id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 505
, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Witwassen - Tweede en derde witwasmisdrijf - Kennis van de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de illegale vermogensvoordelen - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Kennis afgeleid uit gegevens van precieze of algemene aard - Kennis afgeleid uit gegevens van vóór als na de voltrekking van het misdrijf - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 505
, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Tweede en derde witwasmisdrijf - Kennis van de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de illegale vermogensvoordelen - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Kennis afgeleid uit gegevens van precieze of algemene aard - Kennis afgeleid uit gegevens van vóór als na de voltrekking van het misdrijf - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 505
, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Witwassen - Tweede en derde witwasmisdrijf - Kennis van de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de illegale vermogensvoordelen - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Kennis afgeleid uit gegevens van precieze of algemene aard - Kennis afgeleid uit gegevens van vóór als na de voltrekking van het misdrijf - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 505
, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 20 - 22 De verbeurdverklaring per equivalent zoals bedoeld in artikel 505, zesde lid, Strafwetboek is een straf die ten belope van het verbeurdverklaarde bedrag een schuldvordering toevoegt aan het vermogen van de veroordeelde en die ten uitvoer kan worden gelegd op gans dat vermogen
(4); indien de verbeurdverklaring per equivalent van datzelfde bedrag aan meerdere veroordeelden wordt opgelegd, is het verbeurdverklaarde bedrag verhaalbaar op het vermogen van elk van die veroordeelden, zonder dat het totaal van de tenuitvoerlegging het verbeurdverklaarde bedrag mag overstijgen; de strafrechter heeft geen rechtsmacht om te bepalen op welk vermogen de door hem bevolen verbeurdverklaring per equivalent zal worden uitgevoerd
(1).
(1)Zie Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0020.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4; Cass. 14 februari 2017, AR P.16.1099.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.5, AC 2017, nr. 108 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Witwassen - Verbeurdverklaring bij equivalent - Verbeurdverklaring per equivalent van hetzelfde bedrag opgelegd aan meerdere veroordeelden - Verhaalbaarheid op vermogen van elk van de veroordeelde - Uitvoering - Geen rechtsmacht van de strafrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 505
, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Verbeurdverklaring - Verbeurdverklaring per equivalent - Verbeurdverklaring per equivalent van hetzelfde bedrag opgelegd aan meerdere veroordeelden - Verhaalbaarheid op vermogen van elk van de veroordeelde - Uitvoering - Geen rechtsmacht van de strafrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 505
, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Witwassen - Verbeurdverklaring - Verbeurdverklaring per equivalent - Verbeurdverklaring per equivalent van hetzelfde bedrag opgelegd aan meerdere veroordeelden - Verhaalbaarheid op vermogen van elk van de veroordeelde - Uitvoering - Geen rechtsmacht van de strafrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 505
, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 23 - 24 Het instellen van een incidenteel beroep vereist het bestaan van een ontvankelijk principaal hoger beroep door een partij tegen wie het incidenteel beroep is gericht; een beklaagde heeft echter geen belang om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing die een tegen hem gerichte burgerlijke vordering verwerpt en het appelgerecht kan dan ook niet wettig oordelen dat het eventueel principaal hoger beroep van de beklaagde tegen die beslissing ontvankelijk is of dat het appelgerecht saisine heeft om over dat hoger beroep te oordelen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Incidenteel beroep Vrije woorden: Voorwaarde - Hoger beroep van beklaagde tegen beslissing die de burgerlijke rechtsvordering verwerpt - Geen belang - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep van beklaagde tegen beslissing die de burgerlijke rechtsvordering verwerpt - Geen belang - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 25 - 26 Degene die zich schuldig maakt aan witwassen kan worden veroordeeld tot volledige vergoeding van de schade die het slachtoffer lijdt ingevolge het misdrijf waaruit de witgewassen zaak is voortgekomen, wanneer de beide misdrijven ten aanzien van dat slachtoffer een gemeenschappelijke fout opleveren die aanleiding heeft gegeven tot diens schade, zoals zij zich concreet voordoet
(1); niet vereist is dat het witwasmisdrijf voor het slachtoffer bijkomende schade heeft veroorzaakt ten opzichte van het basismisdrijf.
(1)Zie Cass. 5 april 2005, AR P.04.1547.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050405.1, AC 2005, nr. 19; Cass. 14 oktober 2003, AR P.03.0518.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.15, AC 2003, nr. 496. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Dader (voor eigen daad) Vrije woorden: Witwassen - Witwasser - Veroordeling tot volledige vergoeding van de schade geleden ingevolge het basismisdrijf - Gemeenschappelijke fout - Voorwaarde Wettelijke bepalingen:
Art. 505
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Witwasser - Veroordeling tot volledige vergoeding van de schade geleden ingevolge het basismisdrijf - Gemeenschappelijke fout - Voorwaarde Wettelijke bepalingen:
Art. 505
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0089.N
- G. D. B., beklaagde,
- S. M., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen
- Johan CAMBIER, met kantoor te 9700 Oudenaarde, Tacambaroplein 2, bus 13, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement C. M., burgerlijke partij,
- Joris DE SMET, met kantoor te 9630 Zwalm, Bruul 27, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement ALGEMENE ONDERNEMINGEN LAURENT DE WILDE nv, ON 0400.291.086, burgerlijke partij,
- Joris DE SMET, met kantoor te 9630 Zwalm, Bruul 27, en Eric FLAMEE, met kantoor te 9520 Sint-Lievens-Houtem, Eiland 27, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement QUALITY INTERIOR PRODUCTS nv, ON 0417.048.é, burgerlijke partij,
- Joris DE SMET en Eric FLAMEE, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement MESDAGH & Co nv, ON 0406.598.858, burgerlijke partij,
- Joris DE SMET en Eric FLAMEE, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement PEVALCO nv, ON 0405.502.263, burgerlijke partij,
- Eric FLAMEE, reeds vermeld, Jan DE VUYST, met kantoor te 9400 Ninove (Voorde), Brakelsesteenweg 639, en Greet DE TROYER, met kantoor te 9404 Ninove (Aspelare), Geraardbergsesteenweg 324, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement UNALIT nv, ON 0424.426.963, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de verweerder 6 woonplaats kiest, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 december
- De eiser 1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres 2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre gericht tegen de beslissingen die de eiser 1 gedeeltelijk vrijspreken voor de telastleggingen A.4.v, A.8.a, A.9.d en A.10.e en die de eiseres 2 vrijspreken voor de telastleggingen F.5 en H.5, zijn de respectieve cassatieberoepen van die eisers bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser 1 en eerste middel van de eiseres 2
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt het verzoek van de eiseres 2 om inzage te krijgen in een strafonderzoek dat zou lopen lastens advocaat D. zonder dit verzoek, dat eveneens van belang is voor de eiser 1, te toetsen aan de criteria vooropgesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; dit zijn dezelfde criteria als deze voor de beoordeling voor het niet-horen van getuigen à décharge; zo stelt het arrest niet vast dat de inhoud van het dossier lastens D. niet relevant is voor het beoordelen van de telastleggingen jegens de eisers en beoordeelt het evenmin de impact van de onmogelijkheid voor de eisers om het dossier lastens advocaat D. te kunnen raadplegen op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd; de loutere vaststelling door de appelrechters dat zij niet bevoegd zijn om de eisers inzage te verlenen in een ander strafdossier, ontslaat hen ook niet van de verplichting om na te gaan of de onmogelijkheid voor de eisers om het dossier lastens advocaat D. te raadplegen al dan niet het eerlijk karakter van het proces aantast; door dat onderzoek niet te verrichten en de strafvordering niettemin ontvankelijk te verklaren en de eisers schuldig te verklaren aan de hen ten laste gelegde feiten inzake witwassen, miskent het arrest dan ook de in het middel aangehaalde bepalingen.
- Een beklaagde die zelf niet verzoekt om toegang te krijgen tot informatie die zich bevindt in een ander strafdossier dan datgene dat op hemzelf betrekking heeft, kan geen miskenning van zijn recht op een eerlijk proces afleiden uit de beslissing van de rechter om aan een andere beklaagde, die daarom wel heeft verzocht, geen toegang tot die informatie te geven.
- Uit artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt niet dat de rechter steeds het verzoek van een beklaagde om toegang te krijgen tot stukken die zich niet in het strafdossier bevinden, moet toetsen aan criteria die in de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens worden vooropgesteld om de weigering van het horen van een getuige à décharge af te wegen tegen het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, namelijk
(1)het al dan niet voldoende onderbouwd zijn van het verzoek,
(2)het voorhanden zijn van afdoende redenen om het voorwerp van het verzoek al dan niet relevant te achten voor de beoordeling van de telastlegging en
(3)de impact van de verwerping van het verzoek op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd. Een dergelijke afweging is enkel vereist voor bewijs waarvan de beklaagde aannemelijk maakt dat het de versie van de feiten en het bewijsmateriaal van de vervolgende partij op een doorslaggevende wijze kan weerleggen en waarvan de impact vergelijkbaar is met deze van een getuigenis à décharge op de rechtszitting. 5. Krachtens het beginsel van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie, zoals vervat in artikel 151 Grondwet, kan de rechter geen bevel geven aan het openbaar ministerie en kan hij het openbaar ministerie dus niet dwingen om een beklaagde toegang te geven tot informatie die behoort tot een strafdossier dat vreemd is aan de voorliggende procedure. De rechter kan uit zijn vaststelling dat het openbaar ministerie aan een beklaagde toegang tot bepaalde informatie ontzegt, enkel gevolgen afleiden voor de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces van deze laatste en hij kan, in zoverre geen minder verregaande remedie mogelijk is, besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens de miskenning van dat recht. 6. Bij afwezigheid van daarover bij conclusie gevoerd verweer dient de rechter niet uitdrukkelijk melding te maken van zijn beslissing dat hij, niettegenstaande zijn vaststelling dat de beklaagde geen toegang heeft tot bepaalde informatie waarom hij verzoekt, de strafvordering ontvankelijk acht. Die beslissing kan blijken uit het feit dat de rechter oordeelt over de gegrondheid van de strafvordering. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres 2 voor de appelrechters heeft aangevoerd dat zij een belang heeft om inzage te krijgen in het strafonderzoek gevoerd lastens advocaat D. omdat: - advocaat D. zou hebben gelogen over de aanwezigheid van de eiseres 2 op een faillissementsvergadering en de eerste rechter daaruit een schuldelement lastens de eiseres 2 heeft afgeleid; - het strafonderzoek lastens advocaat D., indien dat betrekking zou hebben op faillissementsdossiers waarin eventueel ook de eiser 1 is vervolgd, implicaties kan hebben op het voorliggende dossier; - het openbaar ministerie aan de eiseres 2 inzage van het strafdossier lastens advocaat D. heeft geweigerd terwijl het zelf wel toegang heeft tot dat dossier, het aan een derde partij wel toegang heeft verleend tot het dossier lastens de eisers en het als tegenpartij van de eiseres 2 niet te oordelen heeft over haar belang om toegang tot het dossier lastens advocaat D. te krijgen; - dit alles een onevenwicht oplevert, voor het herstel waarvan de eiseres 2 een beroep doet op de appelrechters. Uit die stukken blijkt echter niet dat de eiseres 2 aannemelijk maakt dat stukken uit het strafonderzoek lastens advocaat D. de versie van de feiten en het bewijsmateriaal van het openbaar ministerie op een doorslaggevende wijze zouden kunnen weerleggen, met een impact die vergelijkbaar is met deze van een getuigenis à décharge op de rechtszitting, noch dat zij haar aanvoering in verband heeft gebracht met de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens miskenning van haar recht op een eerlijk proces. 9. Het arrest (p. 73) beantwoordt het verweer van de eiseres 2 als volgt: “[De eiseres 2] voert nog aan dat zij inzage moet krijgen in een strafonderzoek dat zou lopen lastens advocaat [D.]. Advocaat [D.] verklaarde dat zij aanwezig was op een faillissementsvergadering, terwijl dat volgens [de eiseres 2] onjuist is. Zij wenst inzage te krijgen in het dossier waarin advocaat [D.] terechtstaat om te begrijpen waarom hij dat zei. Die inzage werd haar geweigerd. Het openbaar ministerie handelt in het algemeen belang. Dit overstijgt het privaat belang van [de eiseres 2]. In het dossier lastens advocaat [D.] is [de eiseres 2] geen partij, en dus ook niet de tegenpartij van het openbaar ministerie. Het hof (van beroep) is niet bevoegd om [de eiseres 2] al dan niet inzage te verlenen in een ander strafonderzoek.” Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht, zonder dat het die beslissing nader dient te motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres 2 Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip feitelijk vermoeden: het arrest verklaart de eiseres 2 schuldig aan de witwasmisdrijven vermeld onder de telastleggingen E, F.1, F.2, F.3, F.4, G, H.1, H.2, H.3 en H.4 op grond van een geheel van vaststellingen zoals het luxueuze leven van de eisers waartegenover slechts beperkte fiscaal aangegeven inkomsten stonden, de nauwe banden tussen de eisers, de professionele hoedanigheid van de eiseres 2 en gedragingen die de eiseres 2 heeft gesteld na het laatste haar verweten feit; uit die vaststellingen blijkt echter niet dat de eiseres 2 op het moment zelf van de haar verweten feiten, dit is voornamelijk in de periode van 2007 tot en met 2012, kennis had van de wederrechtelijke oorsprong van de witgewassen gelden, die allemaal afkomstig waren van verduisteringen gepleegd door haar echtgenoot, de eiser 1, in zijn voormalige hoedanigheid van faillissementscurator; de schuldigverklaring aan de witwasmisdrijven strafbaar gesteld door artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek vereist echter het bewijs dat de dader of mededader van het witwasmisdrijf op het ogenblik van de verweten handelingen kennis had van het feit dat de vermogensvoordelen een wederrechtelijke oorsprong hebben; het arrest dat die kennis bij de eiseres 2 niet onderzoekt noch vaststelt, maar enkel afleidt uit algemene overwegingen of vaststellingen na de feiten, en dat bovendien vaststelt dat de eisers beschikten over aanzienlijke bezittingen en tegoeden die niet het voorwerp van de witwasbetichtingen uitmaken, kan op grond van de feiten die het vaststelt de eiseres 2 niet wettig schuldig verklaren aan de voormelde telastleggingen. 11. De artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het bewijs in strafzaken. 12. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een telastlegging die is omschreven in de bewoordingen van de strafwet, niet te preciseren waarom hij oordeelt dat elk van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf dat die telastlegging tot voorwerp heeft, in de persoon van de beklaagde zijn verenigd. Die afwezigheid van precisering beduidt niet dat de rechter heeft nagelaten om het vervuld zijn van al die constitutieve bestanddelen te onderzoeken. Dat beduidt evenmin dat de redenen waarmee de rechter het bestaan van andere constitutieve bestanddelen nader toelicht, niet volstaan om tot de schuld van de beklaagde te besluiten. 13. De rechter oordeelt onaantastbaar of een persoon beticht van het plegen van een witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° of 4°, Strafwetboek, op het moment van zijn handelen of bij de aanvang ervan kennis had van de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de illegale vermogensvoordelen die het voorwerp van de witwasbetichting uitmaken. De rechter kan die kennis wettig afleiden uit alle hem regelmatig overgelegde gegevens, zowel van precieze als van algemene aard en zowel daterend van vóór als van na de voltrekking van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten. 14. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 15. Op grond van de feiten die het arrest vaststelt en die het middel vermeldt, kan het arrest wettig besluiten tot de schuld van de eiseres 2 aan de telastleggingen E, F.1, F.2, F.3, F.4, G, H.1, H.2, H.3 en H.4. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt dat het ganse huwelijksvermogen van de eisers bestaat uit illegaal verkregen vermogensvoordelen, terwijl uit andere redenen van het arrest blijkt dat dit huwelijksvermogen bestond uit veel legaal vermogen; door zich uit te spreken over de herkomst van het gehele huwelijksvermogen van de eisers en door die herkomst integraal als illegaal te bestempelen, hebben de appelrechters hun saisine overschreden en het vermoeden van onschuld miskend. 17. Uit de redenen van het arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt weliswaar het oordeel van de appelrechters dat de eisers hun huwelijksvermogen hebben verrijkt met illegale vermogensvoordelen verkregen uit de door de eiser 1 gepleegde basismisdrijven, maar niet het oordeel dat daardoor het ganse huwelijksvermogen van de eisers noodzakelijkerwijze een illegale herkomst heeft. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde middel van de eiseres 2 18. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 505, zesde lid, Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf: het arrest (p. 99) zegt voor recht dat alle verbeurdverklaringen bij equivalent invorderbaar zijn op het volledige vermogen van de beide eisers, inclusief (hun aandeel
- in)de zeker gestelde onderdelen ervan die (bij equivalent) in beslag zijn genomen en die het verder opsomt; de verbeurdverklaring per equivalent, dit is een verplichting een geldsom te betalen, kan enkel worden opgelegd aan de veroordeelde zelf en is enkel op zijn vermogen invorderbaar; de schuld die hierdoor bij de veroordeelde ontstaat, is onderworpen aan de regels van het burgerlijk recht en wordt geïnd volgens de regels van het gerechtelijk privaatrecht; door te beslissen dat alle verbeurdverklaringen bij equivalent, dus ook deze enkel uitgesproken lastens de eiser 1, invorderbaar zijn op het volledige vermogen van zowel de eiseres 2 als de eiser 1, inclusief hun aandeel in de per equivalent in beslag genomen onderdelen ervan, miskent het arrest de vermelde bepalingen en het vermelde algemeen rechtsbeginsel. 19. Overeenkomstig artikel 505, zesde lid, Strafwetboek gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde van de zaken die het voorwerp zijn van de misdrijven bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, in zoverre die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde zijn aan te treffen. In dat geval heeft de verbeurdverklaring betrekking op een met die waarde overeenstemmend geldbedrag en moet zij worden uitgesproken ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen. 20. De verbeurdverklaring per equivalent zoals bedoeld in die bepaling is zodoende een straf die ten belope van het verbeurdverklaarde bedrag een schuldvordering toevoegt aan het vermogen van de veroordeelde en die ten uitvoer kan worden gelegd op gans dat vermogen. 21. Indien de verbeurdverklaring per equivalent van datzelfde bedrag aan meerdere veroordeelden wordt opgelegd, is het verbeurdverklaarde bedrag verhaalbaar op het vermogen van elk van die veroordeelden, zonder dat het totaal van de tenuitvoerlegging het verbeurdverklaarde bedrag mag overstijgen. 22. De strafrechter heeft geen rechtsmacht om te bepalen op welk vermogen de door hem bevolen verbeurdverklaring per equivalent zal worden uitgevoerd. 23. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straffen mag de straf in de regel alleen de dader van het misdrijf treffen. 24. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM belet in de regel dat de aan een veroordeelde opgelegde vermogensstraf wordt ten uitvoer gelegd op het vermogen van een derde. 25. Het arrest (p. 85-87 en 97-99): - beveelt lastens de eisers de verbeurdverklaring van het voorwerp van de respectieve lastens hen bewezen verklaarde witwasmisdrijven, dit zijn de telastleggingen E, F.1, F.2, F.3, F.4, F.5, G, H.1, H.2, H.3, H.4 en H.5 voor wat betreft de eiser 1 en dezelfde telastleggingen behoudens de telastleggingen F.5 en H.5 voor wat betreft de eiseres 2; - begroot dat voorwerp op 930.700,00 euro, voor de eiseres 2 beperkt tot 880.700,00 euro, waarvan als voorwerp van een objectconfiscatie 100.000,00 euro, in beslag genomen op een nader vermelde bankrekening, en per equivalent 830.700,00 euro, voor de eiseres 2 beperkt tot 780.700,00 euro; - beveelt lastens de eiser 1 de verbeurdverklaring per equivalent van het vermogensvoordeel bepaald op 3.916.753,32 euro, voortkomend uit de telastleggingen A (verduisteringen), in zoverre bewezen verklaard; - beveelt de toewijzing van de verbeurdverklaarde gelden aan de verweerders; - “zegt voor recht dat alle verbeurdverklaringen bij equivalent invorderbaar zijn op het volledige vermogen van de beide [eisers], inclusief (hun aandeel
- in)de zeker gestelde onderdelen ervan die (bij equivalent) in beslag genomen zijn, met name: (…)”. 26. Op grond van die redenen kan de straf van de verbeurdverklaring per equivalent, die het arrest enkel oplegt aan de eiser 1 wegens de telastleggingen waaraan het alleen die eiser schuldig verklaart, de eiseres 2 treffen omdat aldus het vermogen kan worden aangesproken dat toebehoort aan de eiseres 2 of waarin de eiseres 2 deelgerechtigd is en waarop, krachtens de regels van het burgerlijk recht, een enkel aan de eiser 1 opgelegde straf niet kan worden verhaald. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Vierde middel 27. Het middel voert schending aan van artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het incidenteel beroep van de verweerder 6 tegen de eiseres 2 ontvankelijk; de eiseres 2 kon echter, bij gebrek aan belang, geen ontvankelijk hoger beroep instellen tegen de beslissing van de eerste rechter die de burgerlijke vordering van de verweerder 6 tegen de eiseres 2 heeft verworpen. 28. Artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.” 29. Het instellen van een incidenteel beroep vereist het bestaan van een ontvankelijk principaal hoger beroep door een partij tegen wie het incidenteel beroep is gericht. Een beklaagde heeft echter geen belang om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing die een tegen hem gerichte burgerlijke vordering verwerpt. Het appelgerecht kan dan ook niet wettig oordelen dat het eventueel principaal hoger beroep van de beklaagde tegen die beslissing ontvankelijk is of dat het appelgerecht saisine heeft om over dat hoger beroep te oordelen. 30. Eensdeels heeft het beroepen vonnis de burgerlijke vordering van de verweerder 6, in zoverre gericht tegen de eiseres 2, ongegrond verklaard, zodat het hoger beroep van de eiseres 2, in zoverre gericht tegen die beslissing, niet ontvankelijk is. Anderdeels stelt het arrest (p. 43) vast dat bij tussenarrest van 31 mei 2024 het hoger beroep van de verweerder 6 niet ontvankelijk is verklaard. 31. Hieruit volgt dat het arrest de beslissing dat het incidenteel beroep van de verweerder 6 tegen de eiseres 2 ontvankelijk is, niet naar recht verantwoordt. Het middel is gegrond. Vijfde middel 32. In zoverre het middel betrekking heeft op de burgerlijke vordering van de verweerder 6 tegen de eiseres 2 behoeft het, wegens de hierna uit te spreken cassatie op het vierde middel, geen antwoord. Eerste onderdeel 33. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiseres 2, gedeeltelijk hoofdelijk met de eiser 1, tot schadevergoeding aan de verweerders 2 en 5 omdat de lastens de eiseres 2 bewezen verklaarde telastleggingen inzake witwassen, samen met de enkel lastens de eiser 1 bewezen verklaarde telastleggingen inzake verduistering, gemeenschappelijke fouten uitmaken die bijdragen tot dezelfde schade en zonder elke fout de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan; het arrest stelt telkens vast dat de betrokken verweerders geen bijkomende schade lijden ingevolge de telastleggingen waaraan de eiseres 2 schuldig wordt verklaard; aldus stelt het arrest vast dat de door de verweerders 2 en 5 geleden schade in haar geheel het gevolg is van de basismisdrijven waaraan de eiser 1 schuldig is bevonden en dat die schade dus niet voortvloeit uit de witwasmisdrijven waaraan de eiseres 2 schuldig is verklaard; bijgevolg kan het arrest op grond van de feiten die het vaststelt de eiseres 2 niet hoofdelijk met de eiser 1 veroordelen tot schadevergoeding aan de verweerders 2 en 5. 34. Degene die zich schuldig maakt aan witwassen kan worden veroordeeld tot volledige vergoeding van de schade die het slachtoffer lijdt ingevolge het misdrijf waaruit de witgewassen zaak is voortgekomen, wanneer de beide misdrijven ten aanzien van dat slachtoffer een gemeenschappelijke fout opleveren die aanleiding heeft gegeven tot diens schade, zoals zij zich concreet voordoet. Niet vereist is dat het witwasmisdrijf voor het slachtoffer bijkomende schade heeft veroorzaakt ten opzichte van het basismisdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 35. De rechter oordeelt onaantastbaar over de schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 36. Het arrest verklaart de eiser 1 onder meer schuldig aan de telastleggingen A, erin bestaande dat hij als curator van het faillissement PEVALCO nv gelden heeft verduisterd waarvan thans nog een saldo openstaat van 1.491.883,19 euro (telastlegging A.2) en dat hij van het faillissement ALGEMENE ONDERNEMINGEN LAURENT DE WILDE nv gelden heeft verduisterd voor een totaal bedrag van 361.957,99 euro (telastlegging A.4). Bovendien verklaart het arrest de beide eisers schuldig aan onder meer de telastleggingen F.1, F.3, H.1 en H.3. Dit betreffen witwasverrichtingen bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek met betrekking tot door de eiser 1 verduisterde gelden van de faillissementen PEVALCO nv (deel van F.1/H.1 en F.3/H.3) en ALGEMENE ONDERNEMINGEN LAURENT DE WILDE nv (deel van F.1/H.1), gepleegd met het oog op de financiering van goederen van de eisers. Verder veroordeelt het arrest: - de eiser 1 om aan de verweerder 5 een schadevergoeding te betalen van 1.491.883,19 euro, waarvan 124.000,00 euro hoofdelijk met de eiseres 2; - de eiser 1 om aan de verweerder 2 een schadevergoeding te betalen van 361.957,99 euro, waarvan 177.500,00 euro hoofdelijk met de eiseres 2. Het arrest steunt die veroordelingen op de volgende redenen: - de eisers zijn overeenkomstig artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek ertoe gehouden de schade te vergoeden die de respectieve verweerders 2 en 5 hebben geleden als gevolg van de bewezen verklaarde telastleggingen; - de verweerders 2 en 5 lijden geen bijkomende schade ingevolge de telastleggingen F.1, F.3, H.1 en H.3, die de witwashandelingen viseren die de eisers stelden met de verduisterde gelden. De verduistering en het witwassen zijn gemeenschappelijke fouten die bijgedragen hebben tot dezelfde schade. Zonder elke fout zou de schade zich niet hebben voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. Bijgevolg moet ook de eiseres 2, hoofdelijk met de eiser 1, de schade vergoeden die het gevolg is van de telastleggingen F.l, F.3, H.l en H.3. 37. Op grond van die redenen kan het arrest de eiseres 2 wettig veroordelen tot het betalen van de vermelde schadevergoedingen aan de verweerders 2 en 5. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 38. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de verweerders 2 en 5 geen bijkomende schade lijden als gevolg van de telastleggingen waaraan de eiseres 2 schuldig wordt bevonden en dus dat de schade geheel werd veroorzaakt door de telastleggingen waarvoor de eiseres 2 niet werd vervolgd; het oordeelt, anderdeels, dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan zonder elke fout, zodat de schade ook het gevolg is van de telastleggingen waaraan de eiseres 2 schuldig werd bevonden; die redenen zijn tegenstrijdig. 39. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek voor het overige 40. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Omvang van de cassatie 41. De nietigverklaring van de beslissing tot het ontvankelijk verklaren van het incidenteel beroep van de verweerder 6 tegen de eiseres 2 heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissing waarbij de burgerlijke vordering van die verweerder tegen de eiseres 2 gegrond wordt verklaard en waarbij lastens de eiseres 2 per equivalent verbeurdverklaarde vermogensvoordelen aan die verweerder worden toegewezen tot beloop van zijn gegrond verklaarde vorderingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit: - zegt voor recht dat alle verbeurdverklaringen bij equivalent invorderbaar zijn op het volledige vermogen van de beide eisers, inclusief al dan niet hun aandeel in de zeker gestelde onderdelen ervan die al dan niet bij equivalent in beslag zijn genomen, namelijk de goederen die het vervolgens opsomt; - het incidenteel beroep van de verweerder 6 lastens de eiseres 2 ontvankelijk en gegrond verklaart, de eiseres 2 veroordeelt tot betaling aan de verweerder 6 van schadevergoeding en de lastens de eiseres 2 per equivalent verbeurdverklaarde vermogensvoordelen ten belope van dat bedrag toewijst aan de verweerder 6. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser 1 tot de kosten van zijn cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres 2 tot twee derden van de kosten van haar cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 404,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 juni 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250603.2N.3 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.15 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050405.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170905.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div