← België

V. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 240

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AMBTENAAR - ALGEMEEN Vrije woorden: Notaris - Vereffening van een nalatenschap - Verduistering van activa - Bedrieglijk opzet - Gegevens die dateren van na beweerde feiten - Advies van de tuchtoverheid van de ambtenaar - Aflopend karakter van het misdrijf - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 240- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend.

Voortgezet. Voortdurend misdrijf Vrije woorden: Verduistering - Notaris - Vereffening van een nalatenschap - Verduistering van activa - Bedrieglijk opzet - Gegevens die dateren van na beweerde feiten - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 240

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Verduistering - Notaris - Vereffening van een nalatenschap - Verduistering van activa - Bedrieglijk opzet - Gegevens die dateren van na beweerde feiten - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 240

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Verduistering - Notaris - Vereffening van een nalatenschap - Verduistering van activa - Bedrieglijk opzet - Gegevens die dateren van na beweerde feiten - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 240- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0536.N N. V., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent, tegen C. C., inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 maart

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 240 Strafwetboek en van het “Arrest van het Hof van Cassatie 5 januari 2016”: het arrest kwalificeert de onwettige en heimelijke inhouding van gelden door de verweerder ten onrechte niet als verduistering; latere tuchtrechtelijke beoordelingen worden ten onrechte als doorslaggevend aangenomen; er bestaat over het bedrieglijk opzet duidelijke rechtspraak; met het oordeel dat de verweerder de erelonen en de kosten heeft ingehouden op wettelijke basis en conform de contractueel overeengekomen tarieven, miskent het arrest de basisprincipes inzake verduistering; zo wordt een onttrekking van gelden achter de rug van de deelgenoten vergoelijkt, wordt het strafrechtelijk verbod op eigenrichting genegeerd en wordt de deur opengezet voor de rechtvaardiging van een verduistering op basis van een achteraf opgemaakt balansblad; relevant is niet of het bedrag wettelijk correct was, maar wel of het wettelijk en transparant werd ingehouden, wat hier niet het geval was; daardoor werd de eiseres het fundamenteel recht ontnomen om de afrekeningen te betwisten; bij afwezigheid van toestemming tot betaling door de deelgenoten had de verweerder zich tot de rechtbank moeten wenden; de eiser heeft de normale invorderingsprocedure willen vermijden en zich zo voordelen verschaft die hij bij het volgen van de wettelijke weg niet zou hebben gehad; de verweerder wist dat hij het akkoord van de deelgenoten nodig had of de geëigende procedure diende te volgen om de tegoeden uit de nalatenschap aan te wenden; de verweerder heeft zelf toegegeven dat hij het akkoord van de eiseres niet heeft gevraagd voor de uitbetaling van de verschuldigde kosten en erelonen omdat zij dit toch niet zou hebben gegeven; het advies van de Kamer van Notarissen dateert van na de voltrekking van de verduistering; het arrest miskent het aflopend karakter van het misdrijf van verduistering.
  3. Een arrest van het Hof is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van een arrest van het Hof, faalt het naar recht.
  4. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor het misdrijf van verduistering van artikel 240 Strafwetboek vereiste bedrieglijk opzet aanwezig is.
  6. Hij kan daarbij rekening houden met gegevens die dateren van na het zich toe-eigenen van de gelden die aan de ambtenaar waren toevertrouwd, zoals het advies van de tuchtoverheid van de ambtenaar.
  7. Uit het enkele feit dat de rechter bij de beoordeling van het bedrieglijk opzet rekening houdt met gegevens die dateren van na het zich toe-eigenen van aan de ambtenaar toevertrouwde gelden, volgt niet dat de rechter het aflopend karakter van het misdrijf van verduistering miskent.
  8. Uit de omstandigheid dat de ambtenaar zich hem toevertrouwde gelden heeft toegeëigend omdat hij meende daarop gerechtigd te zijn, zonder dat hij voor die toe-eigening het akkoord heeft verkregen van zij die aanspraak konden maken op die gelden, volgt niet dat deze laatsten niet langer in staat zijn om die toe-eigening te betwisten.
  9. Uit die enkele omstandigheid volgt evenmin dat de rechter noodzakelijk moet aannemen dat de ambtenaar heeft gehandeld met bedrieglijk opzet.
  10. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest oordeelt als volgt: - uit de verhoren van de verweerder tijdens het onderzoek en zijn op de rechtszitting neergelegde conclusie blijkt dat de verweerder voorhoudt een correcte afrekening te hebben gemaakt van zijn ereloon en kosten overeenkomstig de schriftelijke afspraken gemaakt met de partijen; - de verweerder heeft op 30 september 2021 het rekenblad van zijn werkuren alsook een doorslag van de boekhouding van zijn kantoor, met opgave van de diverse inkomsten en uitgaven tijdens de vereffening-verdeling, doorgemaild aan zijn opvolger notaris W., aan de eiseres en aan haar zus; - in die e-mail heeft de verweerder vermeld dat de kosten in mindering werden/worden gebracht van het saldo van de verkoopopbrengst die naar notaris W. zou worden overgeschreven; - de verweerder verklaarde tijdens het onderzoek niet het akkoord te hebben gevraagd van de eiseres voor de uitbetaling van de verschuldigde kosten en erelonen wetende dat zij dit akkoord toch niet zou hebben gegeven; - de Kamer van Notarissen van de provincie West-Vlaanderen bracht na een verzoek daartoe door de verweerder op 21 april 2022 het advies uit dat alle kosten en erelonen correct werden berekend en dat deze kosten redelijk en voldoende werden verantwoord; - in dit advies wordt verwezen naar de met de partijen afgesproken niet-buitensporige uurtarieven in het proces-verbaal van de opening van de werkzaamheden; - er wordt verder op gewezen dat het wettelijk ereloon enkel en alleen de notariële akte met de staat van vereffening-verdeling dekt, terwijl de overige prestaties niet wettelijk getarifieerd zijn en dus door de partijen in onderling akkoord moeten worden vastgelegd, wat hier effectief is gebeurd; - uit de gegevens van de strafinformatie blijken enkel aanwijzingen dat de verweerder zijn ereloon en kosten heeft ingehouden op wettelijke basis en conform de contractueel overeengekomen tarieven. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het verrekenen en inhouden van ereloon en kosten niet wederrechtelijk lijkt en geen aanwijzing vormt voor het misdrijf van verduistering door de verweerder. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.32 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de wettelijke bewijswaarde van de bekentenis: de rechter mag de bewijskracht van een geschrift waarnaar hij verwijst niet miskennen; het arrest, dat letterlijk verwijst naar de bekentenis van de verweerder, miskent de bewijswaarde van die bekentenis; het legt die bekentenis naast zich neer; de appelrechters kunnen onmogelijk oordelen dat de handelingen van de verweerder geen verduistering uitmaken.
  14. Artikel 8.32 Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. De bewijskracht en de bewijswaarde van een geschrift zijn twee onderscheiden juridische begrippen. Van een advocaat die houder is van het getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III Wetboek van Strafvordering wordt verwacht dat hij dit onderscheid kent. Een cassatiemiddel dat de begrippen bewijswaarde en bewijskracht door elkaar haalt, is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. In zoverre het onderdeel zowel de miskenning van de bewijswaarde als de miskenning van de bewijskracht van een verklaring van de verweerder aanvoert en die door elkaar haalt, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motivering van het arrest is beperkt tot een loutere overname van de motieven van de beroepen beschikking, zonder dat inhoudelijk wordt ingegaan op de concrete door de eiseres aangevoerde grieven en met name dat er geen voorafgaande factuurafrekening werd opgemaakt, dat de noodzakelijke toestemming van de deelgenoten tot uitbetaling ontbrak en dat de uitbetalingen gebeurden zonder medeweten van de deelgenoten; een loutere verwijzing naar de redenen van de beroepen beschikking volstaat niet; de appelrechters verzuimen hun opdracht zelfstandig te oordelen over de appelgrieven; het arrest laat de eiseres niet toe te begrijpen waarom er geen sprake is van verduistering noch hoe haar middelen werden gewaardeerd.
  17. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op het onderzoeksgerecht dat de rechtspleging regelt.
  18. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat een appelgerecht ter beantwoording van een verweer zich de redenen eigen maakt van een beroepen beslissing. Daaruit volgt geenszins dat de appelrechters niet zelf de appelgrieven hebben beoordeeld.
  19. Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over het hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een buitenvervolgingstelling dient enkel de in de appelconclusie van die burgerlijke partij ontwikkelde verweren te beantwoorden, zonder dat het moet ingaan op elk argument dat louter wordt aangevoerd tot staving van een verweer maar dat zelf geen afzonderlijk verweer vormt. Het onderzoeksgerecht moet immers niet de redenen van zijn redenen opgeven.
  20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  21. De motivering van het arrest is niet louter beperkt tot een overname van de redenen van de beroepen beschikking. Het neemt ook de redenen van de vordering van de procureur-generaal over en bevat ook eigen redenen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  22. Met het geheel van die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest de door het middel bedoelde verweren, zonder dat het dient te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd tot staving van die verweren zonder dat ze een afzonderlijk verweer vormden. Die redenen laten de eiseres ook toe te begrijpen waarom de appelrechters van oordeel zijn dat er onvoldoende grond is om de verweerder te verwijzen naar het vonnisgerecht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: door zich volledig aan te sluiten bij het standpunt van het openbaar ministerie, de middelen van de eiseres niet individueel en afgewogen te beoordelen en het debat op strafrechtelijk gebied af te handelen door een enkele verwijzing naar een achteraf-advies van de Kamer van Notarissen dat de ontvreemde gelden correct werden getarifieerd, wekt het arrest de indruk dat het onderzoeksgerecht niet onpartijdig en onafhankelijk heeft geoordeeld; door te verwijzen naar de redenen van de beroepen beschikking zonder zelf de middelen van de eiseres inhoudelijk te toetsen of zonder duidelijk onderzoek van die middelen creëert het arrest de indruk van een vooringenomen benadering; het niet-beantwoorden van de middelen van de eiseres miskent ook het recht op een eerlijk proces van de eiseres.
  24. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel, moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
  25. Voor het overige kan uit de enkele omstandigheid dat de rechter op gemotiveerde wijze de feitelijke of juridische aanvoering van een partij verwerpt geen gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,71 euro, waarvan 45,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.34 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.