id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.24 Rolnummer: P.25.0014.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 529 - laatst gezien 2026-06-15 11:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Artikel 2.23 Wegverkeersreglement omschrijft een geparkeerd voertuig als een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken; de rechter oordeelt onaantastbaar of een voertuig al dan niet langer stilstaat dan nodig voor het laten in- of uitstappen van personen en hij kan bij die beoordeling de leeftijd en de gezondheid van de in- of uitstappende persoon betrekken maar hij dient daarbij niet de uiteindelijke bestemming van de in- of uitstappende persoon te betrekken. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 2 - Artikel 2.23 Vrije woorden: Geparkeerd voertuig - Begrip - Criteria - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 2.23 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeersreglement - Artikel 2 - Artikel 2.23 - Geparkeerd voertuig - Begrip - Criteria - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 2.23 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0014.N F. D.T., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jan Donkers, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 2 december
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2.22, 2.23, 5 en 70.2.1.1° Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiseres haar voertuig heeft geparkeerd; de rechter moet om uit te maken of een voertuig geparkeerd is dan wel stilstaat een in concreto beoordeling maken; er moet rekening worden gehouden met de uiteindelijke bestemming van de persoon die in- of uitstapt; de tijd die nodig is om een kind van 3,5 jaar te laten in- of uitstappen, moet anders worden beoordeeld dan de tijd die een gezond en volwassen persoon daarvoor nodig heeft; ook de afstand van het voertuig tot de bestemming of omgekeerd dient bij die beoordeling in aanmerking te worden genomen; de appelrechters verengen hun beoordeling tot het in- of uitstappen; met de redenen die het bestreden vonnis bevat, verantwoorden ze niet naar recht de schuldigverklaring van de eiseres aan het feit omschreven onder de telastlegging B.
- Artikel 2.23 Wegverkeersreglement omschrijft een geparkeerd voertuig als een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken.
- Het laden en lossen heeft betrekking op zaken en niet op personen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een voertuig al dan niet langer stilstaat dan nodig voor het laten in- of uitstappen van personen. De rechter kan bij die beoordeling de leeftijd en de gezondheid van de in- of uitstappende persoon betrekken. Bij die beoordeling dient hij niet de uiteindelijke bestemming van de in- of uitstappende persoon te betrekken.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de eiseres betwist in de appelconclusie dat haar voertuig effectief geparkeerd was en zij houdt voor dat zij slechts stilstond voor een korte tijdsperiode en dus niet langer dan nodig voor het opladen en lossen van haar zoontje; - de eiseres verklaart zelf dat zij het voertuig kort verliet en dat zij haar zoontje ging ophalen op school; - de tijd die nodig is om te voet van aan het voertuig naar de school te gaan en het kind op te halen en terug te keren naar het voertuig samen met het kind van 3,5 jaar oud, is in elk geval langer dan nodig voor het louter in- of uitstappen van een persoon; - de eiseres stelt zelf dat dit “minder dan tien, wellicht vijf minuten” zou zijn geweest; - het verlaten van het voertuig voor dergelijke tijdspanne impliceert dat het voertuig geparkeerd stond; - het ophalen van het zoontje kan niet worden beschouwd als laden en lossen in de zin van artikel 2.22 en 2.23 Wegverkeersreglement. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het voertuig van de eiseres geen stilstaand maar wel een geparkeerd voertuig betrof en dat het feit omschreven onder de telastlegging B bewezen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat vaststelt dat er een overschrijding is van de redelijke termijn, oordeelt dat er geen reden is om een eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken, zonder evenwel concreet de redenen te vermelden die het uitspreken van de eenvoudige schuldigverklaring in de weg zouden staan; uit de redenen van het bestreden vonnis kan evenmin worden afgeleid dat de bestraffing reëel en meetbaar verminderd is; de loutere vermelding dat bij de bestraffing rekening zal worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn volstaat daartoe niet.
- Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken. De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.”
- Uit die bepaling volgt dat het aan de rechter staat, die vaststelt dat er een overschrijding is van de redelijke termijn, die niet zeer zwaarwichtig is, te oordelen of aan die overschrijding moet worden geremedieerd met een eenvoudige schuldigverklaring dan wel het uitspreken van een straf die lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding.
- Indien de beklaagde, zonder opgave van concrete redenen, de rechter verzoekt om een eenvoudige schuldigverklaring, kan de rechter dit verzoek beantwoorden en verwerpen met de vaststelling dat er daartoe geen redenen zijn en dat bij de bepaling van de strafmaat rekening zal worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
- Indien de rechter oordeelt dat de remediëring kan bestaan in het uitspreken van een lagere straf dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding dan moet die strafvermindering duidelijk en meetbaar zijn. De rechter is evenwel niet verplicht uitdrukkelijk melding te maken van de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiseres heeft in haar appelconclusie in hoofdorde verzocht de overschrijding van de redelijke termijn te sanctioneren met een eenvoudige schuldigverklaring en ondergeschikt met een mildere straf.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat gelet op het tijdsverloop van bijna zeventien maanden tussen het aantekenen van hoger beroep door de eiseres en de inleiding van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, maar dat er geen redenen zijn om die overschrijding te sanctioneren met een eenvoudige schuldigverklaring en dat bij het bepalen van de strafmaat rekening zal worden gehouden met die overschrijding. De afwijzing van het verzoek van de eiseres is regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit de samenlezing van de overwegingen in het bestreden vonnis betreffende de overschrijding van de redelijke termijn (randnr. 4.3) en de overwegingen betreffende de straftoemeting (randnr. 4.4), waarbij wordt verwezen naar de voorafgaande overwegingen en dus ook die betreffende de overschrijding van de redelijke termijn, volgt dat de appelrechters de opgelegde straffen daadwerkelijk en meetbaar hebben verminderd wegens die overschrijding. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div