← België

V. contra V.M.A. nv

Obsah (5)Art. 193Art. 196Art. 197Art. 213Art. 214

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 193

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 196

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 197

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 213

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 214

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 422 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Veroordeling uit hoofde van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken - Geen vermelding van artikel 197 Strafwetboek - Artikel 422 Wetboek van Strafvordering - Cassatieberoep - Cassatiemiddelen - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen:

Art. 193

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 196

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 197

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 213

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 214

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 422 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Fiche 3 Uit de bepalingen van artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en uit artikel 1022, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, eerste en tweede lid, en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding volgt dat

(1)de strafrechter ambtshalve de beklaagde veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde burgerlijke partij,
(2)het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen in beginsel wordt bepaald op basis van het bedrag van de vordering en dus niet op basis van het bedrag van de ingewilligde vordering,
(3)de strafrechter kan afwijken van de basisrechtsplegingsvergoeding op grond van de in artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde criteria onder de dubbele voorwaarde dat een partij hem daarom verzoekt en dat hij dat doet bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en
(4)de strafrechter op verzoek van een partij ingeval van een klaarblijkelijke overwaardering die een normaal, redelijk en voorzichtige partij niet zou hebben begaan of ingeval van een te kwader trouw verrichte verhoging van de vordering met als enig doel op kunstmatige wijze het bedrag op te trekken tot een hogere schijf, kan beslissen de basisrechtsplegingsvergoeding te berekenen op het bedrag van de ingewilligde vordering in plaats van op het bedrag van de vordering maar zonder dat uit het enkele feit dat de strafrechter de vordering slechts gedeeltelijk inwilligt, volgt dat aan die voorwaarden is voldaan; het staat dan ook aan hij die gehouden is tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding de strafrechter te verzoeken om af te wijken van het principe dat voor een in geld waardeerbare vordering de basisrechtsplegingsvergoeding is verschuldigd berekend op basis van het bedrag van de vordering en aan te geven welke redenen een afwijking van dit principe kunnen rechtvaardigen en het staat dan aan de strafrechter om daarover te oordelen
(1).
(1)Cass. 17 november 2010, AR P.10.0863.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101117.4, AC 2010, nr. 681; Cass. 1 juni 2010, AR P.10.0158.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100601.6, AC 2010, nr. 382; Cass.18 november 2008, AR P.08.0768.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081118.5, AC 2008, nr. 642, RDP 2009/5, 593; F. VAN VOLSEM, “Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de strafrechter: de rechter mag bij opgeblazen vorderingen het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepalen in functie van het toegekende in plaats van het gevorderde”, RABG 2011/14, 973-978; B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, “Wie zal dat betalen….? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed, Mechelen, Kluwer, 2021, 99, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Bedrag rechtsplegingsvergoeding - Afwijking door de rechter van de basisrechtsplegingsvergoeding - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 162bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0173.N I K. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Michele Walgraeve, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, II G.I.S. bv, met zetel te 9300 Aalst, Duivekeetstraat 42A, ON 0476.449.647, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, beide cassatieberoepen tegen
  2. V.M.A. nv, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Kortrijksesteenweg 14/B, ON 0406.419.112, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie Brussel,
  3. EEG nv, met zetel te 8560 Wevelgem, Oostlaan 5, ON 0442.891.013, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie Brussel,
  4. VMA-EEG AXA CONSCIENCE, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Kortrijksesteenweg 14 bus B, ON 0662.541.771, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie Brussel,
  5. SHORT bv, met zetel te 9031 Drongen, Waterviolier 3, ON 0811.148.543, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 januari
  6. De eisers voeren elk in een afzonderlijke memorie die aan dit arrest is gehecht, twee gelijkluidende middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  7. Het arrest spreekt de eisers vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A3 en B. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 3, vierde lid, Probatiewet: het arrest vermeldt niet artikel 197 Strafwetboek dat de materiële constitutieve bestanddelen van het voortdurend misdrijf van gebruik van valse stukken bevat.
  9. Artikel 422 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de uitgesproken straf dezelfde is als die welke is bepaald door de op het misdrijf toepasselijke wet, niemand de vernietiging van het arrest of het vonnis kan vragen, op grond van het enig middel dat bij de vermelding van de tekst van de wet een vergissing is begaan.
  10. Het arrest verklaart de eisers schuldig aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, A2, A4, A5, A6, A7 en A8, omschreven als valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken. Het vermeldt zowel onder de rubriek “Tenlastleggingen” als in het dictum de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek. Het niet-vermelde artikel 197 Strafwetboek bepaalt dat de gebruiker van de valse stukken wordt gestraft alsof hij de dader was van de valsheid. De wel vermelde artikelen 193 en 196 Strafwetboek bepalen de strafbaarheid van valsheid in geschriften. Het wel vermelde artikel 213 Strafwetboek heeft betrekking op het gebruik van valse stukken. Het wel vermelde artikel 214 Strafwetboek heeft zowel betrekking op valsheid in geschriften als op het gebruik van valse stukken. De niet-vermelding van artikel 197 Strafwetboek betreft dan ook een vergissing die op grond van artikel 422 Wetboek van Strafvordering geen aanleiding kan geven tot cassatie. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest kent aan de verweersters de basisrechtsplegingsvergoeding toe berekend op basis van de gevorderde bedragen aan schadevergoeding vermits de eisers geen vermindering van dit basisbedrag hebben gevraagd noch elementen hebben aangevoerd die een herleiding toelaten; het arrest heeft de burgerlijke vorderingen van de verweersters slechts gedeeltelijk ingewilligd, het arrest heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of aan de verweersters, die slechts gedeeltelijk in het gelijk werden gesteld, niet een lagere rechtsplegingsvergoeding diende te worden toegekend omwille van een klaarblijkelijke overwaardering, een te kwader trouw verrichte verhoging of een kennelijk onredelijke situatie; de eisers kunnen daarover voor het Hof geen middel meer laten gelden. Gevraagd wordt dat het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen zou stellen: “
  12. Schenden de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat de veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding lastens een veroordeelde beklaagde, ten aanzien waarvan de burgerlijke vordering die tegen hem werd uitgebracht door een burgerlijke partij slechts gedeeltelijk werd ingewilligd (in casu ten belope van 2,90 procent respectievelijk 20 procent van de gevorderde bedragen), niet door de strafrechter ambtshalve kan worden gematigd bij ontstentenis van een specifiek door deze veroordeelde beklaagde daartoe voor de strafrechter regelmatig opgeworpen middel, zelfs indien er daardoor een basisrechtsplegingsvergoeding zou worden opgelegd die wordt bepaald aan de hand van hetzij een klaarblijkelijke overwaardering in hoofde van de gedeeltelijk in het gelijk gestelde burgerlijke partij die een normaal bedachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, hetzij een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op artificiële wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot de hogere schijf, hetzij een kennelijk onredelijke situatie, terwijl deze veroordeelde wel verweer heeft gevoerd omtrent de omvang van de burgerlijke vordering van deze burgerlijke partij, die zelf als maatstaf dient voor de begroting van de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding, en terwijl een gedeeltelijk in het gelijk gestelde burgerlijke partij, zelfs bij ontstentenis van enige vraag daartoe in diezelfde omstandigheden geplaatst door diezelfde strafrechter ambtshalve de basisrechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend, gebaseerd op het initiële gevorderde bedrag van de nochtans slechts voor een minderheid toegekende burgerlijke vordering?
  13. Schenden de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat de veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding lastens een veroordeelde beklaagde, ten aanzien waarvan de burgerlijke vordering die tegen hem werd uitgebracht door een burgerlijke partij slechts gedeeltelijk werd ingewilligd (in casu ten belope van 2,90 procent respectievelijk 20 procent van de gevorderde bedragen), wel door de strafrechter ambtshalve kan worden gematigd, zelfs bij ontstentenis van een specifiek door deze veroordeelde beklaagde daartoe voor de strafrechter regelmatig opgeworpen middel, indien er bij gebreke aan dergelijke ambtshalve machtiging een basisrechtsplegingsvergoeding zou worden opgelegd die wordt bepaald aan de hand van hetzij een klaarblijkelijke overwaardering in hoofde van de gedeeltelijk in het gelijk gestelde burgerlijke partij die een normaal bedachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, hetzij een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op artificiële wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot de hogere schijf, hetzij een kennelijk onredelijke situatie, indien deze veroordeelde wel verweer heeft gevoerd omtrent de omvang van de burgerlijke vordering van deze burgerlijke partij, die zelf als maatstaf dient voor de begroting van de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding?”
  14. Artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ieder veroordelend vonnis uitgesproken tegen de beklaagde hem veroordeelt tot de betaling aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.
  15. Uit deze bepaling en uit artikel 1022, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, eerste en tweede lid, en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding volgt dat: - de strafrechter ambtshalve de beklaagde veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde burgerlijke partij; - het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen in beginsel wordt bepaald op basis van het bedrag van de vordering en dus niet op basis van het bedrag van de ingewilligde vordering; - de strafrechter kan afwijken van de basisrechtsplegingsvergoeding op grond van de in artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde criteria onder de dubbele voorwaarde dat een partij hem daarom verzoekt en dat hij dat doet bij een met bijzondere redenen omklede beslissing; - de strafrechter op verzoek van een partij ingeval van een klaarblijkelijke overwaardering die een normaal, redelijk en voorzichtige partij niet zou hebben begaan of ingeval van een te kwader trouw verrichte verhoging van de vordering met als enig doel op kunstmatige wijze het bedrag op te trekken tot een hogere schijf, kan beslissen de basisrechtsplegingsvergoeding te berekenen op het bedrag van de ingewilligde vordering in plaats van op het bedrag van de vordering. Uit het enkele feit dat de strafrechter de vordering slechts gedeeltelijk inwilligt, volgt evenwel niet dat aan die voorwaarden is voldaan.
  16. Het staat dan ook aan hij die gehouden is tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding de strafrechter te verzoeken om af te wijken van het principe dat voor een in geld waardeerbare vordering de basisrechtsplegingsvergoeding is verschuldigd berekend op basis van het bedrag van de vordering en aan te geven welke redenen een afwijking van dit principe kunnen rechtvaardigen. Het staat dan aan de strafrechter om daarover te oordelen.
  17. De eisers hebben ervoor geopteerd om het appelgerecht niet te verzoeken een lager bedrag toe te kennen dan de basisrechtsplegingsvergoeding berekend op het bedrag van de vorderingen. Zij kunnen thans niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren dat de appelrechters ambtshalve hadden moeten onderzoeken of er geen grond was om de eisers te veroordelen tot een lager bedrag dan de basisrechtsplegingsvergoeding. Het middel is onontvankelijk.
  18. Gelet op de onontvankelijkheid van het middel worden de prejudiciële vragen niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 231,61 euro, waarvan op het cassatieberoep I 115,80 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 115,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081118.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100601.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101117.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.