← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.23 Rolnummer: P.25.0773.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-06-20 Raadplegingen: 434 - laatst gezien 2026-06-18 03:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 2 Volgens artikel 97, § 1, tweede lid, laatste zin, Wet Strafuitvoering moeten de cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die moet toekomen ten laatste de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep; het cassatieberoep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank moet worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III Wetboek van Strafvordering; van een dergelijke advocaat mag worden verwacht dat hij vertrouwd is met de termijn en de vormen die gelden voor het indienen van een memorie in het kader van een cassatieberoep tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank en dat die raadsman dus weet dat hij die memorie moet doen toekomen ter griffie van het Hof van Cassatie binnen de vijf dagen na de datum van het cassatieberoep en dus zonder de ontvangst van het bericht van rechtsdagbepaling af te wachten. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep tegen de beslissing tot herroeping van een modaliteit - Termijn van vijf dagen voor het indienen van een memorie - Verplichte tussenkomst van een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures - Laattijdige neerlegging van de memorie - Overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 425 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep tegen de beslissing tot herroeping van een modaliteit - Termijn van vijf dagen voor het indienen van een memorie - Verplichte tussenkomst van een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures - Laattijdige neerlegging van de memorie - Overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 425 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 97, § 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0773.N S. S., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Stéphane Heusequin, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 19 mei 2025. De eiseres voert in een memorie grieven aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie 1. Volgens artikel 97, § 1, tweede lid, laatste zin, Wet Strafuitvoering moeten de cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die moet toekomen ten laatste de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep. 2. De memorie van de eiseres werd ontvangen ter griffie van het Hof op 3 juni 2025, dit is buiten de voormelde termijn van vijf dagen die een einde nam op 26 mei 2025. 3. De eiseres voert aan dat overmacht haar heeft belet tijdig een memorie in te dienen omdat: - de oproeping voor de rechtszitting naar een verkeerd kantooradres van de raadsman van de eiseres werd toegestuurd, zodat het onmogelijk was om tijdig een memorie in te dienen; - de aanvraag voor tweedelijnsbijstand voor de cassatieprocedure niet kon worden ingediend waardoor de raadsman van de eiseres geen mandaat had om op te treden; - de raadsman niet de mogelijkheid had om zelf de verplaatsing naar Brussel te maken of een beroep te doen op een andere raadsman om op de griffie van het Hof de memorie in te dienen. 4. Het cassatieberoep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank moet worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III Wetboek van Strafvordering. Van een dergelijke advocaat mag worden verwacht dat hij vertrouwd is met de termijn en de vormen die gelden voor het indienen van een memorie in het kader van een cassatieberoep tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank en dat die raadsman dus weet dat hij die memorie moet doen toekomen ter griffie van het Hof van Cassatie binnen de vijf dagen na de datum van het cassatieberoep en dus zonder de ontvangst van het bericht van rechtsdagbepaling af te wachten. 5. De ingeroepen overmacht ter verantwoording van het laattijdig indienen van de memorie kan niet worden aangenomen. De toezending van het bericht van rechtsdag naar een verkeerd kantooradres kan de raadsman van de eiseres onmogelijk hebben doen dwalen betreffende de verplichting om de memorie binnen de vijf dagen in te dienen ter griffie na de datum van het cassatieberoep. De raadsman stond de eiseres reeds bij voor de strafuitvoeringsrechtbank zodat zijn door geen enkel document gestaafde bewering dat hij geen mandaat had om op te treden niet aannemelijk is. Evenmin aannemelijk is de met geen enkel stuk gestaafde bewering dat het de raadsman van de eiseres onmogelijk was om zelf of door middel van een andere raadsman de memorie tijdig ter griffie van het Hof te doen toekomen. 6. De memorie is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.23 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.