← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn van het strafproces - Beoordeling per beklaagde - Feitelijke gegevens die ook gelden voor medebeklaagden in dezelfde toestand - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 4 Bij de beoordeling van de redelijke termijn betreffende een beklaagde kan de rechter het gegeven betrekken dat andere beklaagden in dezelfde strafvervolging rechtsmiddelen hebben aangewend die een impact hebben gehad op de voortgang van de strafvervolging. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling per beklaagde - Rechtsmiddelen die zijn ingesteld door andere beklaagden - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn van het strafproces - Beoordeling per beklaagde - Rechtsmiddelen die zijn ingesteld door andere beklaagden - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 6 Uit de tekst van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de daar gebruikte terminologie en de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het verval van de strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn slechts uitzonderlijk mag worden toegepast; de overschrijding moet dermate zwaarwichtig zijn dat ze leidt tot het oordeel dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is; bij die onaantastbare beoordeling houdt de rechter rekening met de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde belangen; het enkele feit dat er in een strafprocedure meerdere periodes van stilstand zijn vast te stellen, dat de strafprocedure slechts heeft geleid tot een beslissing meerdere jaren na de aanvang van de redelijke termijn en dat voor bepaalde medebeklaagden de verjaring van de strafvordering wordt vastgesteld, verplicht de rechter niet noodzakelijk om aan te nemen dat de redelijke termijn zeer zwaarwichtig is miskend; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen heeft afgeleid

(1).
(1)Over art. 27 VT Sv. zie o.a. Cass. 22 april 2025, AR P.25.0130.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.6; Cass. 19 maart 2025, AR P.24.1618.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250319.2F.1; Cass. 11 maart 2025, AR P.24.1621.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.1; Cass. 25 februari 2025, AR P.24.1506.N,ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.1 , met concl. OM; Cass. 18 februari 2025, AR P.25.0154.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.
  1. Zie alg. J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25, 763-780; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, I, 59-
  2. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verval - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Voorwaarden - Meerdere beklaagden - Meerdere periodes van stilstand - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn van het strafproces - Verval van de strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Voorwaarden - Meerdere beklaagden - Meerdere periodes van stilstand - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0464.N W. V. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten omschreven onder de telastlegging C. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) (hierna COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020): het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvordering tegen de eiser niet is vervallen; de verjaringstermijn voor het feit omschreven onder de telastlegging B.50 bedraagt vijf jaar; de laatst nuttige stuitingsdaad dateert van 31 januari 2019; bijgevolg zou de verjaring in beginsel intreden op 31 januari 2024; de verjaringstermijn werd overeenkomstig de artikelen 1 en 3 COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 geschorst voor de periode van 18 maart 2020 tot 3 mei 2020, te vermeerderen met één maand en dus niet voor een periode van vier maanden; bijgevolg werd de verjaring van de strafvordering wel degelijk bereikt op 28 april 2024, zodat de artikelen 21 en 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 niet van toepassing zijn.
  4. Artikel 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalt dat voor een termijn gelijk aan de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode, aangevuld met een maand, de verjaringstermijnen van de strafvordering voorzien voor de misdrijven van het Strafwetboek en voor de misdrijven van de bijzondere wetten worden geschorst. De einddatum van de in artikel 1, eerste lid, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalde periode kan bij toepassing van het derde lid van dat artikel worden aangepast door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  5. Artikel 23 COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalt dat het besluit in werking treedt op de dag van publicatie ervan. Het besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 april
  6. De einddatum van de in artikel 1, eerste lid, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalde periode werd aangepast bij artikel 1, a), van het koninklijk besluit van 28 april 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (hierna KB Verlenging van 9 april 2020) en bij artikel 1, a), van het koninklijk besluit van 13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (hierna KB Verlenging van 13 mei 2020). Het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020, het KB Verlenging van 28 april 2020 en het KB Verlenging van 13 mei 2020 werden, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), bekrachtigd bij artikel 4 van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II).
  7. Uit die bepalingen volgt dat de verjaring van de strafvordering is geschorst in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 juli 2020, dit is gedurende de in artikel 1, eerste lid, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bedoelde periode van 18 maart 2020 tot en met 17 juni 2020, aangevuld met een maand. In zoverre het middel aanvoert dat de schorsing van de verjaring overeenkomstig het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 slechts liep van 18 maart 2020 tot 3 mei 2020, te meerderen met één maand, faalt het naar recht.
  8. Het arrest (p. 80-82) verantwoordt naar recht de beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor het aan de eiser verweten feit omschreven onder de telastlegging B.50 niet is bereikt omdat: - de verjaring van de strafvordering voor dit op 30 juli 2014 gesitueerde feit werd gestuit op 31 januari 2019; - de verjaring van de strafvordering werd geschorst vanaf 18 maart 2020 tot en met 17 juli 2020, - op 28 april 2024, dit is de datum van de inwerkingtreding van de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de artikelen 32 en 35 Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, de verjaring van de strafvordering nog niet was bereikt; - de zaak binnen een termijn van tien jaar na de datum van dit feit, werd aanhangig gemaakt voor de correctionele rechtbank, namelijk op 21 januari 2020 en de verjaring van de strafvordering dan ook niet langer loopt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest koppelt aan de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn niet het juiste gevolg; er kan niet ernstig worden voorgehouden dat er geen sprake is van een zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn; dit blijkt ten overvloede uit het gegeven dat voor een aantal beklaagden de strafvordering is verjaard; de redelijke termijn moet individueel worden beoordeeld; het arrest oordeelt in algemene termen en met verwijzing naar procedures gevoerd door andere beklaagden dat de overschrijding voor de eiser niet zwaarwichtig is; de eiser werd verontrust op 30 juli 2014 en het arrest doet slechts bijna elf jaar later uitspraak; er zijn bovendien meerdere periodes van aanzienlijke stilstand; er is in het dossier een zuivere stilstand voor een periode van meer dan vier jaar; het gegeven dat andere beklaagden verzetsprocedures hebben gevoerd, kan aan de eiser niet worden toegerekend; het arrest had gelet op de zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn het verval van de strafvordering moeten uitspreken.
  10. De omstandigheid dat de redelijke termijn moet worden beoordeeld per beklaagde belet niet dat de rechter voor meerdere beklaagden die zich in eenzelfde toestand bevinden dezelfde feitelijke gegevens in aanmerking neemt en eenzelfde beoordeling kan maken.
  11. Bij de beoordeling van de redelijke termijn betreffende een beklaagde kan de rechter het gegeven betrekken dat andere beklaagden in dezelfde strafvervolging rechtsmiddelen hebben aangewend die een impact hebben gehad op de voortgang van de strafvervolging.
  12. Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door artikel 34, 1° en 2°, Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 met ingang vanaf 28 april 2024, bepaalt wat volgt: “Indien de duur van strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken. De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.”
  13. Deze bepaling voorziet onder meer in de sanctie van het verval van de strafvordering. Uit de tekst van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de daar gebruikte terminologie en de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het verval van de strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn slechts uitzonderlijk mag worden toegepast. De overschrijding moet dermate zwaarwichtig zijn dat ze leidt tot het oordeel dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is.
  14. Bij die onaantastbare beoordeling houdt de rechter rekening met de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde belangen.
  15. Het enkele feit dat er in een strafprocedure meerdere periodes van stilstand zijn vast te stellen, dat de strafprocedure slechts heeft geleid tot een beslissing meerdere jaren na de aanvang van de redelijke termijn en dat voor bepaalde medebeklaagden de verjaring van de strafvordering wordt vastgesteld, verplicht de rechter niet noodzakelijk om aan te nemen dat de redelijke termijn zeer zwaarwichtig is miskend.
  16. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen heeft afgeleid.
  17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen faalt het naar recht.
  18. Het arrest (p. 82-87) vermeldt de criteria die het in acht neemt voor de beoordeling van de redelijke termijn, het bepaalt voor de eiser het aanvangspunt voor de redelijke termijn, het analyseert gedetailleerd de voortgang van de strafprocedure vanaf dat aanvangspunt waarbij het onder meer nagaat of er periodes van stilstand zijn en wie daarvoor verantwoordelijk is en het stelt op basis daarvan vast dat er een overschrijding is van de redelijke termijn. Het oordeelt ten slotte dat er geen zeer zwaarwichtige miskenning is van de redelijke termijn en het vermeldt de concrete elementen waarop die beslissing steunt. Op grond daarvan kan het arrest wettig oordelen dat er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 579,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251231.2F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250319.2F.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.