← België

ML contra NORTH EAST WEST SOUTH NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.6 Rolnummer: C.23.0496.N Zaak: ML contra NORTH EAST WEST SOUTH NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 800 - laatst gezien 2026-06-18 03:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.6 Fiche 1 Het vermoeden van houderschap van de rechten van de producent vindt niet automatisch toepassing van zodra een naam of letterwoord op het fonogram of een reproductie ervan wordt vermeld, maar enkel als deze in zijn hoedanigheid van producent van het fonogram “als dusdanig” wordt vermeld; dit betekent dat onder meer rekening kan worden gehouden met de manier waarop een naam of letterwoord is vermeld, de locatie ervan en de gebruiken in de sector

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: Vermoeden van houderschap van rechten - Vermelding als dusdanig van producent van het fonogram - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.209, § 2 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De interne gevolgen van een contract, dit zijn de rechten en verplichtingen die eruit voortspruiten, gelden alleen tussen de partijen en niet ten aanzien van derden; daaruit volgt dat een derde niet op grond van een dading tussen andere partijen kan worden gedwongen om de erin opgenomen erkenningen en de daaruit voortvloeiende verbintenissen na te leven. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: Relativiteit van de overeenkomsten - Gevolgen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0496.N
  1. M.L.,
  2. HIGH FASHION MUSIC bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1217 Hilversum (Nederland), Catharina van Renneslaan 12, eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen NORTH EAST WEST SOUTH nv, met zetel te 9000 Gent, Dendermondesteenweg 140A bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0454.017.408, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 juni
  3. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 14 mei 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  4. Krachtens artikel XI.209, § 2, WER wordt, tenzij het tegendeel is bewezen, een ieder als de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.
  5. Het vermoeden van houderschap van de rechten van de producent, vervat in deze bepaling vindt niet automatisch toepassing van zodra een naam of letterwoord op het fonogram of een reproductie ervan wordt vermeld, maar enkel als deze in zijn hoedanigheid van producent van het fonogram “als dusdanig” wordt vermeld. Dit betekent dat onder meer rekening kan worden gehouden met de manier waarop een naam of letterwoord is vermeld, de locatie ervan en de gebruiken in de sector.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of iemand zijn naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is, in zijn hoedanigheid van producent van het fonogram wordt vermeld op de prestatie of op een reproductie ervan. Het Hof kan enkel nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen zijn beslissing naar recht heeft kunnen afleiden.
  7. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser ter ondersteuning van het vermoeden, bepaald in artikel XI.209, § 2, WER, dat hij de producent is van het fonogram, verwijst naar het label op de vinylplaat “(…)”; - hij hierbij aanvoert dat zijn naam wordt voorafgegaan door het begrip “produced by (geproduceerd door)” en hij bijgevolg “als zodanig” wordt aangeduid als producent van het fonogram; - op het label evenwel een andere partij wordt aangeduid die “als zodanig” kan worden beschouwd als producent van het fonogram, namelijk DJ International Records, aangezien het fonogram vermeldt “all tracks are original DJ International recordings (alle nummers zijn originele DJ International opnames)”; - het label na de vermelding “Produced by M.L.”, de bijkomende vermelding bevat “Additional production by TC and RJ (Bijkomende productie door TC en RJ)”, zodat het begrip “Produced by” niet kan worden begrepen als een “als zodanig” vermelding van de eiser als de producent van het fonogram, maar wel als de creatieve producent; - deze bijkomende aanduiding eerder aangeeft dat het creatief proces door de eiser en bijkomend door C. en J. werd begeleid en de begrippen “Produced by” en “Additional production” dan ook erop wijzen dat zij beschouwd dienen te worden als de creatief producenten en niet als de producenten van het fonogram.
  8. De appelrechters die op die gronden oordelen dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van het vermoeden, bepaald in artikel XI.209, § 2, en de eiser aldus de bewijslast draagt omtrent zijn hoedanigheid als producent van het fonogram, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen.
  9. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt niet dat de eisers voor de appelrechters het verweer hebben gevoerd dat de eiser ingevolge een overdracht de houder van het naburige recht van de producent van een fonogram is geworden. In zoverre is het subonderdeel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
  10. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de appelrechters de toepassing van het vermoeden, bepaald in artikel XI.209, § 2, WER afwijzen omdat de eiser niet de oorspronkelijke producent van het fonogram of een reproductie ervan is, dan wel omdat de eiser niet aantoont dat hij door overdracht houder van de naburige rechten is geworden, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  11. In zoverre het subonderdeel schending van de artikelen 8.4 en 8.7 Burgerlijk Wetboek aanvoert, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel XI.209, § 2, WER en is het niet ontvankelijk.
  12. De voorgestelde prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, dient niet te worden gesteld. (…) Tweede onderdeel
  13. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 5.103, 5.104, 5.107 en 5.108 Burgerlijk Wetboek, die niet van toepassing zijn op de dadingovereenkomst gesloten op 8 april 2021, is het niet ontvankelijk.
  14. Krachtens artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek, brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen. Zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval bepaald in artikel 1121 van dit wetboek, zijnde het beding ten behoeve van een derde.
  15. De interne gevolgen van een contract, dit zijn de rechten en verplichtingen die eruit voortspruiten, gelden bijgevolg alleen tussen de partijen en niet ten aanzien van derden.
  16. Uit het in artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek uitgedrukte beginsel van de relativiteit van overeenkomsten volgt dat een derde niet op grond van een dading tussen andere partijen kan worden gedwongen om de erin opgenomen erkenningen en de daaruit voortvloeiende verbintenissen na te leven. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 828,78 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.