← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.10 Rolnummer: P.25.0317.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-06-18 17:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van “een beschuldiging”, dit is het ogenblik waarop hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen die beschuldiging; de enkele omstandigheid dat een persoon te weten komt dat er een strafonderzoek wordt gevoerd naar het gebruik van een modus operandi die kan zijn aangewend voor het plegen van misdrijven en waarvan die persoon zich ook zou hebben bediend, heeft niet tot gevolg dat de redelijke termijn ten aanzien van die persoon aanvangt aangezien die informatie onvoldoende nauwkeurig is opdat betrokkene zou weten dat hij reeds onder de dreiging van de strafvervolging leeft

(1).
(1)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1221.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.5; Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1269.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Berekening van de redelijke termijn - Aanvangspunt - Kennis van de dreiging van een strafvervolging - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0317.N Y. C., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, inhoudende het recht op tegenspraak en het recht op wapengelijkheid: het arrest oordeelt dat de regelmatigheid van de bewijsvoering in concreto kan worden gecontroleerd zonder vast te stellen dat de uitvoering van de interceptiemaatregelen in Frankrijk valt binnen de gevoegde Franse bevelschriften, machtigingen en vorderingen tot onderschepping van de communicatie; zonder de stukken over de uitvoering van de interceptiemaatregelen in Frankrijk kan de eiser de regelmatigheid van het in het buitenland verkregen bewijs niet in concreto controleren.
  4. Het arrest (p. 27) oordeelt: “Het strafdossier, zoals het thans voorligt, volstaat naar het oordeel van het hof (van beroep) om de wettigheid en de betrouwbaarheid van het bewijs te kunnen beoordelen en er tegenspraak over te voeren zodat geen schending voorligt van het recht op een eerlijk proces zoals bepaald in artikelen 6 EVRM en 14 BUPO, noch een schending van de wapengelijkheid. Al het voorliggende bewijs kan gecontroleerd en bestreden worden door alle procespartijen. Het recht op tegenspraak kan afdoende worden uitgeoefend.”
  5. Met de redenen waarop het arrest (nr. 4.4.2, in het bijzonder p. 18-27) dat oordeel steunt, verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn van de strafvervolging is aangevangen op 11 oktober 2023, dit is de datum van het eerste verhoor van de eiser, en niet op 9 maart 2021, dit is “de datum van tussenkomst in het eigenlijke Sky-onderzoek”, waarbij alle Sky-toestellen buiten gebruik werden gesteld en waarbij aanzienlijke openbare berichtgeving aan dit onderwerp werd gewijd en de gebruikers van Sky-toestellen door de overheden werden opgeroepen om zich te melden bij politie en justitie; op die laatste datum werden per definitie alle gebruikers van Sky-toestellen verontrust door het optreden van de overheid en in kennis gesteld dat hun communicatie het voorwerp heeft uitgemaakt van interceptiemaatregelen; aldus kreeg de eiser op 9 maart 2021 kennis dat hij als vermeende gebruiker van een Sky-toestel het voorwerp uitmaakt van een vervolging.
  7. Aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van “een beschuldiging”, dit is het ogenblik waarop hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen die beschuldiging.
  8. De enkele omstandigheid dat een persoon te weten komt dat er een strafonderzoek wordt gevoerd naar het gebruik van een modus operandi die kan zijn aangewend voor het plegen van misdrijven en waarvan die persoon zich ook zou hebben bediend, heeft niet tot gevolg dat de redelijke termijn ten aanzien van die persoon aanvangt. Die informatie is immers onvoldoende nauwkeurig opdat betrokkene zou weten dat hij reeds onder de dreiging van de strafvervolging leeft. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Het arrest (p. 40-41) oordeelt dat het strafonderzoek en de behandeling voor de vonnisgerechten een normaal verloop heeft gekend, alsook als volgt: “De redelijke termijn van de strafvervolging neemt een aanvang op het moment waarop een beklaagde op officiële, maar daarom niet formele wijze, kennis krijgt van een tegen hem gerichte strafvervolging of opsporing, hetzij dus vanaf het moment waarop hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft. Het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is dus niet het tijdstip van de feiten, maar het tijdstip waarop een vervolgde persoon door een officiële kennisgeving van een bevoegde overheid of op een andere wijze weet dat hij het voorwerp uitmaakt van een vervolging. De bewering van beklaagden dat het aanvangspunt van de redelijke termijn in casu moet geplaatst worden op de datum van tussenkomst in het eigenlijke SKY-onderzoek zelf, met name op 09.03.2021, kan geenszins gevolgd worden. (…) Beide beklaagden werden een eerste maal omtrent huidige feiten verhoord op 11.10.2023 zodat deze datum voor beiden het aanvangspunt voor de beoordeling van de redelijke termijn betekent.”
  10. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en de motivering van vonnissen en arresten: het arrest oordeelt dat eisers verweer dat het aanvangspunt van de redelijke termijn op 9 maart 2021 dient te worden geplaatst, zijnde de dag van tussenkomst in het eigenlijke Sky-onderzoek zelf, haaks staat op het gegeven dat de eiser blijft ontkennen ooit een dergelijke Sky-telefoon in zijn bezit te hebben gehad; de eiser heeft het recht in hoofdorde het gebruik van een Sky-toestel te ontkennen en de telastleggingen te betwisten, zonder dat dit gegeven kan worden gebruikt in de motivering van het antwoord op het ondergeschikte verweer van de eiser over de strafmaat ingevolge het overschrijden van de redelijke termijn.
  12. Het onderdeel bekritiseert enkel een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  14. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat, in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 226,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.