id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik als getuige - Slachtoffer dat zich burgerlijke partij stelt - Verhoor als procespartij - Eerbiediging van het recht op een eerlijk proces - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik als getuige - Slachtoffer dat zich burgerlijke partij stelt - Verhoor als procespartij - Eerbiediging van het recht op een eerlijk proces - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik als getuige - Slachtoffer dat zich burgerlijke partij stelt - Verhoor als procespartij - Eerbiediging van het recht op een eerlijk proces - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 De rechter kan de afwijzing van het verzoek van een beklaagde om een slachtoffer van beweerde seksuele misdrijven als getuige op de rechtszitting onder eed te horen, verantwoorden door de impact die het horen op de rechtszitting kan hebben op de psychische toestand van dat slachtoffer; hij kan hierbij onder meer rekening houden met de leeftijd van het slachtoffer en zijn mentale toestand, de periode die is verstreken sinds de feiten, de relatie of de familieband die er bestaat tussen het slachtoffer en de beklaagde of de therapie die het slachtoffer volgt als gevolg van de beweerde misdrijven, maar de loutere omstandigheid dat het verzoek van een beklaagde tot het horen of verhoren op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd, betrekking heeft op het slachtoffer van het beweerde seksuele misdrijf waarvoor hij wordt vervolgd, volstaat als zodanig evenwel niet om de afwijzing van dat verzoek te verantwoorden en hetzelfde geldt voor de louter theoretische mogelijkheid dat het slachtoffer negatieve gevolgen zou kunnen ondervinden van een verhoor op de rechtszitting; de rechter dient immers concrete elementen te vermelden waaruit hij afleidt dat er ernstige redenen zijn om niet in te gaan op het verzoek van een beklaagde tot het horen op de rechtszitting van een getuige die belastende verklaringen heeft afgelegd; het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de drie criteria voor het horen van getuigen à charge juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing
(1).
(1)Zie Cass. 8 april 2025, AR P.25.0002.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik - Afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige - Verantwoording - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik - Afwijzing van het verzoek tot het horen van slachtoffer van seksueel misbruik als getuige - Verantwoording - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik - Afwijzing van het verzoek tot het horen van slachtoffer van seksueel misbruik als getuige - Verantwoording - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Getuigen - Recht op horen van getuigen à charge - Slachtoffer van seksueel misbruik - Afwijzing van het verzoek tot het horen van slachtoffer van seksueel misbruik als getuige - Verantwoording - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 10 Op grond van artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering dient de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen te vermelden waarom hij, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, een bepaalde straf of maatregel uitspreekt, waarbij hij bovendien ook de maat voor elke uitgesproken straf of maatregel dient te rechtvaardigen; de rechter mag in het licht van die verplichting bij de straftoemetingsbeslissing alle feitelijke gegevens betrekken die een licht werpen op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd en de gevolgen ervan, alsook op alle relevante gegevens betreffende de persoonlijkheid van de beklaagde en hij kan bijgevolg bij het bepalen van een gepaste straf rekening houden met het gegeven dat de beklaagde uit een eerdere veroordeling wegens gelijkaardige misdrijven geen lessen heeft getrokken maar dat laatste is evenwel niet mogelijk wanneer de misdrijven waarvoor de rechter de beklaagde veroordeelt, werden gepleegd vóór die eerdere veroordeling. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Motivering - Veroordelend vonnis dat dateert van na de feiten - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Straftoemeting - Motivering - Veroordelend vonnis dat dateert van na de feiten - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0617.N L. D., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen N. V., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 maart 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerder, aangezien het arrest met betrekking tot die vordering het beroepen vonnis bevestigt en de zaak voor verdere afhandeling op burgerrechtelijk gebied naar de eerste rechter verwijst, die de eiser heeft veroordeeld tot een provisionele schadevergoeding van één euro en een arts als deskundige heeft aangesteld alvorens verder te oordelen, zodat geen eindbeslissing voorligt in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging. Het eerste onderdeel voert aan dat de appelrechters, die de eiser veroordelen wegens verkrachting van de verweerder (telastlegging C) en wegens aanranding van de eerbaarheid van S.D. (telastlegging D) met het oordeel dat er niet moet worden ingegaan op eisers verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van de verweerder en van S.D. als getuigen à charge, de bewezenverklaring van de telastleggingen C en D niet naar recht verantwoorden; de enkele vaststelling dat deze personen morele en emotionele schade zouden kunnen lijden en gevaar lopen op secundaire victimisatie omdat zij op het ogenblik van de feiten kwetsbare, geplaatste jongeren waren, volstaat niet als verantwoording van de beslissing dat er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van deze getuigen, wat bovendien vereist dat daar voldoende compenserende waarborgen tegenover staan; het recht van verdediging van een beklaagde van een seksueel misdrijf moet in overeenstemming worden gebracht met de bescherming van het slachtoffer, zeker wanneer dat een minderjarige is; de feiten hebben zich voorgedaan op een ogenblik dat de slachtoffers een leeftijd hadden van veertien tot zestien jaar, terwijl de verweerder tijdens het gerechtelijk onderzoek werd ondervraagd eind 2019, ruim twaalf jaar na de feiten en op een ogenblik dat hij reeds achtentwintig jaar was, en S.D. tijdens het gerechtelijk onderzoek werd ondervraagd in oktober 2020, dit is meer dan dertien jaar na de feiten en op een ogenblik dat hij reeds 29 jaar oud was; het verzoek tot het horen van de voormelde getuigen wordt aldus verworpen op grond van een motivering die in elke zaak van seksueel misbruik van minderjarigen kan worden aangevoerd. Het tweede onderdeel voert aan dat de appelrechters eisers verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van de verweerder en van S.D. als getuigen à charge niet konden afwijzen door te oordelen dat er vragen kunnen worden gesteld bij de relevantie om hen op de rechtszitting te horen; de appelrechters merken in dit verband immers niet pertinent op dat de tijdens het gerechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen van de verweerder en S.D. diametraal staan tegenover de verklaringen van de eiser en het zeer aannemelijk is dat zij hun verklaringen niet zullen wijzigen, alsook dat eventuele tegenstrijdigheden in hun verklaringen te wijten zouden kunnen zijn aan het tijdsverloop of een verdringing; de verklaringen van de verweerder en S.D. waren bovendien van doorslaggevend belang voor de bewezenverklaring van de telastleggingen C en D. Het derde onderdeel voert aan dat de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van de verweerder en van S.D. als getuigen à charge niet naar recht verantwoord is, omdat de appelrechters hierbij geen rekening houden met de omstandigheid dat zij de bewezenverklaring van de telastleggingen C en D op een doorslaggevende wijze steunen op de verklaringen die de verweerder en S.D. tijdens het gerechtelijk onderzoek hebben afgelegd. 3. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 4. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 5. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met het voormelde, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 6. Deze regeling is ook van toepassing indien de tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaringen uitgaan van een slachtoffer dat zich burgerlijke partij heeft gesteld in de zaak waarin de beklaagde wordt vervolgd, met dien verstande evenwel dat een burgerlijke partij in beginsel als een procespartij en niet als een getuige onder eed wordt gehoord. Het recht op een eerlijk proces van de beklaagde waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, kan dan ook worden gewaarborgd door de mogelijkheid die de beklaagde heeft om de rechter te verzoeken om op de rechtszitting met de burgerlijke partij te worden geconfronteerd en alle vragen te stellen of opmerkingen te formuleren ter weerlegging, aanpassing of verduidelijking van de door die burgerlijke partij tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaringen. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 10 februari 2025 blijkt dat de verweerder als burgerlijke partij persoonlijk aanwezig was op die rechtszitting en door het hof van beroep werd gehoord. Er blijkt uit dit proces-verbaal niet dat de eiser of zijn raadsman op deze rechtszitting hebben verzocht om de verweerder te verhoren, hem bepaalde vragen te stellen of hem met bepaalde gegevens te confronteren. Gelet op de mogelijkheid die de eiser aldus had om de verweerder op de rechtszitting van 10 februari 2025 te doen verhoren en hem te confronteren met de gegevens die hij nuttig achtte, is de beslissing van het arrest om niet in gaan op het verzoek van de eiser tot het verhoren van de verweerder naar recht verantwoord. In zoverre het middel betrekking heeft op de afwijzing van eisers verzoek tot het horen van de verweerder als getuige op de rechtszitting, kan het bijgevolg niet worden aangenomen. 9. De rechter kan de afwijzing van het verzoek van een beklaagde om een slachtoffer van beweerde seksuele misdrijven als getuige op de rechtszitting onder eed te horen, verantwoorden door de impact die het horen op de rechtszitting kan hebben op de psychische toestand van dat slachtoffer. Hij kan hierbij onder meer rekening houden met de leeftijd van het slachtoffer en zijn mentale toestand, de periode die is verstreken sinds de feiten, de relatie of de familieband die er bestaat tussen het slachtoffer en de beklaagde of de therapie die het slachtoffer volgt als gevolg van de beweerde misdrijven. 10. De loutere omstandigheid dat het verzoek van een beklaagde tot het horen of verhoren op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd, betrekking heeft op het slachtoffer van het beweerde seksuele misdrijf waarvoor hij wordt vervolgd, volstaat als zodanig evenwel niet om de afwijzing van dat verzoek te verantwoorden. Hetzelfde geldt voor de louter theoretische mogelijkheid dat het slachtoffer negatieve gevolgen zou kunnen ondervinden van een verhoor op de rechtszitting. De rechter dient immers concrete elementen te vermelden waaruit hij afleidt dat er ernstige redenen zijn om niet in te gaan op het verzoek van een beklaagde tot het horen op de rechtszitting van een getuige die belastende verklaringen heeft afgelegd. 11. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 12. Het arrest (p. 12) wijst het horen van S.D. als getuige op de rechtszitting af op grond van de volgende redenen: - er moet worden gewezen op de morele en emotionele schade die hij hierdoor “zou(…) kunnen lijden” en het gevaar op een “mogelijk” secundaire victimisatie, te meer omdat hij ten tijde van de feiten een kwetsbare, geplaatste jongere was die reeds in een zeer problematische situatie verkeerde en voor wie het afleggen van de belastende verklaringen ten aanzien van de verbalisanten zeer moeilijk was; - er kunnen vragen worden gesteld omtrent de relevantie om S.D. te horen, want zijn verklaringen staan diametraal tegenover deze van de eiser, waarbij het zeer aannemelijk is dat hij de inhoud van zijn verklaringen niet zal wijzigen naar aanleiding van een verhoor op de rechtszitting; - het feit dat de eiser S.D. wil confronteren met bepaalde tegenstrijdigheden, bijzonderheden of leemtes in zijn verklaringen, die evenzeer te wijten zouden kunnen zijn aan het tijdsverloop of een verdringing, is redelijkerwijs niet van aard de kern van zijn getuigenis aan te tasten; - de eiser heeft zijn argumenten in verband met bepaalde details in de verklaringen van de getuigen à charge, die volgens hem niet correct zijn, zowel in conclusie als mondeling op de rechtszitting toegelicht en heeft vrij tegenspraak kunnen voeren over alle stukken, waaronder de verhoren van de getuigen in het vooronderzoek, zodat er voldoende compenserende factoren aanwezig waren. Op grond van die redenen, waaruit niet blijkt op grond van welke concrete feitelijke omstandigheden er ernstige redenen zouden zijn om S.D. niet te verhoren op de rechtszitting, kan het arrest niet wettig oordelen dat eisers verzoek tot het verhoren van S.D. op de rechtszitting moet worden afgewezen. Het middel is in zoverre gegrond. Eerste ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. 13. Op grond van artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering dient de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen te vermelden waarom hij, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, een bepaalde straf of maatregel uitspreekt, waarbij hij bovendien ook de maat voor elke uitgesproken straf of maatregel dient te rechtvaardigen. De rechter mag in het licht van die verplichting bij de straftoemetingsbeslissing alle feitelijke gegevens betrekken die een licht werpen op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd en de gevolgen ervan, alsook op alle relevante gegevens betreffende de persoonlijkheid van de beklaagde. 14. De rechter kan bijgevolg bij het bepalen van een gepaste straf rekening houden met het gegeven dat de beklaagde uit een eerdere veroordeling wegens gelijkaardige misdrijven geen lessen heeft getrokken. Dat laatste is evenwel niet mogelijk wanneer de misdrijven waarvoor de rechter de beklaagde veroordeelt, werden gepleegd vóór die eerdere veroordeling. 15. Uit het arrest blijkt dat: - de eiser schuldig is aan verkrachting van de verweerder (telastlegging C) en aanranding van de eerbaarheid van S.D. (telastlegging D), gepleegd in de periode van 1 september 2005 tot en met 15 juli 2007; - de eiser bij vonnis van 14 november 2012 van de correctionele rechtbank te Gent werd veroordeeld wegens onder meer zedenfeiten die hij in 2001 heeft gepleegd; - de feiten van de voormelde telastleggingen C en D enerzijds en de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld bij het voormelde vonnis van 14 november 2012 anderzijds, volgens de appelrechters de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet. 16. Het arrest (p. 22, nr. 4.13) oordeelt met betrekking tot de telastleggingen C en D dat “een bijkomende bestraffing vereist is” omdat de eiser “na zijn veroordeling wegens de door hem gepleegde zedenfeiten in 2001 (diende) te beseffen dat hij afstand moest nemen van minderjarigen, wat hij bewust niet deed en zijn parafiele problematiek bevestigt”. Aldus houden de appelrechters bij de aan de eiser opgelegde bijkomende bestraffing voor de telastleggingen C en D rekening met het feit dat hij geen of onvoldoende lessen heeft getrokken uit het vonnis van 14 november 2012, terwijl dit vonnis nog niet was gewezen op het ogenblik dat hij de feiten, voorwerp van de telastleggingen C en D, heeft gepleegd. De beslissing over de straftoemeting met betrekking tot de telastleggingen C en D is dan ook niet naar recht verantwoord. Tweede ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2, tweede lid, Strafwetboek; - artikel 1 Wet Opdeciemen, zoals gewijzigd door artikel 2 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen inzake justitie (II), dat ingevolge artikel 3 van die wet op 1 januari 2012 in werking is getreden. 17. Het arrest veroordeelt de eiser voor de feiten van de telastlegging E, gepleegd in de periode van 1 juni 2013 tot en met 17 juni 2016, tot een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van 100 euro, verhoogd met zeventig opdeciemen tot 800 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. 18. Op het tijdstip van de bewezenverklaarde feiten van de telastlegging E bedroeg het aantal in acht te nemen decimes ingevolge de in het ambtshalve middel vermelde bepalingen vijftig. Ingevolge de artikelen 59 en 60 van de Programmawet van 25 december 2016 bedraagt het in aanmerking te nemen aantal decimes vanaf 1 januari 2017 zeventig. Die verhoging is evenwel niet van toepassing op vóór die datum gepleegde feiten. 19. Het arrest dat de aan de eiser opgelegde geldboete voor de telastlegging E verhoogt met zeventig in plaats van met vijftig decimes, schendt de in het middel vermelde bepalingen. Overige grieven 20. De grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals vermeld. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - de eiser schuldig verklaart aan de telastlegging D; - de eiser voor de telastleggingen C en D tot straf veroordeelt; - de geldboete voor de telastlegging E verhoogt met meer dan vijftig decimes. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing in zoverre de geldboete voor de telastlegging E werd verhoogd met meer dan vijftig decimes. Verwijst de aldus beperkte zaak voor het overige naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 862,13 euro waarvan 329,56 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div