id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 22
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Stuiting - Daad van onderzoek of van vervolging - Brief van de onderzoeksrechter over de stand van het onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 22
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Allerlei Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Stuiting - Daad van onderzoek of van vervolging - Brief van de onderzoeksrechter over de stand van het onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 22
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 4 - 7 De schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering geldt in de regel voor alle samen behandelde of berechte misdrijven die nauw met elkaar zijn verbonden door intrinsieke samenhang en het is de vonnisrechter die definitief beslist over het bestaan van die samenhang waarbij het geen belang heeft of de feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt met dezelfde akte of met verschillende akten; die regel is evenwel niet absoluut en de vonnisrechter kan oordelen dat, in de omstandigheden die hij vaststelt, de strafvordering ondanks de cassatieprocedure toch verder is kunnen worden uitgeoefend, hetgeen onder meer het geval kan zijn wanneer misdrijven het voorwerp uitmaken van verschillende gerechtelijke onderzoeken, de cassatieprocedure slechts betrekking heeft op een van die onderzoeken, de strafvordering inmiddels verder kan worden uitgeoefend in de andere onderzoeken en alle uit de verschillende onderzoeken voortvloeiende zaken pas bij een latere beslissing worden samengevoegd
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd door art. 36 van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 (BS 18 april 2024) vervangen en luidt thans: “De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling van de strafvordering verhindert." Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Schorsing - Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: SAMENHANG Vrije woorden: Strafzaken - Verjaring van de strafvordering - Schorsing - Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Allerlei Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Schorsing - Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 8 - 10 Uit de bepalingen van artikelen 130, 131, § 1, 135, § 2 en § 3, 235bis, § 1, § 2 en § 5 en 235 Wetboek van Strafvordering, in hun onderling verband gelezen, volgt dat, hoewel de kamer van inbeschuldigingstelling zich op het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbeschikking in beginsel niet uitspreekt over de door de raadkamer aangenomen bezwaren, haar beslissingen over de gegrondheid van dat hoger beroep en over de eventuele ambtshalve toepassing van de haar door de artikelen 235 en 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering toebedeelde bevoegdheden niettemin een impact kunnen hebben op het lot van de strafvordering en op het bestaan van de door de raadkamer aangenomen bezwaren, zodat de vonnisrechter zijn rechtsmacht ingevolge de aanhangigmaking van de zaak slechts kan uitoefenen na kennis te hebben genomen van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling; hieruit volgt dat, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt over het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen de beslissing van de raadkamer die hem naar de vonnisrechter verwijst, de strafvordering in de zin van artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering slechts bij de vonnisrechter aanhangig wordt gemaakt door het arrest van die kamer, in zoverre zij het hoger beroep van de inverdenkinggestelde ontvankelijk verklaart
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zoals vervangen door art. 35 van de Wet Strafprocesrechter I van 9 april 2024 (BS 18 april 2024). Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter - Tijdstip van aanhangigmaking - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer tot verwijzing - Hoger beroep door inverdenkinggestelde - Ontvankelijk hoger beroep - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 131, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 135, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis, §§ 1, 2 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring - Aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter - Tijdstip van aanhangigmaking - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer tot verwijzing - Hoger beroep door inverdenkinggestelde - Ontvankelijk hoger beroep - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 131, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 135, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis, §§ 1, 2 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter - Tijdstip van aanhangigmaking - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer tot verwijzing - Hoger beroep door inverdenkinggestelde - Ontvankelijk hoger beroep - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 131, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 135, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis, §§ 1, 2 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1485.N I CHUBB EUROPEAN GROUP se, met zetel te 92400 Courbevoie (Frankrijk), La Tour Carpe Diem, 31 Place des Corolles, Esplanade Nord, burgerlijke partij, eiseres, met als raadslieden mr. Patrick Waeterinckx en mr. Joost Huysmans, advocaten bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 9, waar de eiseres woonplaats kiest, II M. D., burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, III PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, IV KBC BANK nv, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, ON 0462.920.226, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie te Leuven, alle cassatieberoepen tegen
- R. P., beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent,
- M. C., beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerster woonplaats kiest,
- E. W., beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de verweerster woonplaats kiest, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 september
- De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Op 25 april 2025 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op 27 mei 2025 heeft de eiseres I een noot als bedoeld in artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek neergelegd. Op 28 mei 2025 hebben de eisers II en IV elk een noot als bedoeld in artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek neergelegd. Op de rechtszitting van 3 juni 2025 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseressen I en IV hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweersters 2 en 3, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen met betrekking tot die verweersters, zijn de cassatieberoepen van de eiseressen I en IV niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 4, eerste lid, 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 op 28 april 2024, en de artikelen 193, 197, 496 en 505 Strafwetboek, alsook miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden: het arrest bepaalt de beëindiging van het laatste bewezenverklaarde feit van alle door eenheid van opzet verbonden telastleggingen van de in deze zaak gevoegde dossiers op 1 februari 2010 en beslist op grond daarvan dat de verjaring van de strafvordering voor al die vermengde telastleggingen is ingetreden op 6 januari 2021, dit is vóór de datum van de aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter die het situeert op 18 februari 2021, zodat het hof van beroep tevens onbevoegd is om te oordelen over de burgerlijke vorderingen; deze beslissing is gesteund op het vonnis van de vrederechter van het kanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw (hierna de vrederechter) van 1 juli 2011, waarbij Fremersdorff & Fils bv (hierna Fremersdorff) werd veroordeeld om vanaf 1 februari 2010 een bezettingsvergoeding voor de voorheen gehuurde hangar en gronden te betalen aan de curator van het faillissement New D.T.M. International nv (hierna de curator); uit dat vonnis blijkt echter dat Fremersdorff minstens tot en met januari 2011 huurgelden heeft betaald aan Sting Ray nv (hierna Sting Ray) en Distrimo nv (hierna Distrimo), aangezien Sting Ray en Distrimo werden veroordeeld tot betaling aan de curator van ontvangen huurgelden tot en met januari 2011; de beslissing dat uit het vonnis van de vrederechter blijkt dat Fremersdorff vanaf 1 februari 2010 de huurgelden niet meer betaalde aan Immo SPL nv (hierna Immo SPL) of aan Distrimo, maar wel aan de curator, miskent dan ook de bewijskracht van dit vonnis (eerste onderdeel); uit de voormelde veroordeling van Fremersdorff kan ook niet wettig worden afgeleid dat Fremersdorff vanaf 1 februari 2010 de facto geen huurgelden meer heeft betaald aan Immo SPL of Distrimo; het gebruik van valse stukken is bijgevolg tot 1 juli 2011, dit is de datum van het vonnis van de vrederechter, dan wel minstens tot 1 februari 2011 zijn nuttig effect blijven behouden; de verjaring van de strafvordering nam dan ook slechts aanvang op die datum (tweede onderdeel); daardoor werd de verjaring op verschillende bijkomende data gestuit en was de strafvordering op de datum van de aanhangigmaking van de samenhangende zaken bij de strafrechter nog niet verjaard; het hof van beroep kan zich dan ook niet wettig onbevoegd verklaren om te oordelen over de burgerlijke vordering van de eiseres I (derde onderdeel).
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift indien de bekritiseerde uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere.
- Het arrest (p. 51-53) oordeelt als volgt: - het doel dat de verweerders met het gebruik van de valse akten beoogden, bestaat volgens de omschrijving van de telastleggingen I.A.2, I.A.5, I.A.6, I.A.7, I.A.8 en I.A.9 erin zich de eigendom van het volledig onroerend goed met de bewuste hangar en de huurgelden te laten toekomen; - de huur is, na het verstrijken van de termijn ervan, op 1 september 2009 zonder verzet van de eigenaar tegen dezelfde voorwaarden voortgezet. Ook de huurgelden die na 31 augustus 2009 werden betaald, waren het gevolg van het gebruik van de van valsheid betichte akten; - dit gebruik is evenwel beëindigd op 1 februari 2010; - zoals de verweerder 1 in zijn conclusie uiteenzet, heeft de huurder Fremersdorff vanaf die datum, ingevolge een veroordeling door de vrederechter, de huurgelden niet meer betaald aan Immo SPL of Distrimo, maar wel aan de curator; - de verweerders hebben vanaf 1 februari 2010 dus geen voordelen meer kunnen behalen uit de beweerdelijk vervalste huurovereenkomst; - zoals hoger uiteengezet, hebben de verweerders zelf tot uiterlijk 1 februari 2010 huurgelden voor de hangar kunnen ontvangen. De uiterste datum voor de telastleggingen I.D.3 (oplichting) en F.2 (witwassen) is dus 1 februari
- Bij het vonnis van 1 juli 2011 heeft de vrederechter Fremersdorff veroordeeld tot betaling aan de curator van de door haar verschuldigde bezettingsvergoedingen voor de periode van 1 februari 2010 tot en met januari 2011, alsook Sting Ray en Distrimo tot terugbetaling aan de curator van dezelfde bezettingsvergoedingen. Aldus omvatten die veroordelingen zowel de hypothese dat Fremersdorff die bezettingsvergoedingen op de datum van het vonnis nog niet had betaald, als de hypothese dat Fremersdorff die bezettingsvergoedingen voorheen ten onrechte heeft betaald aan Sting Ray en Distrimo, aan wie ze rechtens niet toekwamen.
- Met het oordeel dat Fremersdorff ingevolge het vonnis van de vrederechter van 1 juli 2011 de bezettingsvergoedingen vanaf 1 februari 2010 heeft betaald aan de curator en dat dienvolgens het nuttige gebruik van de valse stukken voor de verweerders is beëindigd op 1 februari 2010, geeft het arrest van dat vonnis een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het eerste onderdeel feitelijke grondslag.
- In zoverre het tweede onderdeel aanvoert dat het arrest uit de feiten die het vaststelt niet wettig kan afleiden dat Fremersdorff vanaf 1 februari 2010 de facto geen huurgelden meer heeft betaald aan Immo SPL of Distrimo, verplicht het tot een kennisname van gegevens uit het vonnis van de vrederechter van 1 juli 2011, die niet zijn opgenomen in het vonnis zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan. Dit vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het tweede onderdeel niet ontvankelijk.
- Het derde onderdeel is afgeleid uit de vergeefs in het eerste en tweede onderdeel aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het derde onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024: het arrest oordeelt niet wettig dat de laatste nuttige stuitingsdaden binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn, die volgens het hof van beroep is ingegaan op 1 februari 2010, te situeren zijn op 9 september 2014, zodat de verjaring van de strafvordering zou zijn ingetreden op 6 januari 2021; de laatste stuitingsdaad binnen die termijn is immers 18 november 2014, dit is de datum van de brief van de onderzoeksrechter aan de raadsman van de eiseres I in het kader van het dossier HV.70.99.306/2007; bij die brief heeft de onderzoeksrechter de raadsman in kennis gesteld van de stand van het onderzoek; die brief liet de raadsman dus toe om eventuele initiatieven te nemen teneinde het onderzoek te trachten te versnellen; bijgevolg is die brief te aanzien als een daad van onderzoek die de verjaring van de strafvordering stuit; uitgaande van deze stuitingsdatum zou de verjaring van de strafvordering zich situeren op 18 maart 2021, dit is na het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021, dat volgens het arrest de strafvordering bij de strafrechter aanhangig heeft gemaakt.
- Artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, bepaalt dat de verjaring van de strafvordering wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging die zijn verricht binnen de eerste verjaringstermijn en dat door de stuiting een nieuwe termijn van gelijke duur begint te lopen.
- Daden van onderzoek zijn door een bevoegd persoon gestelde daden die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en in staat van wijzen te brengen.
- De brief van de onderzoeksrechter van 18 november 2014, waarnaar het middel verwijst, bevat een ontvangstmelding van de brief van de raadsman van de eiseres I van 14 november 2014, herinnert die raadsman eraan dat de onderzoeksrechter reeds bij brief van 22 april 2014 heeft meegedeeld dat de zaak voor eventuele nuttige vorderingen aan het openbaar ministerie was overgemaakt op 21 oktober 2013 en deelt mee dat tot dusver geen enkele reactie van het openbaar ministerie werd geregistreerd.
- Die brief houdt geen daad van onderzoek in die de verjaring van de strafvordering stuit. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 21, 22 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, en artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest beslist ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering niet werd geschorst gedurende de behandeling van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober 2011 waarbij de hogere beroepen tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 18 juni 2010 in de zaak HV.70.97.1052/2005 werden afgewezen, tot aan de uitspraak van het cassatiearrest op 8 mei 2012 dat het bestreden arrest heeft vernietigd; in die zaak was het voortzetten van de rechtspleging immers onmogelijk; de daaruit volgende schorsingsgrond heeft ook betrekking op de andere zaken waarvan het arrest oordeelt dat zij samenhangend zijn; de beslissing dat de verjaring van de strafvordering is ingetreden op 6 januari 2021 is derhalve niet naar recht verantwoord.
- Op grond van artikel 24 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is de verjaring van de strafvordering geschorst, onder meer wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of uitoefening van de strafvordering verhindert.
- Deze schorsingsgrond is, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, van toepassing tijdens de cassatieprocedure, namelijk vanaf de datum van de uitspraak van de bestreden beslissing van de strafrechter tot aan de datum van het arrest van het Hof.
- De schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering geldt in de regel voor alle samen behandelde of berechte misdrijven die nauw met elkaar zijn verbonden door intrinsieke samenhang. De vonnisrechter beslist definitief over het bestaan van die samenhang. Het heeft geen belang of de feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt met dezelfde akte of met verschillende akten.
- Die regel is evenwel niet absoluut. De vonnisrechter kan immers oordelen dat, in de omstandigheden die hij vaststelt, de strafvordering ondanks de cassatieprocedure toch verder is kunnen worden uitgeoefend. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer misdrijven het voorwerp uitmaken van verschillende gerechtelijke onderzoeken, de cassatieprocedure slechts betrekking heeft op een van die onderzoeken, de strafvordering inmiddels verder kan worden uitgeoefend in de andere onderzoeken en alle uit de verschillende onderzoeken voortvloeiende zaken pas bij een latere beslissing worden samengevoegd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 56) oordeelt: “De verjaring werd evenmin geschorst gedurende de behandeling van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober 2011, waarbij de hogere beroepen tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 18 juni 2010 in de zaak HV.70.97.1052/2005 werden afgewezen, tot aan de uitspraak van het cassatiearrest op 8 mei 2012, dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling vernietigde. Die cassatieprocedure had niet tot gevolg dat de strafvordering in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van de zaken HV.70.99.3995/2000, HV.70.99.306/2007 en HV.70.F1.2467/2008, stillag of niet verder kon worden uitgeoefend; in die drie zaken werd het onderzoek wel degelijk voortgezet tussen 27 oktober 2011 en 8 mei 2012.” Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 127, 128, 130 en 135, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod van machtsoverschrijding: het arrest oordeelt dat de feiten bij de vonnisrechter aanhangig werden gemaakt door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021, terwijl de verjaring van de strafvordering reeds voordien, namelijk op 6 januari 2021, was ingetreden; de feiten werden echter aanhangig gemaakt bij de vonnisrechter door de beschikking tot verwijzing van de raadkamer van 23 april 2019, waartegen toenmalige inverdenkinggestelden overeenkomstig artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering hogere beroepen hebben ingesteld, die de kamer van inbeschuldigingstelling ontvankelijk maar ongegrond heeft verklaard; aldus heeft niet de kamer van inbeschuldigingstelling maar de raadkamer de zaak naar de vonnisrechter verwezen en werd de burgerlijke vordering voor de strafrechter ingesteld vóór de verjaring van de strafvordering; de appelrechters verklaren zich dan ook ten onrechte onbevoegd om te oordelen over de burgerlijke vordering.
- Artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De verjaringstermijn van de strafvordering loopt niet meer vanaf de dag van de aanhangigmaking van de strafvordering voor de politierechtbank, de correctionele rechtbank, het hof van assisen of het hof van beroep zetelend in eerste en laatste aanleg.” Overeenkomstig artikel 130 Wetboek van Strafvordering verwijst de raadkamer die oordeelt dat er voldoende bezwaren tegen de inverdenkinggestelde bestaan en die vaststelt dat het misdrijf behoort tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank, de inverdenkinggestelde naar deze rechtbank. Overeenkomstig artikel 182 Wetboek van Strafvordering maakt die verwijzing de zaak aanhangig bij de correctionele rechtbank. Overeenkomstig artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering spreekt de raadkamer, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of op de bewijsverkrijging. Artikel 135, § 2 en § 3, vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de inverdenkinggestelde in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, alsook met betrekking tot de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep kan instellen tegen de verwijzingsbeschikking. Op grond van artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, in zoverre de zaak bij haar op een ontvankelijke wijze aanhangig is gemaakt, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van een van de partijen of ambtshalve de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure. Artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden, dan wel de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, in de regel niet meer kunnen worden opgeworpen voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering kan de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve vervolgingen gelasten, zich stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken en daarna beschikken zoals het behoort.
- Uit deze bepalingen, in hun onderling verband gelezen, volgt dat, hoewel de kamer van inbeschuldigingstelling zich op het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbeschikking in beginsel niet uitspreekt over de door de raadkamer aangenomen bezwaren, haar beslissingen over de gegrondheid van dat hoger beroep en over de eventuele ambtshalve toepassing van de haar door de artikelen 235 en 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering toebedeelde bevoegdheden niettemin een impact kunnen hebben op het lot van de strafvordering en op het bestaan van de door de raadkamer aangenomen bezwaren. Bijgevolg kan de vonnisrechter zijn rechtsmacht ingevolge de aanhangigmaking van de zaak slechts uitoefenen na kennis te hebben genomen van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling.
- Hieruit volgt dat, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt over het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen de beslissing van de raadkamer die hem naar de vonnisrechter verwijst, de strafvordering in de zin van artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering slechts bij de vonnisrechter aanhangig wordt gemaakt door het arrest van die kamer, in zoverre zij het hoger beroep van de inverdenkinggestelde ontvankelijk verklaart. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest dat oordeelt dat de zaak bij de correctionele rechtbank aanhangig werd gemaakt door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021, verantwoordt bijgevolg de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eisers II en IV
- De middelen van de eisers II en IV hebben dezelfde draagwijdte als de middelen van de eiseres I en kunnen om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Middelen van de eiser III
- De middelen van de eiser III hebben dezelfde draagwijdte als de middelen van de eiseres I, behoudens dat de eiser III uit die middelen enkel afleidt dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de verjaring van de strafvordering is ingetreden.
- Het eerste en het vierde middel van de eiser III kunnen op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste en het vierde middel van de eiseres I niet worden aangenomen.
- Ook al waren het tweede en derde middel van de eiser III gegrond, dan nog verhindert de verlenging van de verjaringstermijn die daaruit voortvloeit niet dat de verjaring van de strafvordering zou zijn ingetreden op de datum van het arrest. In zoverre zijn het tweede en derde middel van de eiser III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I, II en IV tot de kosten van hun cassatieberoep. Laat de kosten van het cassatieberoep van de eiser III ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten in het geheel op 312,41 euro, waarvan de eiseressen I en IV elk 54,01 euro zijn verschuldigd, de eiser II 50,71 euro is verschuldigd en de eiser III 48,68 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 juni 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250603.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div