← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.25 Rolnummer: P.25.0641.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 424 - laatst gezien 2026-06-18 03:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Ingeval van cassatie met verwijzing moet de rechter naar wie de zaak door het Hof is verwezen binnen de grenzen van de verwijzing de zaak opnieuw beoordelen en daaruit volgt dat de rechter op verwijzing niet moet antwoorden op een conclusie die werd ingediend in de aan het cassatiearrest voorafgaande procedure, tenzij die partij die conclusie in de procedure na verwijzing heeft hernomen. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Strafzaken - Verplichting tot het beantwoorden van regelmatig ingediende conclusie - Cassatie met verwijzing - Procedure na verwijzing - Conclusie neergelegd in de procedure vóór het cassatiearrest - Grens Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Allerlei Vrije woorden: Cassatie met verwijzing - Procedure na verwijzing - Verplichting tot het beantwoorden van regelmatig ingediende conclusie - Conclusie neergelegd in de procedure vóór het cassatiearrest - Grens Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verplichting tot het beantwoorden van regelmatig ingediende conclusie - Cassatie met verwijzing - Procedure na verwijzing - Conclusie neergelegd in de procedure vóór het cassatiearrest - Grens Tekst van de beslissing Nr. P.25.0641.N H. D., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 maart 2025, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 4 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser geen verweer heeft ontwikkeld betreffende zijn schuld aan de telastleggingen miskent het arrest de op 16 januari 2024 ingediende conclusie waarin die schuld wel degelijk werd betwist; minstens antwoordt het arrest niet op dit verweer.
  3. Ingeval van cassatie met verwijzing moet de rechter naar wie de zaak door het Hof is verwezen binnen de grenzen van de verwijzing de zaak opnieuw beoordelen. Daaruit volgt dat de rechter op verwijzing niet moet antwoorden op een conclusie die werd ingediend in de aan het cassatiearrest voorafgaande procedure, tenzij die partij die conclusie in de procedure na verwijzing heeft hernomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Er blijkt niet dat de eiser in de procedure na verwijzing door het Hof de conclusie van 16 januari 2024 heeft hernomen. Het appelgerecht diende na verwijzing die conclusie dan ook niet te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  5. De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de conclusie van 16 januari 2024 is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat het geactualiseerde verslag van dr. H. en het tweede deskundigenverslag van psycholoog M. niet volstonden als basis om hem te interneren; daarbij werd verwezen naar de verslagen van dr. D. en psycholoog A. betreffende deze verslagen en de afwezigheid van de reactie op die opmerkingen; op dit verweer antwoordt het arrest niet.
  7. De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over een vordering tot internering dient de in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkelde verweren te beantwoorden, zonder dat zij evenwel moet ingaan op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, maar dat zelf geen afzonderlijk verweer vormt. De kamer van inbeschuldigingstelling moet immers niet de redenen van haar redenen opgeven.
  8. Het arrest oordeelt met betrekking tot het geactualiseerd verslag van dr. H. en het tweede deskundigenverslag van psycholoog M. en de daarop geuite kritiek door de eiser met verwijzing naar de verslagen van dr. D. en psycholoog A. als volgt: - er zijn geen redenen om te twijfelen aan de diagnose van dr. H. dat de eiser lijdt aan een bipolaire stoornis; - ook na de actualisatie van het verslag van 24 maart 2023 en na te zijn geconfronteerd met de bevindingen van de verschillende verslagen van onder meer psychiater prof. dr. A., huisarts dr. D., psychiater dr. V., psychiater dr. L. en de gevangenispsychiater dr. D., alsook het verslag van psychiater dr. D. van 21 november 2024, blijft het besluit van de aangestelde deskundige dr. H. ongewijzigd: “[De eiser] lijdt aan een bipolaire stoornis type I, waarbij manische episodes worden afgewisseld met depressieve episodes. Deze stemmingsepisodes gaan gepaard met psychotische symptomen. In comorbiditeit hiermee is er een voorgeschiedenis van afhankelijkheid van 3MMC (amfetaminerge effecten) evenals gebruik van andere middelen. Er zijn persoonlijkheidskenmerken in cluster B (narcistisch en borderline-type), zonder dat er sprake is van een manifeste persoonlijkheidsstoornis of dat deze stoornis aan de basis van de ten laste gelegde feiten zou hebben gelegen”, alsook “Er zijn ook geen argumenten om te besluiten tot de aanwezigheid van een ontwikkelingsproblematiek zoals ADHD of een autisme-spectrum-stoornis” en “Het gestelde gedrag en de aanwezige houding (op vlak van persoonlijkheid) ten tijde van de tenlastegelegde feiten kan verklaard worden vanuit een manische ontremming met psychotische elementen en niet vanuit een onderliggende persoonlijkheidsstoornis, noch vanuit een ontwikkelingsstoornis”; - dit strookt grotendeels met de conclusie van prof. dr. A. die zeer affirmatief diagnostisch met zekerheid een bipolaire stoornis type 1 vaststelde, met de bevindingen van de eigen technisch raadsman van de eiser dr. L. die van oordeel was dat de eiser leed aan een persoonlijkheidsstoornis van het type Cluster B, evenwel met “mogelijke elementen van stemmingswisselingen (kenmerken van bipolaire stoornissen)”, met de bevindingen van dr. V., de behandelende psychiater van de eiser, die oordeelt in dezelfde zin, alsook met de bevindingen van psychiater prof. dr. H. die een 3MMC-verslaving, een persoonlijkheidsstoornis NAO en een vermoeden van bipolaire II stoornis weerhield; - enkel de door de eiser in hoger beroep aangestelde technisch raadsman psychiater dr. D. deelt deze visie en die diagnose niet, waarbij het opvallend is dat zij als enige psychiater noch een bipolaire stoornis noch een persoonlijkheidsstoornis van het type Cluster B weerhoudt en anderzijds als psychiater als enige een autismespectrumstoornis weerhoudt; - het is opmerkelijk dat dr. D. in haar verslag stelt dat bij het DSM-5 interview afgenomen bij de eiser om na te gaan of er sprake is van een autismespectrumstoornis, zij moet besluiten (p. 37 van het verslag van 21 november 2024) “in het algemeen, strikt genomen, voldoet betrokkene niet aan alle criteria van ASS om de diagnose te weerhouden” en “Er worden dus wel enige indicaties gevonden voor de aanwezigheid van een lichte vorm van autismespectrumstoornis”; - aangezien dr. D. zelf van oordeel is dat de diagnose op basis van de testresultaten niet kan worden weerhouden, kan haar besluitvorming dat de eiser in staat van krankzinnigheid en in een ernstige staat van geestesstoornis, gelinkt aan zijn autismespectrumstoornis die een psychose zou hebben uitgelokt, waardoor de eiser de feiten in staat van ontoerekeningsvatbaarheid zou hebben gepleegd en “erop heden” geen sprake meer zou zijn van ontoerekeningsvatbaarheid, niet worden bijgetreden; - dr. D. merkt zelf op dat er een overlap bestaat tussen de symptomen van hoogbegaafdheid wat door haar bij de eiser wordt vastgesteld en de symptomen eigen aan een stoornis binnen het autismespectrum, zodat de licht verhoogde score bij het DSM-5 interview mogelijks vanuit die invalshoek te verklaren is; - waar dr. D. verder meent dat op basis van testpsychologisch onderzoek (bipolariteitsindex en MMMPI-2 test) de diagnose van bipolariteit niet kan worden weerhouden, wijst de realiteit en met name de psychotische en manische toestandsbeelden die in het verleden meermaals medisch werden vastgesteld en hebben geleid tot gedwongen of vrijwillige opnames (onder meer in UPSIE, UZ Gent, KARUS, Velzeke, OLV Sint Michiels, Asster), afgewisseld met depressieve periodes (tijdens en ten gevolge van die opnames) op het tegendeel; - het verslag van dr. D. is dan ook niet van aard om de bevindingen van dr. H. met betrekking tot het bestaan van een geestesstoornis “op heden” te weerleggen, temeer de besluitvorming van dr. H. wel ondersteuning vindt in de andere aan het appelgerecht overgelegde adviezen en verslagen; - er zijn geen redenen om aan de deskundigheid en de professionaliteit van de gerechtsdeskundigen dr. H. en psycholoog M. te twijfelen: hun advies is grondig onderbouwd en hun vaststellingen lijken bevestiging te vinden in de gegevens van het dossier en de diverse medische verslagen en attesten. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het middel bedoelde verweer, zonder dat het diende in te gaan op elk argument dat louter werd aangevoerd tot staving van dit verweer maar zelf geen afzonderlijk verweer vormde. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert miskenning aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest doet het verslag van dr. D. liegen waar wordt gesteld dat zij van oordeel is dat de diagnose ASS op basis van haar testresultaten niet kan worden aangenomen; de overweging dat de eiser in het algemeen, strikt genomen niet voldoet aan alle criteria van ASS om de diagnose aan te nemen, is een overweging die enkel betrekking heeft op één van de drie testen, namelijk het DSM-5 interview; dit oordeel heeft betrekking op de andere t wee testresultaten, namelijk de AQ en de EQ; het oordeel dat in het algemeen, strikt genomen, de eiser niet voldoet aan alle criteria van ASS om de diagnose aan te nemen, is strijdig met de bevestiging dat uit de testresultaten minstens indicaties voor een lichte vorm van ASS worden gevonden.
  10. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Indien de rechter uit het geschrift louter een gevolg afleidt, kan er geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift zijn.
  11. Het arrest (p. 17, laatste alinea) citeert letterlijk twee zinnen uit het verslag van de deskundige. Het leidt daaruit een gevolg af met betrekking tot de besluitvorming van de deskundige (p. 18, eerste alinea), dat mede wordt gesteund op twee andere overwegingen (p. 18, tweede en derde alinea). Aldus geeft het arrest geen uitlegging van het verslag van dr. D. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: uit de vaststelling dat de eiser bij een van de drie testresultaten inzake autismespectrumstoornis, namelijk het DSM-5 interview, niet voldoet aan alle criteria van ASS, kan het arrest niet wettig afleiden dat de algehele besluitvorming van dr. D. dat de eiser lijdt aan een autismespectrumstoornis die een psychose zou hebben uitgelokt, niet kan worden bijgetreden; die algehele besluitvorming steunt immers op een volledig psychodiagnostisch onderzoek door psychologe A., waaronder de AQ en de EQ, het eigen forensisch klinisch psychiatrisch onderzoek en de forensisch psychiatrische beschouwing; op basis van één zinsnede, namelijk dat in het algemeen, strikt genomen de eiser niet voldoet aan alle criteria van ASS om de diagnose aan te nemen, kunnen de appelrechters de verslagen van psychologe A. en dr. D. en hun besluitvorming niet volledig buiten beschouwing laten en de in ondergeschikte orde geformuleerde vraag naar de aanstelling van een deskundige verwerpen.
  13. Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 127,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.