← België

V. contra AXA BANK BELGIUM nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.9 Rolnummer: C.23.0204.N Zaak: V. contra AXA BANK BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 943 - laatst gezien 2026-06-18 10:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Fiches 1 - 3 De maximale uitwinningvergoeding speelt enkel een rol indien deze lager is dan het bedrag van de uitwinningvergoeding, berekend op grond van de naar de omstandigheden van het geval aangepaste voordelen die voor de principaal voortvloeien uit transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten; de uitwinningvergoeding kan niet zonder meer worden vastgesteld op een billijk geacht percentage van de wettelijk vastgelegde maximale uitwinningvergoeding

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: MAKELAAR Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 4 Indien de overeenkomst door de principaal wordt beëindigd zonder een ernstige tekortkoming van de handelsagent, of wordt opgezegd zonder dat het bewijs wordt geleverd dat de opzegging is gebaseerd op de in het tweede lid bedoeld objectieve economische criteria, is de principaal aan de handelsagent een bijzondere vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag gelijk is aan achttien maanden vergoeding, onverminderd de andere voor de handelsagent uit de wet voortvloeiende rechten naar aanleiding van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst; dit geldt ook tijdens een periode van zes maanden vanaf de beëindiging van het mandaat in het paritair overlegorgaan; het mandaat eindigt op de datum van de eerste vergadering van het nieuw verkozen paritair overlegorgaan; de referentieperiode voor de berekening van de bijzondere vergoeding eindigt op het ogenblik dat de uitvoering van de overeenkomst effectief een einde neemt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Handelsagent met mandaat bij een instelling in de sector van het verzekeringswezen, van de kredietinstellingen of van de gereglementeerde markten voor effecten waar een paritair overlegorgaan werd opgericht - Onregelmatige opzegging - Berekening bijzondere vergoeding - Berekening referentieperiode Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.16 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.17, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0204.N D.V., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AXA BANK BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.476.835, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 november
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 14 mei 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Artikel X.18, eerste lid, WER bepaalt dat de handelsagent na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst recht heeft op een uitwinningvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Krachtens het derde lid van dit artikel wordt het bedrag van deze uitwinningvergoeding bepaald rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de uitwinningvergoeding niet meer mag bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de handelsagentuurovereenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd.
  3. Uit deze wetsbepaling volgt dat de maximale uitwinningvergoeding, waarvan sprake in zijn vierde lid, enkel een rol speelt indien deze lager is dan het bedrag van de uitwinningvergoeding, berekend op grond van de naar de omstandigheden van het geval aangepaste voordelen die voor de principaal voortvloeien uit transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten. Hieruit volgt tevens dat de uitwinningvergoeding niet zonder meer kan worden vastgesteld op een billijk geacht percentage van de wettelijk vastgelegde maximale uitwinningvergoeding.
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de betwisting tussen de partijen de vraag betreft naar het bepalen naar billijkheid van het bedrag van de uitwinningvergoeding; - de verweerster stelt dat zij een meer dan correcte uitwinningvergoeding van 44.197,20 euro heeft betaald aan de eiser, zijnde 73 pct. van het maximum van 60.544,11 euro; - de eiser aanspraak maakt op het maximumbedrag aan uitwinningvergoeding van één jaar en stelt dat de vermeende afvloei van 27 pct. van de klantenportefeuille niet te controleren is en een eenzijdige bewering van de verweerster betreft; - de eiser een punt heeft waar hij stelt dat de eenzijdige berekening van de afvloei van de portefeuille op 27 pct. door de verweerster niet te controleren is en dat hij sedert 1991 actief was als bankagent en de portefeuille volledig heeft opgebouwd; - de verweerster daarentegen terecht stelt dat de eiser sedert de stopzetting van de samenwerking met de verweerster nog steeds actief is als makelaar bij het afsluiten van leningen, verzekeringen en beleggingen; - de eiser na het einde van zijn bankagentuur bijgevolg concurrerende activiteiten ontwikkelde; - de verweerster de eiser overigens op 21 februari 2019 in gebreke stelde wegens het trekken van klantenlistings, klaarblijkelijk met het oog op zijn toekomstige concurrerende activiteit; - de eiser dit gegeven niet ontkende maar meende dat hij hiertoe gerechtigd was als bankagent; - de verweerster verder terecht stelt dat wel degelijk sprake was van een afvloei, ook al staat de juiste omvang ter discussie, zoals blijkt uit de brief van 17 oktober 2019 die aan de raadsman van de eiser werd medegedeeld en waaromtrent, wat het gegeven van de afvloei betreft, geen enkele betwisting werd gevoerd vanwege de eiser; - daarbij tevens dient te worden opgemerkt dat de commissies van de eiser sedert 2015 al systematisch daalden, wat erop wijst dat de klantenportefeuille van de eiser al lang aan het inkrimpen was; - in de gegeven omstandigheden duidelijk is dat de verweerster slechts voor een deel nog aanzienlijke voordelen kon genieten van het cliënteel dat de eiser heeft opgebouwd; - de eiser onterecht stelt dat de berekeningswijze uit het verslag van de Europese Commissie van 23 juli 1996 moet worden gevolgd en dat de hem verschuldigde uitwinningvergoeding alleszins gelijk moet zijn aan de maximumvergoeding; - de eerste rechter terecht oordeelde dat het verslag van 23 juli 1996 van de Europese Commissie geen dwingende handleiding is voor de berekening van de uitwinningvergoeding en geen bron van recht vormt.
  5. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat een ex aequo et bono toepassing van 85 pct. op de maximale uitwinningvergoeding billijk is, schendt artikel X.18 WER. Het middel is gegrond. Derde middel
  6. Artikel X.16, § 3, eerste lid, WER bepaalt dat de partij die de handelsagentuurovereenkomst beëindigt zonder de in paragraaf 1, tweede lid, vastgestelde opzeggingstermijn in acht te nemen of zonder een van de in artikel X.17, eerste lid, vermelde redenen op te geven, gehouden is de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen die gelijk is aan de vergoeding die gebruikelijk is en overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende deel van die termijn. Het tweede lid van die wetsbepaling bepaalt dat, wanneer de vergoeding van de handelsagent geheel of gedeeltelijk uit commissies bestaat, de vergoeding berekend wordt op basis van het maandelijks gemiddelde van de commissies verdiend gedurende de twaalf maanden die aan de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst voorafgaan of, in voorkomend geval, gedurende de maanden die de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst voorafgaan. Artikel X.16, § 4, WER bepaalt dat, in afwijking van artikel X.17, eerste lid, in een instelling in de sector van het verzekeringswezen, van de kredietinstellingen of van de gereglementeerde markten voor effecten waar een paritair overlegorgaan werd opgericht, de handelsagentuurovereenkomst met een in dat orgaan verkozen handelsagent tijdens de volledige duur van diens mandaat niet eenzijdig kan worden beëindigd door de principaal. Hetzelfde geldt voor de handelsagentuurovereenkomst gesloten met de rechtspersoon waarvan de zaakvoerder of de afgevaardigde bestuurder verkozen werd als vertegenwoordiger van de handelsagenten. In afwijking van het eerste lid kan de handelsagentuurovereenkomst door de principaal worden opgezegd, indien hij aantoont dat de opzegging is gebaseerd op objectieve economische criteria die voor al zijn handelsagenten op dezelfde wijze worden toegepast, onder meer wanneer het in onderling overleg afgesproken businessplan in belangrijke mate niet gerealiseerd wordt en de handelsagent dat niet aan de hand van objectieve feiten kan verantwoorden. Indien de overeenkomst door de principaal wordt beëindigd zonder een ernstige tekortkoming van de handelsagent in de zin van artikel X.17, eerste lid, of wordt opgezegd zonder dat het bewijs wordt geleverd dat de opzegging is gebaseerd op de in het tweede lid bedoeld objectieve economische criteria, is de principaal aan de handelsagent een bijzondere vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag gelijk is aan achttien maanden vergoeding berekend overeenkomstig paragraaf 3, onverminderd de andere voor de handelsagent uit de wet voortvloeiende rechten naar aanleiding van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst. Deze bepalingen blijven van toepassing tijdens een periode van zes maanden vanaf de beëindiging van het mandaat in het paritair overlegorgaan. Het mandaat eindigt op de datum van de eerste vergadering van het nieuw verkozen paritair overlegorgaan.
  7. De referentieperiode bedoeld in artikel X.16, § 3 en § 4, WER voor de berekening van de bijzondere vergoeding eindigt op het ogenblik dat de uitvoering van de overeenkomst effectief een einde neemt. Het middel dat ervan uitgaat dat de referentieperiode bedoeld in artikel X.16, § 3 en § 4, WER eindigt op het moment van de opzeg, en niet op het ogenblik dat de opzeggingstermijn eindigt, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over het bepalen van het bedrag van de uitwinningvergoeding op grond van artikel X.18 WER. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijke vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.