← België

B. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à décharge - Waarheidsgetrouw karakter verklaring slachtoffer seksueel misbruik - Afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige - Verantwoording - Drievragentest - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Voor wat betreft het antwoord op de eerste vraag is niet alleen van belang of het verhoor van een getuige à décharge van aard is om het resultaat van het strafproces te beïnvloeden, maar ook of redelijkerwijze kan worden verwacht dat dit verhoor de positie van de verdediging zal versterken; bij die beoordeling moeten de concrete omstandigheden van de zaak worden betrokken en kunnen onder meer de stand en de voortgang van de procedure, de door de partijen gevolgde strategie en hun houding in het strafproces in aanmerking worden genomen

(1).
(1)Cass. 21 november 2023, AR P.23.1001.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Recht op het horen van getuigen à décharge - Relevantie voor het voorwerp van de beschuldiging - Beïnvloeding van het resultaat van het strafproces - Versterking van de positie van de verdediging - Beoordelingscriteria - Concrete omstandigheden van de zaak - Waarheidsgetrouw karakter verklaring slachtoffer seksueel misbruik - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à décharge - Relevantie voor het voorwerp van de beschuldiging - Beïnvloeding van het resultaat van het strafproces - Versterking van de positie van de verdediging - Beoordelingscriteria - Concrete omstandigheden van de zaak - Waarheidsgetrouw karakter verklaring slachtoffer seksueel misbruik - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Voor wat betreft het antwoord op de tweede vraag is te benadrukken dat uit artikel 6.3.d EVRM niet kan worden afgeleid dat op elk verzoek van een beklaagde om een getuige à décharge te horen op de rechtszitting moet worden ingegaan, maar het staat aan de rechter om in het licht van de door de beklaagde aangehaalde motieven en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak de noodzaak van het horen van de getuige à décharge te beoordelen en op dat verzoek en de mate waarin het is onderbouwd een adequaat antwoord te verstrekken, zonder dat is vereist dat op elk detail van de onderbouwing moet worden ingegaan; die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke en juridische onmogelijkheid om de getuige à décharge te horen, de relatie die de getuige à décharge had of heeft met de beklaagde of met andere bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige à décharge af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid en het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige à décharge wil horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert

(1).
(1)Cass. 21 november 2023, AR P.23.1001.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Recht op het horen van getuigen à décharge - Geen verplichting voor de rechter - Onderzoek van de noodzaak om een getuige à décharge op de rechtszitting te horen - Beoordelingscriteria - Concrete omstandigheden van de zaak - Waarheidsgetrouw karakter verklaring slachtoffer seksueel misbruik - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à décharge - Geen verplichting voor de rechter - Onderzoek van de noodzaak om een getuige à décharge op de rechtszitting te horen - Beoordelingscriteria - Concrete omstandigheden van de zaak - Waarheidsgetrouw karakter verklaring slachtoffer seksueel misbruik - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 8 Het enkele feit dat een getuige à décharge een verklaring kan afleggen die van aard kan zijn om het resultaat van het strafproces te beïnvloeden of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat die de positie van de verdediging van de beklaagde zal versterken, verplicht de rechter daarom nog niet om die getuige à décharge op de rechtszitting te horen, maar bij een weigering een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dient de rechter in elk geval te onderzoeken of het recht op een eerlijk proces van die beklaagde in zijn geheel beschouwd daardoor niet is aangetast

(1).
(1)Cass. 21 november 2023, AR P.23.1001.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Recht op het horen van getuigen à décharge - Geen verplichting voor de rechter - Weigering - Motivering - Aantasting van het recht op een eerlijk proces in zijn geheel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à décharge - Geen verplichting voor de rechter - Weigering - Motivering - Aantasting van het recht op een eerlijk proces in zijn geheel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0268.N M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 75c, waar de eiser woonplaat kiest, tegen J. M.D.ST.A., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 januari

  1. De eiser voert in memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de afwijzing van de verzoeken van de eiser tot het horen van M.M. en P.M. als getuigen of de voorlegging van de integrale strafdossiers met betrekking tot de eerdere klachten van de verweerster op grond van de overweging dat niet valt in te zien hoe dit de procespositie van de eiser zou kunnen versterken, is niet naar recht verantwoord; voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de verweerster is het van belang te weten of zij in het verleden reeds onterechte beschuldigingen heeft geuit met betrekking tot seksueel misbruik; die verhoren en die voeging hadden wel degelijk de procespositie van de verdediging kunnen versterken nu daaruit kon blijken dat de beschuldigingen die de verweerster in het verleden heeft geuit wegens seksueel misbruik geheel valselijk of onterecht waren; het gegeven dat die strafdossiers werden geseponeerd of niet tot een bewezenverklaring hebben geleid, kan niet het besluit wettigen dat de inwilliging van eisers verzoek zijn procespositie niet kan versterken.
  4. Uit artikel 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter het verzoek van een beklaagde om een getuige à décharge te horen op de rechtszitting moet beoordelen aan de hand van een drievragentest: - eerste vraag: is het verzoek om de getuige à décharge te horen voldoende onderbouwd en is het getuigenverhoor relevant voor het voorwerp van de beschuldiging; - tweede vraag: is de relevantie van het getuigenverhoor voldoende in aanmerking genomen en zijn er afdoende gronden voor de beslissing om de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting; - derde vraag: tast de weigering de getuige à décharge te horen de eerlijkheid van het proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aan.
  5. Voor wat betreft het antwoord op de eerste vraag is niet alleen van belang of het verhoor van een getuige à décharge van aard is om het resultaat van het strafproces te beïnvloeden, maar ook of redelijkerwijze kan worden verwacht dat dit verhoor de positie van de verdediging zal versterken. Bij die beoordeling moeten de concrete omstandigheden van de zaak worden betrokken en kunnen onder meer de stand en de voortgang van de procedure, de door de partijen gevolgde strategie en hun houding in het strafproces in aanmerking worden genomen.
  6. Voor wat betreft het antwoord op de tweede vraag is te benadrukken dat uit artikel 6.3.d EVRM niet kan worden afgeleid dat op elk verzoek van een beklaagde om een getuige à décharge te horen op de rechtszitting moet worden ingegaan. Het staat aan de rechter om in het licht van de door de beklaagde aangehaalde motieven en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak de noodzaak van het horen van de getuige à décharge te beoordelen en op dat verzoek en de mate waarin het is onderbouwd een adequaat antwoord te verstrekken, zonder dat is vereist dat op elk detail van de onderbouwing moet worden ingegaan.
  7. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke en juridische onmogelijkheid om de getuige à décharge te horen, de relatie die de getuige à décharge had of heeft met de beklaagde of met andere bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige à décharge af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid en het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige à décharge wil horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert.
  8. Het enkele feit dat een getuige à décharge een verklaring kan afleggen die van aard kan zijn om het resultaat van het strafproces te beïnvloeden of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat die de positie van de verdediging van de beklaagde zal versterken, verplicht de rechter daarom nog niet om die getuige à décharge op de rechtszitting te horen.
  9. Bij een weigering een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dient de rechter in elk geval te onderzoeken of het recht op een eerlijk proces van die beklaagde in zijn geheel beschouwd daardoor niet is aangetast.
  10. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  11. De eiser heeft gevraagd om M.M. en P.M., zijnde de vader en de grootvader van de verweerster, als getuige te horen, minstens het openbaar ministerie te verzoeken om twee integrale strafdossiers over te leggen. Deze dossiers hebben betrekking op klachten die de verweerster in het verleden heeft ingediend wegens seksueel misbruik door haar vader en grootvader. De eiser houdt voor dat de verklaringen van de verweerster op meerdere punten niet kloppen of kunnen kloppen, zodat het voor de waarheidsvinding van belang is te weten of de verweerster in het verleden reeds onterechte beschuldigingen heeft geuit met betrekking tot seksueel misbruik.
  12. Het arrest verwerpt bij de beoordeling van de eerste vraag van de drievragentest het verzoek van de eiser op de volgende gronden: - de personen van wie het verhoor wordt gevraagd, waren geen getuigen van de feiten die thans ter beoordeling voorliggen; - er wordt niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode na de feiten nog contact hadden met de verweerster; - de eerdere klachten zouden betrekking hebben op beweerde feiten uit 2008 en 2014, dit is meer dan tien jaar geleden, en tot een onderzoek hebben geleid dat werd opgestart in 2015; - het ene strafdossier blijkt te zijn geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en een tweede strafdossier werd toegestuurd aan het Nederlandse openbaar ministerie en heeft er niet geleid tot een bewezenverklaring; - het hof van beroep acht zich door de stukken die door de verweerster werden overgelegd met betrekking tot die eerdere klachten voldoende geïnformeerd.
  13. Op grond van deze redenen kunnen de appelrechters niet wettig oordelen dat het horen van de twee personen tegen wie de verweerster in het verleden onterechte klachten wegens seksueel misbruik zou hebben ingediend, de procespositie van de verdediging niet kan versterken. De verdediging houdt immers voor dat de eiser ten onrechte wordt beschuldigd van feiten van seksueel misbruik. Noch het gegeven dat deze twee personen geen getuige waren van de feiten die thans ter beoordeling voorliggen, noch het gegeven dat de eerdere feiten dateren van meer dan tien jaar geleden noch het gegeven dat de ter zake aangelegde strafdossiers niet tot een bewezenverklaring hebben geleid, zijn op dit punt immers relevant.
  14. Het arrest grondt bij de beoordeling van de tweede vraag van de drievragentest de afwijzing van het verzoek van de eiser op het gegeven dat de personen van wie het verhoor wordt gevraagd, werden geviseerd in de door de verweerster geuite klachten, op de animositeit die er kan bestaan tussen deze personen en de verweerster, op de familiale band tussen hen en de verweerster en op het tijdsverloop sinds de feiten.
  15. Ook op grond van deze redenen kunnen de appelrechters niet wettig het verzoek van de eiser afwijzen. Deze redenen impliceren immers dat nooit het verhoor kan worden gevraagd van een persoon tegen wie een procespartij een klacht heeft gericht of van een persoon met familiale bindingen met een procespartij. Ook het tijdsverloop kan de afwijzing van het verzoek van een verhoor dat betrekking heeft op het al dan niet hebben geuit van valse beschuldigingen niet verantwoorden. Deze redenen kunnen bovendien onmogelijk de afwijzing van het verzoek om voeging van de integrale strafdossiers verantwoorden.
  16. Het middel is gegrond. Overige middelen
  17. De middelen die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  18. De vernietiging van de met het eerste middel bekritiseerde beslissing, leidt tot de vernietiging van de beslissingen over de straf- en burgerlijke vordering die er een gevolg van zijn en dit ongeacht het niet-definitief karakter van de beslissing op de burgerlijke vordering. Ze laat de beslissingen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het openbaar ministerie en betreffende de saisine van het appelgerecht onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen en het de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 954,11 euro, waarvan 403,32 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.