id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.11 Rolnummer: P.25.0319.N Zaak: A. contra FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 470 - laatst gezien 2026-06-15 11:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Wanneer het arrest de eiser veroordeelt voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A (mensensmokkel met verzwarende omstandigheden) en D (betrokkenheid bij een criminele organisatie) tot een straf en er uit de motivering van de aan eiser opgelegde bestraffing niet blijkt dat het arrest hem een andere straf zou hebben opgelegd indien hij zich voor wat betreft het feit omschreven onder de telastlegging A niet aan het voltrokken misdrijf maar slechts aan een strafbare poging had schuldig gemaakt, zodat de voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en D opgelegde bestraffing naar recht verantwoord blijft, is het middel dat aanvoert dat er slechts sprake is van een strafbare poging van het misdrijf mensensmokkel en niet van een voltooid misdrijf bij gebrek aan belang niet ontvankelijk
(1).
(1)Zie Cass. 22 november 1948, Pas. 1948, p. 651; CUYKENS S. en DE HOOGHE G., "La peine légalement et judiciairement justifiée: étude d'une théorie controversée", RDPC 2023/3, 227, nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Schuldigverklaring aan een voltrokken misdrijf - Meerdere feiten - Veroordeling tot straf - Aanvoering dat de feiten een strafbare poging betreffen - Naar recht verantwoorde straf - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - POGING Vrije woorden: Cassatiemiddel - Belang - Schuldigverklaring aan een voltrokken misdrijf - Meerdere feiten - Veroordeling tot straf - Aanvoering dat de feiten een strafbare poging betreffen - Naar recht verantwoorde straf - Gevolg Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Vrije woorden: Poging - Cassatiemiddel - Belang - Schuldigverklaring aan een voltrokken misdrijf - Meerdere feiten - Veroordeling tot straf - Aanvoering dat de feiten een strafbare poging betreffen - Naar recht verantwoorde straf - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.25.0319.N I H. R., alias M. X., alias X. H., beklaagde, eiser. II M. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Floor Ameye, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. III D. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bram Elyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen HET FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN MIGRATIESTROMEN, DE BESCHERMING VAN GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40 bus 40, ON 0254.694.086, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. IV
- B. H., beklaagde, eiser,
- H. R., reeds vermeld, beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, het cassatieberoep IV.1 tegen HET FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN MIGRATIESTROMEN, DE BESCHERMING VAN GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. V M. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen HET FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN MIGRATIESTROMEN, DE BESCHERMING VAN GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I-V zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 januari
- De eiser I-IV.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. De eiser III voert geen middel aan. De eiser IV.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Overeenkomstig artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering moet cassatieberoep in de regel worden ingesteld door een advocaat die houder is van het in die bepaling bedoelde getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures. Het cassatieberoep I dat op 5 februari 2025 is ingesteld door de eiser I zelf, is niet ontvankelijk.
- Overeenkomstig artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet. Het cassatieberoep IV.2, door de raadsman van deze eiser ingesteld op 13 februari 2025 en derhalve na het voormelde cassatieberoep I, is niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, zoals nochtans is vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke vordering van de verweerster tegen de eiser III, is zijn cassatieberoep niet ontvankelijk.
- Het arrest spreekt de eiser IV.1 vrij voor de incriminatieperiode van 12 oktober 2021 tot en met 5 juli 2022 omschreven onder de telastleggingen A en D en spreekt eiser V vrij voor de incriminatieperiode van 1 augustus 2021 tot en met 29 april 2022 en 1 mei 2022 tot en met 5 juli 2022 wat betreft de telastleggingen A en D. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers IV.1 en V gericht zijn tegen deze beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I-IV.2
- Gelet op de niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eiser I-IV.2 behoeft de memorie van deze eiser, die geen verband houdt met de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen, geen antwoord. Middelen van de eiser IV.1 Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: de appelrechters nemen ten onrechte aan dat wat de eiser I-IV.2 in zijn appelconclusie, neergelegd op de rechtszitting van 11 december 2024, opwierp niet aantoont dat de onderzoekers zich ten aanzien van de beklaagden partijdig hebben opgesteld of het vermoeden van onschuld hebben miskend; de eiser I-IV.2 werd na een tussenvonnis van de correctionele rechtbank te Brugge op eigen vraag herverhoord door de politie; het vermoeden van onschuld werd echter op stelselmatige wijze miskend door een veroordelende houding van de verbalisanten in hun processen-verbaal; er ontstaat minstens een schijn dat het onderzoek op eenzijdige wijze werd gevoerd.
- Het middel dat nalaat alle uitvoerige redenen op de pagina’s 25 tot en met 29 van het arrest over “de beweerde vooringenomen houding en partijdigheid van de onderzoekers” (nr. 1.1) in zijn kritiek te betrekken, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld en het loyaliteitsbeginsel: de appelrechters verzochten het openbaar ministerie op de rechtszitting van 15 mei 2024 om de uitlezing van de gsm’s van de eiser I-IV.2 als overtuigingsstuk neer te leggen, zodat de verdediging hiervan kennis kon nemen; het openbaar ministerie ging over tot de neerlegging van een cd-rom als overtuigingsstuk; er diende echter te worden vastgesteld dat slechts de uitlezing van één gsm werd gevoegd, terwijl er verschillende gsm-toestellen en sim-kaarten in beslag werden genomen bij de huiszoeking door de Britse autoriteiten; de eiser I-IV.2 verzocht de appelrechters andermaal om de uitlezing van de overige gsm’s te laten voegen; de appelrechters gaan ten onrechte niet in op dit verzoek omdat de noodzaak van de integrale uitlezing van alle gsm’s niet aannemelijk zou worden gemaakt en deze onderzoekshandelingen niet te verantwoorden zouden zijn in verhouding tot het redelijkerwijs te verwachten resultaat (eerste onderdeel); de eiser I-IV.2 verzocht in zijn op de rechtszitting van 11 december 2024 neergelegde appelconclusie dat de uitlezing van het gsm-toestel zou worden vertaald, nu geen enkel bericht in het Nederlands is opgesteld, maar in een taal die vreemd is aan de raadslieden en aan de appelrechters; door de eiser I-IV.2 werd een oplijsting gemaakt van de noodzakelijk te vertalen gesprekken, teneinde zijn recht van verdediging te kunnen vrijwaren; de appelrechters oordelen ten onrechte dat dit verzoek niet toelaatbaar is en niet essentieel is voor een eerlijke procesvoering (tweede onderdeel).
- Het middel dat nalaat alle uitvoerige redenen op de pagina’s 29 tot en met 36 van het arrest over “het verzoek tot integrale uitlezing en vertaling van alle gsm-toestellen” (nr. 1.2) in zijn kritiek te betrekken, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: de appelrechters verzochten op de rechtszitting van 15 mei 2024 de JIT-overeenkomst, alsook alle daarbij bepaalde onderzoeksdaden te voegen aan het strafdossier; deze JIT-overeenkomst werd door het openbaar ministerie gevoegd maar niet vertaald; daarnaast wordt in de JIT-overeenkomst verwezen naar een strafrechtelijk onderzoek dat werd gevoerd door de Britse autoriteiten; uit de omschrijving van het Britse strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de verklaring van de eiser I-IV.2 zou kunnen overeenstemmen met de werkelijkheid; de eiser I-IV.2 verzocht in zijn op de rechtszitting van 11 december 2024 neergelegde appelconclusie om deze stukken te voegen; de appelrechters gaan ten onrechte niet in op deze vraag omdat niet aannemelijk zou worden gemaakt dat de voeging is vereist voor de eerbiediging van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces van de eiser I-IV.
- Het middel dat nalaat alle uitvoerige redenen op de pagina’s 37 tot en met 40 van het arrest over “het verzoek tot voeging van de stukken afkomstig van het Verenigd Koninkrijk, alsook van de JIT-overeenkomst en stukken waarvan melding wordt gemaakt in de JIT-overeenkomst” (nr. 1.3) in zijn kritiek te betrekken, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Middelen van de eiser V Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 77bis Vreemdelingenwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: de appelrechters laten na om het bestaan van alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf van mensensmokkel vast te stellen; zij stellen niet vast dat de personen die het slachtoffer zijn van de mensensmokkel niet-EU-onderdanen zijn; zij stellen ook niet vast dat deze slachtoffers het grondgebied van de Europese Unie binnenkomen, erdoor reizen of aldaar verblijven; zij stellen evenmin vast dat het Verenigd Koninkrijk, dat op de dag van de aangenomen incriminatie geen lidstaat meer was van de Europese Unie, gebonden was door enige internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen.
- Bij afwezigheid van een specifieke betwisting over het voldaan zijn aan een of meerdere constitutieve bestanddelen van een aan een beklaagde ten laste gelegd misdrijf, stelt de rechter die de beklaagde schuldig verklaart als dader of mededader van dat misdrijf in de bewoordingen van de strafwet, het bestaan van alle constitutieve bestanddelen van dat misdrijf vast. Hij is op grond van de motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet niet verplicht in dat geval het bestaan van die constitutieve bestanddelen in het bijzonder te motiveren, noch specifiek een positieve handeling van de beklaagde aan te wijzen waaruit hij het voorhanden zijn van die constitutieve bestanddelen afleidt. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat deze eiser de constitutieve bestanddelen van het misdrijf mensensmokkel specifiek heeft betwist. Met de redenen van het arrest op de pagina’s 46 tot en met 48 is de beslissing over de schuldigverklaring van de eiser V als dader of mededader aan het misdrijf mensensmokkel, voorwerp van de telastlegging A, omschreven in de bewoordingen van de strafwet, dan ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 77bis en 77quater Vreemdelingenwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: de appelrechters stellen ten onrechte eenvoudigweg dat de criminele organisatie zich inhield met de verzwarende omstandigheden van het misdrijf van de telastlegging A en dat de eiser V, wegens zijn link met deze criminele organisatie, ook op de hoogte was van al deze verzwarende omstandigheden; hiermee is echter niet bewezen dat de eiser V kennis had van al de verzwarende omstandigheden van het misdrijf van de telastlegging A, waaraan hij zou hebben deelgenomen op één welbepaalde dag (eerste onderdeel); de appelrechters stellen ook niet vast dat deze verzwarende omstandigheden zich hebben voorgedaan op deze ene incriminatiedag (tweede onderdeel); de appelrechters stellen evenmin vast dat de eiser V deze verzwarende omstandigheden zou hebben aanvaard (derde onderdeel).
- Een onjuiste motivering levert mogelijks een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 47) oordeelt onder meer dat aangezien de eiser V een onmiddellijke link had met de criminele organisatie die professioneel was georganiseerd en op grote schaal handelde, nu de kopie van zijn verhoor bij één van de leidende personen M.D. werd gevonden, het geen twijfel lijdt dat hij op de hoogte was van alle onder de telastlegging A voorziene verzwarende omstandigheden van de mensensmokkel, waaraan hij zijn onmiskenbare hulp verleende op 30 april 2022, met inbegrip van de omstandigheid dat hiervan een gewoonte werd gemaakt en dat het misdrijf werd gepleegd ten opzichte van minderjarigen. Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat de verzwarende omstandigheden van de telastlegging A de eiser V gekend waren, hij deze aanvaardde en dat zij voor hem bewezen zijn op de incriminatiedag 30 april
- In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 51 Strafwetboek en de artikelen 77bis en 77quater Vreemdelingenwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: de appelrechters oordelen dat er een voltooid misdrijf van mensensmokkel is, maar stellen eveneens vast dat de handeling van de eiser V werd gestaakt ingevolge de tussenkomst van de politie; zij hadden moeten vaststellen dat er sprake was van een strafbare poging en niet van een voltooid misdrijf.
- Het arrest veroordeelt de eiser V voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A (mensensmokkel met verzwarende omstandigheden) en D (betrokkenheid bij een criminele organisatie) gesitueerd op 30 april 2022 tot straf. Er blijkt uit de motivering van de aan de eiser V opgelegde bestraffing niet dat het arrest hem een andere straf zou hebben opgelegd indien hij zich voor wat betreft het feit omschreven onder de telastlegging A niet aan het voltrokken misdrijf maar slechts aan een strafbare poging had schuldig gemaakt, zodat de voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en D opgelegde bestraffing naar recht verantwoord blijft. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent afstand van het cassatieberoep van de eiser V zoals voormeld. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 531,90 euro, waarvan elk cassatieberoep 106,38 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div