← België

HANOVER SOLAR BV c. BELGISCHE STAAT FOD Financiën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.27 Rolnummer: P.24.1697.N Zaak: HANOVER SOLAR BV c. BELGISCHE STAAT FOD Financiën Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2025-06-20 Raadplegingen: 725 - laatst gezien 2026-06-18 21:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt

(1); wanneer de appellant in zijn grievenformulier de rubriek “schuld” aankruist, maakt hij bij het appelgerecht niet enkel de beslissing over de schuld aanhangig, maar ook alle onafscheidelijk daarmee verbonden beslissingen
(2); de appelrechter is ertoe gehouden aan de hem voorgelegde feiten hun juiste omschrijving te geven; die beslissing is onafscheidelijk verbonden met de beslissing over de schuld; bijgevolg kan een beklaagde die hoger beroep instelt tegen zijn schuldigverklaring, zijn grieven niet beperken tot de hem ten laste gelegde feiten zoals heromschreven door de eerste rechter.
(1)Zie o.a. Cass. 4 februari 2025, AR P.24.1614.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7; Cass. 11 oktober 2023, AR P.22.1491.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.14, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 1 februari 2017, AR P.16.1100.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9, AC 2017, nr. 78; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal WINANTS; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 91-95; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, 1958-1965.
(2)Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1344.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.2; Cass. 15 oktober 2019, AR P.19.0600.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.6, AC 2019, nr. 522; Cass. 13 november 2018, AR P.18.0360.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.3, AC 2018, nr. 626; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 148-150. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Grievenschrift - Aankruising rubriek "schuld" - Omschrijving van de feiten - Taak van de rechter in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Hoger beroep - Gevolgen - Bevoegdheid van de rechter - Grievenschrift - Aankruising rubriek "schuld" - Omschrijving van de feiten - Taak van de rechter in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 3 - 4 Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 20 mei 2021 (ro 50) in de zaak C 209/20, ingevolge een prejudiciële vraag over de geldigheid van Verordening nr. 1357/2013, geoordeeld dat de Europese Commissie op basis van haar beoordeling van de feiten terecht ervan kon uitgaan dat de verwerking van wafers van silicium tot zonnecellen in het productieproces van zonnemodules en -panelen moest worden aangemerkt als laatste ingrijpende bewerking in de zin van artikel 24 CDW; aldus heeft het Hof van Justitie de door de Commissie gehanteerde ruime definitie van het begrip “verzonden uit” bevestigd
(1); hieruit volgt dat zonnepanelen voor de toepassing van de verordeningen nr. 184/2016 en nr. 185/2016 moeten worden geacht te zijn verzonden vanuit het land waar de productie van de erin gebruikte cellen heeft plaatsgevonden, dit is het land waarin de verwerking van wafers van silicium tot fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium heeft plaatsgevonden.
(1)HvJ 20 mei 2021, zaak C-209/20, Renesola UK Ltd, www.curia.europa.eu. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Antidumpingrechten - Invoer van zonnepanelen - Bepaling van de plaats van verzending van de zonnepanelen - Productieproces - Criteria Wettelijke bepalingen: Verordening 2454/93/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 02-07-1993 - 42 Link Justel databank 19930702-42 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1357/2013 van de Commissie van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling ... - 17-12-2013 Uitvoeringsverordening (EU) 2016/184 van de Commissie van 11 februari 2016 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad ingestelde definitieve compenserende recht op fotovoltaïsche modules van kristallijn ... - 11-02-2016 Uitvoeringsverordening (EU) 2016/185 van de Commissie van 11 februari 2016 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad ingestelde definitieve antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium ... - 11-02-2016 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 24 - 32 Link Justel databank 19921012-32 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 60 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Verordening 1357/2013 - Antidumpingrechten - Invoer van zonnepanelen - Bepaling van de plaats van verzending van de zonnepanelen - Productieproces - Criteria Wettelijke bepalingen: Verordening 2454/93/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 02-07-1993 - 42 Link Justel databank 19930702-42 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1357/2013 van de Commissie van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling ... - 17-12-2013 Uitvoeringsverordening (EU) 2016/184 van de Commissie van 11 februari 2016 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad ingestelde definitieve compenserende recht op fotovoltaïsche modules van kristallijn ... - 11-02-2016 Uitvoeringsverordening (EU) 2016/185 van de Commissie van 11 februari 2016 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad ingestelde definitieve antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium ... - 11-02-2016 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 24 - 32 Link Justel databank 19921012-32 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 60 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1697.N HANOVER SOLAR bv, met zetel te 1043 GR Amsterdam (Nederland), Kingsfordweg 151, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 75c, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, Noordster gebouw, 10de verdieping, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bl4, waar de verweerder woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 november
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 202, 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat er geen reden voorligt om de ten laste gelegde feiten te heromschrijven, treden de appelrechters buiten hun saisine; de eiseres is vervolgd wegens, in negen invoeraangiftes (telastleggingen 1 tot en met 9), “Het ontduiken van antidumpingrechten en compenserende rechten verbonden aan het invoeren van zonnepanelen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, onder meer door het verkeerd vermelden van het land van oorsprong als zijnde Indonesië en door het gebruiken van een verkeerde goederencode”; de eerste rechter heeft vastgesteld dat de goederencode telkens correct is ingevuld en heeft de telastleggingen dienvolgens heromschreven door in de oorspronkelijke omschrijving de woorden “en door het gebruiken van een verkeerde goederencode” weg te laten; de eiseres heeft enkel grieven ontwikkeld tegen haar schuldigverklaring aan de feiten zoals door de eerste rechter heromschreven; de verweerder heeft enkel grieven ontwikkeld tegen de strafmaat en kon derhalve geen afzonderlijk, door de eerste rechter niet bewezen verklaard feit aanhangig maken bij de appelrechters; bijgevolg was de heromschrijving van de feiten door de eerste rechter niet aanhangig in hoger beroep; het arrest (p. 10) miskent de bewijskracht van het grievenformulier van de eiseres door onterecht te vermelden dat haar hoger beroep betrekking had op de feiten onder de ganse oorspronkelijke kwalificatie (eerste onderdeel); door te oordelen dat de ganse kwalificatie tot hun saisine behoorde, miskennen de appelrechters eveneens de devolutieve werking van de hogere beroepen van de eiseres en de verweerder (tweede onderdeel); het arrest beantwoordt niet het bij appelconclusie gevoerde verweer van de eiseres dat er door de verweerder geen grief werd ontwikkeld tegen het oordeel van de eerste rechter dat er geen verkeerde goederencode is gebruikt en dit feit bijgevolg geen deel uitmaakt van de saisine van het hof van beroep (derde onderdeel).
  3. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Wanneer de appellant in zijn grievenformulier de rubriek “schuld” aankruist, maakt hij bij het appelgerecht niet enkel de beslissing over de schuld aanhangig, maar ook alle onafscheidelijk daarmee verbonden beslissingen.
  4. De appelrechter is ertoe gehouden aan de hem voorgelegde feiten hun juiste omschrijving te geven. Die beslissing is onafscheidelijk verbonden met de beslissing over de schuld. Bijgevolg kan een beklaagde die hoger beroep instelt tegen zijn schuldigverklaring, zijn grieven niet beperken tot de hem ten laste gelegde feiten zoals heromschreven door de eerste rechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Hieruit volgt dat de in het eerste onderdeel aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het grievenformulier van de eiseres, haar niet kan grieven. In zoverre is het eerste onderdeel niet ontvankelijk.
  6. Met de in het middel aangehaalde telastleggingen wordt de eiseres niet vervolgd voor feiten van het opgeven van een onjuist land van oorsprong en een onjuiste goederencode in de invoeraangiften, maar wel voor feiten van het ontduiken van antidumpingrechten en compenserende rechten, zoals die feiten onder meer blijken uit de vermelde onjuiste opgaven. Aldus houdt de heromschrijving door de eerste rechter van de telastleggingen 1 tot en met 9 door daaruit telkens één onjuiste opgave weg te laten, geen vrijspraak in voor die opgave als afzonderlijk aan de eiseres ten laste gelegd feit.
  7. Met de redenen die het middel aanhaalt, verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres over de saisine van de appelrechters na de heromschrijving van de feiten van de telastleggingen door de eerste rechter.
  8. In zoverre missen het tweede en het derde onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel
  9. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest (p. 18) oordeelt: “De door de heer [S.] aangebrachte correcties zijn gebaseerd op de informatie die het OLAF-onderzoek heeft opgeleverd bij PT. Hanover Solar Indonesia, gegevens die allen aan het strafdossier werden toegevoegd (zie de annexen 1 t.e.m. 12 bij het definitief OLAF-rapport van 17 juli 2019). In die omstandigheid beschikt [de eiseres] over de noodzakelijke informatie teneinde de juistheid van de door de heer [S.] aangebrachte correcties na te gaan.”, alsook “[De eiseres] heeft de gegevens waarop OLAF zich heeft gebaseerd kunnen nakijken en daar tegenspraak over kunnen voeren”; in haar appelsyntheseconclusie heeft de eiseres evenwel uitdrukkelijk laten gelden dat de oefening van OLAF niet alleen willekeurig is, maar deze ook niet kan worden geverifieerd bij gebrek aan de e-mail van 26 februari 2019 van het Indonesische Ministerie van Handel met bijgevoegd geüpdatet overzicht van de inventaris van de zonnecelvoorraad en paneelproductie van PT Hanover Solar Indonesia, waarnaar wordt verwezen op pagina 17 van het zogenaamd finale rapport van OLAF; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat het niet-voorliggen aan de verdediging van de vermelde e-mail van 26 februari 2019 met bijlage absoluut onaanvaardbaar is in het licht van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid (eerste onderdeel); anders dan het arrest voorhoudt, beschikte de eiseres niet over de noodzakelijke informatie teneinde de juistheid van de door OLAF aangebrachte correctie na te gaan, aangezien de verweerder de vermelde e-mail van 26 februari 2019 met bijlage, waarover hij naar eigen zeggen ook niet beschikte, niet heeft voorgelegd aan de verdediging of aan het hof van beroep; door niet vast te stellen dat de vermelde stukken aan de verdediging voorlagen, alsook bij gebrek aan nadere vaststellingen, laat het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen (tweede onderdeel); gelet op de uitdrukkelijke argumentatie van de eiseres in haar appelconclusie dat het ontbreken van de voormelde e-mail van 26 februari 2019 met bijlage absoluut onaanvaardbaar is in het licht van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid, is het oordeel van de appelrechters dat de eiseres de gegevens waarop OLAF zich heeft gebaseerd, heeft kunnen nakijken en daarover tegenspraak heeft kunnen voeren, niet verantwoord op basis van de feitelijke vaststellingen die het arrest vermeldt (derde onderdeel).
  10. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 16 en 18-19) oordeelt onder meer als volgt: - de volledige communicatie tussen OLAF en de verweerder werd voorgelegd; - de door S. namens OLAF aangebrachte correcties, met de nodige toelichting en rechtzettingen, zijn verenigbaar met de verzamelde onderzoeksgegevens; - door tussenkomst van het Indonesische ministerie van handel werden de gegevens betreffende de aankoop door PT. Hanover Solar Indonesia van de zonnecellen en andere materialen verkregen. Er zijn geen redenen om te twijfelen over de correctheid van deze documenten, opgenomen in annexe 5 g bij het finaal verslag van OLAF van 17 juni 2019; - de door S. aangebrachte correcties zijn gebaseerd op de informatie die het OLAF-onderzoek heeft opgeleverd bij PT. Hanover Solar Indonesia, gegevens die alle aan het strafdossier werden gevoegd (zie de annexen 1 t.e.m. 12 bij het definitief OLAF-rapport van 17 juli 2019). In die omstandigheden beschikt de eiseres over de noodzakelijke informatie teneinde de juistheid van de door S. aangebrachte correcties na te gaan; - de eiseres heeft de gegevens waarop OLAF zich heeft gebaseerd kunnen nakijken en daarover tegenspraak kunnen voeren. Het hof van beroep stelt vast dat OLAF alle inspanningen heeft geleverd die redelijkerwijze konden worden verwacht om een onderzoek, ook à decharge, te voeren, op basis waarvan de verweerder voldoet aan de op hem rustende bewijslast. Bovendien kon de eiseres zelfs nog bijkomend informatie aftoetsen en informatie vragen bij haar eigen verbonden onderneming PT. Hanover Solar Indonesia; - uit niets blijkt dat de correcties van S. niet verenigbaar zijn met de verzamelde onderzoeksgegevens die ter beschikking zijn van de eiseres voor nazicht. In die omstandigheden dienen deze correcties te worden aanvaard. Dat de verweerder verduidelijkingen en aanvullingen of correcties heeft gevraagd en verkregen, brengt geenszins met zich dat de bevindingen van OLAF vermeld in haar rapport van 17 juli 2019, zoals gecorrigeerd bij e-mail van 29 november 2019, als willekeurig zouden kunnen worden beschouwd; - bijgevolg is het hof van beroep van oordeel dat er geen twijfel kan bestaan betreffende de onderzoeksresultaten van OLAF vermeld in haar rapport van 17 juli 2019, zoals gecorrigeerd bij e-mail van 29 november
  12. Uit die redenen blijkt het oordeel van de appelrechters dat, ongeacht de niet-voorlegging van de e-mail van 26 februari 2019 met bijlage, het geheel van de gegevens die aan de eiseres ter beschikking stonden, volstond om haar met kennis van zaken en met eerbiediging van haar fundamentele rechten toe te laten de te haren laste aangevoerde bewijselementen te betwisten. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres en laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kunnen het eerste en tweede onderdeel niet worden aangenomen.
  13. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een formele verplichting. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het derde onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert, faalt het naar recht.
  14. Voor het overige komt het derde onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  15. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 184/2016 van de Commissie van 11 februari 2016 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad ingestelde definitieve compenserende recht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China, tot fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) verzonden uit Maleisië en Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië en Taiwan en artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2016 van de Commissie van 11 februari 2016, tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad ingestelde definitieve antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China, tot fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) verzonden uit Maleisië en Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië en Taiwan. Het eerste onderdeel verwijt het arrest onterecht te oordelen dat “voor de toepassing van de (…) uitvoeringsverordeningen 1238/2013, 1239/2013, 2016/184 en 2016/185, goederen in voorliggend geval kunnen worden beschouwd als ‘verzonden vanuit’ Maleisië dan wel China indien na de initiële verzending van de zonnecellen vanuit Maleisië of China, in Indonesië geen be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden die niet-preferentiële oorsprong verlenen aan de fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen)”; het land van waaruit de goederen werden verzonden, is het land van waaruit de goederen initieel worden verzonden naar de invoerende lidstaat, op voorwaarde dat er in een ander land geen oponthoud of juridische handelingen hebben plaatsgevonden die geen verband houden met het vervoer; indien er in een tussenliggend land wel sprake is van een dergelijk oponthoud of dergelijke handelingen, dient dit tussenliggende land te worden beschouwd als het land van waaruit de goederen worden verzonden, ongeacht of de be- of verwerkingen in het tussenliggend land oorsprongsverlenend waren; door hun assemblage in en daaropvolgende verscheping vanuit Indonesië waren de zonnepanelen die waren geladen in de containers vervat onder de feiten 2 tot en met 8 aldus niet langer verzonden vanuit Maleisië, maar verzonden vanuit Indonesië en dit ongeacht of de be- of verwerkingen aldaar oorsprongsverlenend waren; de ruime uitlegging die het arrest, in navolging van de Europese Commissie, geeft aan het begrip “verzonden vanuit” en die inhoudt dat er in Indonesië sprake moet zijn van een oorsprongsverlenende be- of verwerking opdat de zonnepanelen zouden kunnen worden beschouwd als “verzonden vanuit” Indonesië, omvat een niet toegelaten uitbreiding van het toepassingsgebied van de vermelde Verordeningen. Het tweede onderdeel vraagt dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld: “Dienen de artikelen 1 van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/184 en (EU) 2016/185 van 11 februari 2016 alzo te worden begrepen dat zonnecellen die oorspronkelijk vanuit Maleisië werden verzonden, om vervolgens in een tussenliggend land (i.c. Indonesië) te worden aangewend voor assemblage tot zonnepanelen, om vervolgens van daaruit naar de EU te worden verzonden, wat een oponthoud of een juridische handeling betreft die geen verband houdt met het vervoer, beschouwd te worden als 'verzonden uit’ dat tussenliggende land (i.c. Indonesië), of volstaat het voor de toepassing van de artikelen 1 van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/184 en (EU) 2016/185 van 11 februari 2016 dat om beschouwd [te] kunnen worden als 'verzonden vanuit’ Maleisië dat de zonnecellen na de initiële verzending vanuit Maleisië, in het tussenliggende land (i.c. Indonesië) geen be- of verwerkingen ondergaan die aan het geassembleerde eindproduct (zonnepanelen) niet-preferentiële oorsprong verlenen?”
  16. Krachtens telkens artikel 1 van de verordeningen nr. 184/2016 en nr. 185/2016 worden het definitieve compenserende recht en antidumpingrecht op zonnepanelen “van oorsprong uit of verzonden uit” de Volksrepubliek China, ingesteld bij telkens artikel 1, lid 2, van de verordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013, uitgebreid tot zonnepanelen verzonden uit Maleisië en Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië en Taiwan.
  17. Het DWU bepaalt onder Titel II, Hoofdstuk 2 (“Oorsprong van goederen”), Afdeling 1 (“Niet-preferentiële oorsprong”), artikel 60 (“Verkrijging van oorsprong”): “
  18. Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.
  19. Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.” Artikel 24 CDW bevatte een gelijkaardige bepaling, namelijk: “Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw produkt heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”
  20. Bij Uitvoeringsverordening (EEG) nr. 1357/2013 (EU) van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek heeft de Europese Commissie bijlage 11 bij Verordening nr. 2454/93 gewijzigd door de opname erin van zonnecellen, zonnemodules en zonnepanelen. De overwegingen 1 en 3 tot en met 7 van de preambule van die uitvoeringsverordening bepalen wat volgt: “
(1)De niet-preferentiële oorsprongsregels moeten worden toegepast op alle niet-preferentiële handelspolitieke maatregelen, inclusief antidumping- en compenserende rechten.
(3)De aangifte voor het vrije verkeer van fotovoltaïsche modules of panelen van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan is bij verordening (EU) nr. 513/2013 van de Commissie onderworpen aan voorlopige antidumpingrechten.
(4)Met het oog op de correcte en uniforme toepassing van de voorlopige antidumpingrechten moeten voor de interpretatie van het in artikel 24 [CDW] vastgelegde beginsel voor de vaststelling van de oorsprong van de producten waarvoor deze maatregelen gelden, gedetailleerde bepalingen inzake de fotovoltaïsche modules of panelen van kristallijn silicium en van een van de belangrijkste onderdelen daarvan, fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium, worden vastgesteld.
(5)Het productieproces van fotovoltaïsche modules of panelen van kristallijn silicium kent de volgende essentiële stadia: de productie van wafers van silicium, de verwerking van wafers van silicium tot fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium en het assembleren van verschillende fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium tot een fotovoltaïsche module of een fotovoltaïsch paneel van kristallijn silicium.
(6)Het belangrijkste stadium bij de vervaardiging van de fotovoltaïsche panelen of modules van kristallijn silicium is de verwerking van wafers van silicium tot fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium. Dat is het beslissende productiestadium, waarbij het toekomstige gebruik van de onderdelen van het paneel of de module definitief wordt vastgelegd en waarin de specifieke eigenschappen ervan worden bepaald.
(7)Deze be- of verwerking moet daarom worden beschouwd als de laatste ingrijpende be- of verwerking in het productieproces van fotovoltaïsche modules of panelen van kristallijn silicium overeenkomstig artikel 24 [CDW]. Het land waarin de fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium worden vervaardigd, is dus het land van niet-preferentiële oorsprong van de fotovoltaïsche modules of panelen van kristallijn silicium.”
  1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 20 mei 2021 (ro 50) in de zaak C 209/20, ingevolge een prejudiciële vraag over de geldigheid van Verordening nr. 1357/2013, geoordeeld dat de Europese Commissie op basis van haar beoordeling van de feiten terecht ervan kon uitgaan dat de verwerking van wafers van silicium tot zonnecellen in het productieproces van zonnemodules en panelen moest worden aangemerkt als laatste ingrijpende bewerking in de zin van artikel 24 CDW. Aldus heeft het Hof van Justitie de door de Commissie gehanteerde ruime definitie van het begrip “verzonden uit” bevestigd.
  2. Hieruit volgt dat zonnepanelen voor de toepassing van de verordeningen nr. 184/2016 en nr. 185/2016 moeten worden geacht te zijn verzonden vanuit het land waar de productie van de erin gebruikte cellen heeft plaatsgevonden, dit is het land waarin de verwerking van wafers van silicium tot fotovoltaïsche cellen van kristallijn silicium heeft plaatsgevonden. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  3. Het arrest dat, eensdeels, vaststelt dat de zonnepanelen in Indonesië met uit Maleisië verzonden cellen louter werden geassembleerd, verpakt en verzonden naar België en, anderdeels, de in het middel aangevoerde uitlegging van het begrip “verzonden vanuit” verwerpt, beslist wettig dat de zonnepanelen bedoeld in de feiten 2 tot en met 8 in werkelijkheid werden verzonden vanuit Maleisië, zodat daarop antidumpingrechten en compenserende rechten verschuldigd zijn. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen.
  4. Aangezien er, gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van de bepalingen vermeld in de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag, wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. Vierde middel Eerste en tweede onderdeel
  5. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.2 EVRM: het arrest oordeelt, louter op grond van de aanname dat de eiseres en PT Hanover Solar Indonesia verbonden ondernemingen waren, dat de eiseres “wist welke goederen van waar werden verzonden en aangekocht en welke bewegingen al dan niet in Indonesië plaatsvonden” (eerste onderdeel), alsook dat “het daarenboven vast [staat] dat [de eiseres] geenszins vertrouwde op de Form A die verkeerdelijk een Indonesische oorsprong vermeldden”; in haar appelsyntheseconclusie heeft de eiseres evenwel uitdrukkelijk laten gelden, eensdeels, dat zij geen zicht had op de productie van de door haar aangekochte zonnepanelen en dat het feit dat PT Hanover Solar Indonesia als een verbonden onderneming wordt aangemerkt, niet maakt dat de eiseres als afzonderlijke rechtspersoon zicht heeft op of betrokken is bij de aankoop van de onderdelen of de productie en, anderdeels, dat zij steeds vermocht te vertrouwen op de door de daartoe bevoegde autoriteiten afgeleverde en niet van valsheid betichte certificaten die allen de Indonesische oorsprong bevestigden (tweede onderdeel).
  6. De rechter die op gemotiveerde wijze het verweer van een beklaagde verwerpt, miskent het vermoeden van onschuld van die beklaagde niet. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  7. Uit de redenen die het middel aanhaalt, kan het arrest wettig en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld van de eiseres afleiden dat zij ingevolge haar verbondenheid met PT Hanover Solar Indonesia wel degelijk wist dat de door deze laatste gebruikte cellen waren verzonden uit China of Maleisië en door haar enkel werden geassembleerd, verpakt en verzonden, zodat de zonnepanelen waarin die cellen waren gebruikt, onderworpen waren aan antidumpingrechten en compenserende rechten. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het oordeel van de appelrechters dat de eiseres wist welke goederen van waar werden verzonden en aangekocht en welke bewegingen al dan niet in Indonesië plaatsvonden en dat zij geenszins vertrouwde op de Form A die verkeerdelijk een Indonesische oorsprong vermeldden, is niet verantwoord op basis van de feitelijke vaststellingen vermeld in het arrest.
  9. Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, is in werkelijkheid geheel afgeleid uit de in het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.