandigheden - Beoordeling voor elke dader afzonderlijk - Individuele analyse van het gedrag van de dader - Toerekening op basis van dezelfde feitelijke gegevens - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 471
, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 8 Artikel 474 Strafwetboek, dat een strafverzwaring bepaalt voor wanneer bij diefstal het geweld of de bedreiging werd gepleegd zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt, vereist niet dat zich tussen het gepleegde geweld of de bedreiging en het intreden van de dood bij het slachtoffer slechts een beperkt tijdsverloop mag voordoen; het is noodzakelijk maar voldoende dat er tussen het ene en het andere een oorzakelijk verband wordt bewezen, ongeacht het tijdstip van het overlijden. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Tijdsverloop tussen het geweld of bedreiging en het overlijden - Oorzakelijk verband tussen het geweld of bedreiging en het overlijden ongeacht het tijdstip van overlijden - Voorwaarde Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Tijdsverloop tussen het geweld of bedreiging en het overlijden - Oorzakelijk verband tussen het geweld of bedreiging en het overlijden ongeacht het tijdstip van overlijden - Voorwaarde Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 9 - 11 De verzwarende omstandigheid van artikel 474 Strafwetboek is bewezen wanneer het oorzakelijk verband is aangetoond tussen het geweld of de bedreiging bij de diefstal en de dood van een persoon tegen wie dat geweld of die bedreiging werd gericht en dat oorzakelijk verband is bewezen van zodra is aangetoond dat het geweld of de bedreiging met zekerheid tot de dood heeft bijgedragen. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Oorzakelijk verband tussen het geweld of de bedreiging en de dood - Bewijs - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Oorzakelijk verband tussen het geweld of de bedreiging en de dood - Bewijs - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Diefstal met geweld of bedreiging zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt - Oorzakelijk verband tussen het geweld of de bedreiging en de dood - Bewijs - Wijze Wettelijke bepalingen:
Art. 468
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 474- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0354.N I S. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest, II Y. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 271/8.1, waar de eiser woonplaats kiest, beide cassatieberoepen tegen
- E. L.,
- M. L.,
- C. L.,
- I. E., burgerlijke partijen, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 februari
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 468, 471, 472, 474, 482 en 483 Strafwetboek: het arrest laat na afzonderlijk te oordelen over onder meer de verzwarende omstandigheden dat bij de diefstal geweld of bedreiging werd gebruikt, dat de diefstal werd gepleegd ten nadele van een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd duidelijk was en dat het geweld of de bedreiging werd gepleegd zonder het oogmerk om te doden maar toch de dood heeft veroorzaakt; door de beide beklaagden over de gehele lijn aan de telastleggingen A en B schuldig te verklaren, beoordeelt het arrest de betrokkenheid van de eiser I niet individueel en maakt het geen afzonderlijke analyse van zijn gedrag betreffende de vermelde verzwarende omstandigheden.
- Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR verzet zich tegen een automatische toerekening van de objectieve verzwarende omstandigheden aan alle daders van diefstal en dit ongeacht of zij die verzwarende omstandigheden met kennis van zaken hebben aanvaard of bij de uitvoering ervan waren betrokken.
- Het aannemen van de verzwarende omstandigheden dat de diefstal werd gepleegd door middel van geweld of bedreiging (artikel 468 Strafwetboek), de diefstal werd gepleegd ten nadele van een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd duidelijk was of de dader bekend was (artikel 471, laatste lid, Strafwetboek) en het geweld of de bedreiging werd gepleegd zonder het oogmerk om te doden maar toch de dood heeft veroorzaakt (artikel 474 Strafwetboek) vereist een beoordeling voor elke dader afzonderlijk, wat een individuele analyse veronderstelt van zijn gedrag.
- De verplichting tot een individuele analyse belet evenwel niet dat de rechter zich voor de toerekening van de verzwarende omstandigheden aan meerdere daders steunt op dezelfde feitelijke gegevens. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Zonder desbetreffend te worden aangevochten, stelt het arrest (p. 14, nr. 1) vast dat de eiser I geen betwisting heeft gevoerd omtrent de materialiteit van de feiten, de kwalificatie ervan of de aanwezigheid van de constitutieve bestanddelen van de misdrijven onder de telastleggingen A en B. Hij voerde slechts aan dat hij niet als dader van die feiten kan worden aangeduid. Bijgevolg voerde de eiser I evenmin betwisting over het gebruik van geweld bij de diefstal, de leeftijd van de verweerster 4 en het feit van het overlijden van H.L.
- Met een geheel van redenen oordeelt het arrest (p. 13-17) dat de herkenning door de verweerster 4 van de eiser I als dader van de feiten een voldoende sterk bewijs vormt om hem aan de telastleggingen A en B, zoals heromschreven, schuldig te verklaren. Vervolgens verwerpt het arrest de door de eiser I daarover aangevoerde individuele verweermiddelen, waaronder een naar voor geschoven alibi dat hij op het ogenblik van de feiten niet in België was en dat hij de Franse taal onvoldoende machtig is.
- Uit de voormelde vaststellingen en het voormelde oordeel volgt dat de appelrechters de vermelde verzwarende omstandigheden van de diefstal niet automatisch toerekenen aan de eiser I, maar die wat hem betreft aangetoond achten na een analyse van de gegevens van de zaak met inbegrip van het gedrag van de eiser I zelf. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel de schending van artikel 149 Grondwet afleidt uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 474 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan diefstal met de verzwarende omstandigheid dat geweld of bedreiging werd aangewend en dat dit de dood van H.L. heeft veroorzaakt zonder het oogmerk hem te doden; H.L. is evenwel slechts op 11 oktober 2018 overleden daar waar de diefstal reeds dateert van 13 februari 2017; het aannemen van de verzwarende omstandigheid is niet naar recht verantwoord wanneer het overlijden dermate lang na de feiten intreedt.
- Artikel 474 Strafwetboek bepaalt een strafverzwaring voor wanneer bij diefstal het geweld of de bedreiging werd gepleegd zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt.
- Die bepaling vereist niet dat zich tussen het gepleegde geweld of de bedreiging en het intreden van de dood bij het slachtoffer slechts een beperkt tijdsverloop mag voordoen. Het is noodzakelijk maar voldoende dat er tussen het ene en het andere een oorzakelijk verband wordt bewezen, ongeacht het tijdstip van het overlijden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel de schending van artikel 149 Grondwet afleidt uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 474 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan diefstal met de verzwarende omstandigheid dat geweld of bedreiging werd aangewend en dat dit de dood van H.L. heeft veroorzaakt zonder het oogmerk hem te doden; voor de bewezenverklaring van die verzwarende omstandigheid verwijst het arrest enkel naar het advies van het college van gerechtsdeskundigen; daaruit blijkt nochtans dat de feiten niet het overlijden van H.L. hebben veroorzaakt, maar indirect enkel de vervroeging daarvan; de feiten hebben de bij H.L. reeds aanwezige neurologische symptomen louter verslechterd; wanneer het overlijden als gevolg van het gepleegde geweld of de bedreiging slechts vervroegd intreedt, kan de verzwarende omstandigheid niet wettig worden aangenomen.
- De verzwarende omstandigheid van artikel 474 Strafwetboek is bewezen wanneer het oorzakelijk verband is aangetoond tussen het geweld of de bedreiging bij de diefstal en de dood van een persoon tegen wie dat geweld of die bedreiging werd gericht. Dat oorzakelijk verband is bewezen van zodra is aangetoond dat het geweld of de bedreiging met zekerheid tot de dood heeft bijgedragen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het in het middel bedoelde deskundigenverslag adviseert: “Retrogade evaluatie van neurologische symptomen, gezondheidsevolutie van [H.L.] en de uitgevoerde diagnostiek doet besluiten dat de neurologische symptomen van [H.L.] sterk verslechterd zijn door de posttraumatische stress volgend op de overval en de majeure geweldpleging tegen het hoofd. Verder zijn er aanwijzingen dat het overlijden bij deze man het indirect gevolg is van slikstoornissen die eveneens verklaard kunnen worden door de versnelde neurologische achteruitgang na het trauma. Er kan dus gesteld worden dat deze bejaarde man versneld kwam te overlijden als een indirect gevolg van de geweldpleging die hij op 13.02.2017 opliep.” Met die overgenomen redenen oordeelt het arrest dat het oorzakelijk verband tussen het op 13 februari 2017 door de eiser I gepleegde geweld, dat het bewezen verklaart, en het overlijden van H.L. op 11 oktober 2018 is aangetoond. Aldus geven de appelrechters te kennen dat H.L. zonder dat gepleegde geweld niet op 11 oktober 2018 zou zijn overleden. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en van regels inzake bewijsvoering: met het oordeel dat er tijdens het vooronderzoek geen sprake was van een tunnelvisie bij de onderzoekers of van lacunes in de bewijsvoering is de beslissing van het arrest dat het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging van de eiser II niet zijn miskend, niet naar recht verantwoord; het arrest oordeelt enkel dat er zich geen bijkomende onderzoeksopdrachten opdringen omdat de analyse van ANPR-gegevens geen sluitende impact kan hebben op de schuldbeoordeling, dat er ook meerdere onderzoekshandelingen à décharge werden uitgevoerd en dat de eiser II vrij verweer heeft kunnen voeren over de stukken en andere gegevens die aan het appelgerecht werden voorgelegd; die redenen zijn niet dienstig om de afwezigheid van een tunnelvisie en van onvolledige bewijsvoering te onderbouwen; zij kunnen niet de twijfel wegnemen die in het voordeel van de eiser II moet spelen en tot zijn vrijspraak moet leiden.
- In zoverre het middel de miskenning aanvoert van “regels inzake bewijsvoering”, zonder te preciseren welke die regels zijn, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door onder meer artikel 6.2 EVRM wordt niet miskend door de rechter die uit de hem voorgelegde en aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens waarvan hij de bewijswaarde vrij apprecieert, met opgave van redenen afleidt dat een beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde misdrijven.
- Het staat aan de vonnisrechter om met eerbiediging van het recht van verdediging van de beklaagde over de gehele procedure onaantastbaar de bewijswaarde van de bevindingen van de verbalisanten te beoordelen, naast de bewijswaarde van de andere aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met uitgebreide opgave van redenen oordeelt het arrest (p. 11-13) dat: - het strafdossier afdoende elementen bevat om het appelgerecht toe te laten zich uit te spreken over de schuld van de eiser II aan de ter beoordeling voorliggende telastleggingen en dat er zich in het belang van de waarheidsvinding geen bijkomende onderzoeksmaatregelen opdringen; - geen onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld betreffende de wijze waarop de bewijselementen werden verzameld en het strafdossier werd samengesteld. Er werden wel degelijk verschillende sporen à décharge onderzocht wat blijkt uit vijf concrete voorbeelden. Er was tijdens het vooronderzoek geen sprake van een tunnelvisie. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel, is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest antwoordt onvoldoende en onjuist op eisers appelconclusie waarin hij verweer heeft gevoerd over de fotoherkenning door de verweerster 4, zijn kennis van de Franse taal en de afwezigheid van andere sporen van hem in de woning van de verweerster
- Artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat betrekking heeft op de motivering van de strafmaat, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift waaruit volgt dat aan de verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het (p. 14-19) bevat, beantwoordt en verwerpt het arrest het door de eiser II in zijn appelconclusie aangevoerde verweer. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat, in zoverre ingesteld tegen de beslissingen over de onmiddellijke aanhouding van de eisers, die cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 195,31 euro, waarvan de eiser I 97,65 euro is verschuldigd en de eiser II 97,66 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 juni 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250603.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div