id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 71
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 72
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Vreemdelingen - Administratieve beslissing tot vasthouding - Beoordeling van de regelmatigheid van de beslissing door het onderzoeksgerecht - Vaststelling dat de administratieve maatregel een vergissing bevat - Verbetering van de vergissing - Onjuiste vermelding van strafrechtelijke antecedenten - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 71
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 72
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Fiches 3 - 4 Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de in de bestreden administratieve beslissing vermelde omstandigheden werkelijk bestaan en de maatregel tot vasthouding verantwoorden, spreekt zich niet uit over de opportuniteit van de maatregel en gaat zijn wettelijke bevoegdheid niet te buiten. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Administratieve beslissing tot vasthouding - Bevoegdheid onderzoeksgerecht - Beoordeling van de regelmatigheid van de beslissing door het onderzoeksgerecht - Oordeel dat de vermelde omstandigheden werkelijk bestaan en de maatregel tot vasthouding verantwoorden - Geen oordeel over de opportuniteit - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 71
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 72
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Vreemdelingen - Administratieve beslissing tot vasthouding - Bevoegdheid onderzoeksgerecht - Beoordeling van de regelmatigheid van de beslissing door het onderzoeksgerecht - Oordeel dat de vermelde omstandigheden werkelijk bestaan en de maatregel tot vasthouding verantwoorden - Geen oordeel over de opportuniteit - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 71
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 72- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0755.N I. S., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Sarah Zaman, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gebroeders De Smetstraat 80, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister voor asiel en migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, vrijwillig tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1, § 2, 72, tweede lid, 74/28, § 3, eerste, tweede en derde lid, 3°, Vreemdelingenwet, alsook miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, de beantwoordingsplicht en de bewijskracht van stukken: de beslissing tot vasthouding motiveert dat een minder dwingende maatregel niet wordt geacht doeltreffend te zijn, enkel met verwijzing naar het feit dat de eiser een bedreiging zou vormen voor de openbare orde; de beslissing tot vasthouding vermeldt daarbij ten onrechte dat de eiser op 18 februari 2025 werd veroordeeld voor feiten met een gewelddadig karakter; de eiser kreeg toen immers de gunst van de opschorting voor het plegen van een gewone diefstal en niet, zoals de beslissing tot vasthouding vermeldt, ook voor feiten van belaging; het arrest maakt de motieven van het schriftelijk advies van de procureur-generaal van 6 mei 2025 tot de zijne, waarin ten onrechte wordt verwezen naar het gegeven dat de eiser de door hem repetitief gepleegde misdrijven minimaliseert, terwijl er slechts sprake is van één enkele gewone diefstal; de appelrechters moesten in het kader van hun wettigheidstoets vaststellen dat de voorgehouden bedreiging voor de openbare orde niet overeenstemt met de werkelijkheid en dat de beslissing tot vasthouding derhalve steunt op een kennelijke beoordelingsfout; het kwam de appelrechters echter niet toe om de motivering van de beslissing tot vasthouding te corrigeren, dan wel daarvan enkele passages buiten toepassing te laten; de appelrechters dienden, bij gebrek aan een regelmatig vastgestelde bedreiging voor de openbare orde, een individuele beoordeling te maken van het geheel van omstandigheden met betrekking tot de doeltreffendheid van een minder dringende maatregel, hetgeen zij niet hebben gedaan; meer bepaald hebben zij bij die beoordeling en bij de beoordeling van het risico op onderduiken geen rekening gehouden met het gegeven dat de partner van de eiser hoogzwanger is; minstens diende de beslissing tot vasthouding en het arrest te verwijzen naar de andere wettelijke gevallen waarin een minder dwingende maatregel voor vasthouding wordt gedacht niet doeltreffend te zijn; de appelrechters laten zich ook ten onrechte en buiten hun wettelijke bevoegdheid uit over de opportuniteit van de vrijheidsberovende maatregel door te stellen dat het wel degelijk te verwachten is dat de eiser zal willen onderduiken, het illusoir is te denken dat minder dwingende maatregelen dan een opsluiting zouden volstaan om te beletten dat de eiser zich zou onttrekken aan het bevel om het grondgebied te verlaten en minder dwingende maatregelen in feite zouden neerkomen op het bekomen van een permanent verblijf of het bestendigen van een illegaal verblijf.
- Het onderzoeksgerecht dat oordeelt overeenkomstig de artikelen 71 en 72 Vreemdelingenwet, mag wel degelijk vaststellen dat de bestreden administratieve maatregel tot opsluiting een vergissing bevat, die vergissing verbeteren en uit de verbeterde reden gevolgen afleiden voor de regelmatigheid van de bestreden administratieve maatregel. Dit kan het geval zijn wanneer het onderzoeksgerecht een onjuiste vermelding van de strafrechtelijke antecedenten van de vreemdeling verbetert en de impact van die verbetering op de gevaarlijkheid van de vreemdeling voor de openbare orde of de openbare veiligheid herbeoordeelt. Aldus is het onderzoeksgerecht niet ertoe gehouden elke feitelijke onjuistheid in die maatregel te sanctioneren. Evenmin is het onderzoeksgerecht ertoe gehouden de regelmatigheid van de administratieve maatregel te beoordelen aan de hand van elk van de daarin opgenomen redenen.
- Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de in de bestreden administratieve beslissing vermelde omstandigheden werkelijk bestaan en de maatregel tot vasthouding verantwoorden, spreekt zich niet uit over de opportuniteit van de maatregel en gaat zijn wettelijke bevoegdheid niet te buiten.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 10) oordeelt: “Het hof (van beroep) stelt vast dat bij beschikking van de raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, wel de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar werd gelast in hoofde van [de eiser] voor de diefstal van een laptop ten nadele van mevrouw [D.]. Er staat aldus vast dat hij een diefstal heeft gepleegd.” Met die redenen oordeelt het arrest dat het, ongeacht andersluidende vermeldingen in stukken waarvan het de redenen overneemt, enkel rekening houdt met de bewezenverklaring van een eenvoudige diefstal lastens de eiser. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet kan een vreemdeling, ter uitvoering van een maatregel strekkende tot zijn verwijdering van het grondgebied en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, worden vastgehouden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat of wanneer hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Artikel 1, § 2, Vreemdelingenwet bepaalt dat het in paragraaf 1, 11°, van die wet bedoelde risico op onderduiken actueel en reëel moet zijn en wordt vastgesteld na een individueel onderzoek en op basis van een of meer van de volgende objectieve criteria, rekening houdend met alle omstandigheden eigen aan elk geval: “3° de betrokkene werkt niet mee of heeft niet meegewerkt in het kader van zijn betrekkingen met de overheden die belast zijn met de uitvoering van en/of het toezicht op de naleving van de reglementering inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 4° de betrokkene heeft duidelijk gemaakt dat hij zich niet aan een van de volgende maatregelen wil houden of heeft zich reeds niet aan een van deze maatregelen gehouden : a) een overdrachts-, terugdrijvings- of verwijderingsmaatregel”. Art. 74/28 Vreemdelingenwet bepaalt: “§
- Onverminderd de andere bepalingen van deze wet kunnen de in paragraaf 1 bedoelde minder dwingende maatregelen voor vasthouding slechts worden opgelegd indien de minister of zijn gemachtigde, op grond van een individuele beoordeling van het geheel van omstandigheden, van oordeel is dat een dergelijke maatregel nog doeltreffend is om, naargelang het geval, de doelstelling beoogd in de artikelen 51/5 § 1, 51/5/1, § 1 of 74/6, § 1 te verwezenlijken of om de effectieve verwijdering of overdracht van de vreemdeling te bewerkstelligen. De beoordeling van de doeltreffendheid van de minder dwingende maatregel voor vasthouding gebeurt op basis van de feitelijke omstandigheden, waaronder het gebrek aan medewerking van de vreemdeling. Een vasthoudingsmaatregel kan alleen worden genomen wanneer wordt geoordeeld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast. Een minder dwingende maatregel voor vasthouding wordt geacht niet doeltreffend te zijn, onder meer in de volgende gevallen: 1° indien de vreemdeling een eerder opgelegde preventieve maatregel of minder dwingende maatregel voor vasthouding niet heeft gerespecteerd; 2° indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht zoals voorzien in de artikelen 74/22 en 74/23, of geen medewerking heeft verleend aan het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een terugkeer- of overdrachtsprocedure, zoals voorzien in de artikelen 74/24 en 74/25; 3° indien de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; 4° indien de vreemdeling illegaal op het grondgebied verblijft en zich nooit bij de bevoegde overheden heeft aangeboden of de nodige handelingen heeft gesteld om zijn verblijfssituatie in orde te brengen.”
- Met de redenen die het overneemt van het advies van het openbaar ministerie, van de bestreden administratieve beslissing en van de nota van de attaché van de verweerder van 22 april 2025, alsmede met de redenen die het zelf bevat, oordeelt het arrest in essentie dat: - de schuldigverklaring van de eiser aan het feit van eenvoudige diefstal volstaat om te besluiten dat hij een gevaar voor de openbare orde of de openbare veiligheid uitmaakt; - de eiser niet meewerkt met de overheden: hij werd op 26 oktober 2023 uitgenodigd voor een gesprek met een ICAM-coach over de toestand van zijn administratief dossier, de betekenis van een bevel om het grondgebied te verlaten en de mogelijkheden tot ondersteuning bij vrijwillig vertrek, maar hij is niet ingegaan op de uitnodiging, zonder daarvoor een geldige reden aan te brengen of te trachten een nieuwe afspraak vast te leggen; - de eiser, door het niet naleven van een bevel tot het verlaten van het grondgebied van 21 oktober 2023, duidelijk heeft gemaakt dat hij zich niet aan de verwijderingsmaatregel wil houden; - de eiser, die beweert sinds 2021 in België te verblijven, niet heeft getracht zijn verblijf op de wettelijk voorziene manier te regulariseren; - de eiser zich ten onrechte beroept op de bescherming van zijn gezinsleven, aangezien niet vaststaat dat hij de biologische vader is van het kind waarvan zijn vriendin, waarmee hij officieel noch feitelijk samenwoont, zwanger is en de eiser zich hoe dan ook met kennis van zaken in een gezinstoestand heeft gebracht die hem geen bescherming op grond van artikel 8 EVRM biedt.
- Op grond van die redenen, zoals omstandig gemotiveerd aan de hand van de feitelijke gegevens vermeld in het arrest en in de stukken waarvan het arrest de redenen overneemt, kan het arrest wettig oordelen dat er in hoofde van de eiser een risico op onderduiken bestaat en dat een minder dwingende maatregel voor vasthouding hier niet doeltreffend is. In zoverre kan het middel kan niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 juni 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250603.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div