← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 2° en 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Strafuitvoeringsrechtbank - Strafuitvoeringsmodaliteit - Herroeping - Niet-naleving van een opgelegde voorwaarde - Beoordeling op grond van feitelijke gegevens die strafbare feiten kunnen vormen - Geen uitspraak over de schuld van veroordeelde - Geen miskenning van vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 2° en 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Strafzaken - Vermoeden van onschuld - Strafuitvoeringsrechtbank - Strafuitvoeringsmodaliteit - Herroeping - Niet-naleving van een opgelegde voorwaarde - Beoordeling op grond van feitelijke gegevens die strafbare feiten kunnen vormen - Geen uitspraak over de schuld van veroordeelde - Geen miskenning van vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 2° en 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0839.N H. B., geboren op 8 november 1994, nationaliteit: België, RRN 94.11.08-197.62, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 26 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: met het oordeel dat de aan de eiser toegekende strafuitvoeringsmodaliteit moet worden herroepen omdat de eiser tot tweemaal toe een gevaar vormde voor de psychische en fysieke integriteit van derden, miskent het vonnis het vermoeden van onschuld; dit vermoeden wordt eveneens miskend door de herroeping te gronden op de niet-naleving van de bijzondere voorwaarde 11, namelijk het verbod wapens te bezitten of te dragen; de eiser werd voor die feiten niet veroordeeld.
  3. Het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld wordt miskend door de strafuitvoeringsrechtbank die in het kader van een herroepingsvordering oordeelt dat de veroordeelde tot vrijheidsstraf zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waarvoor hij nog niet werd veroordeeld. Dit vermoeden wordt niet miskend indien de strafuitvoeringsrechtbank aanneemt dat de veroordeelde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden of dat hij een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd louter op grond van feitelijke gegevens die als strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd, zonder dat de strafuitvoeringsrechtbank zich evenwel uitspreekt over de schuld van de veroordeelde aan die strafbare feiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het vonnis leidt het ernstig gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden en de overtreding van de voorwaarde 11 af uit twee incidenten die als volgt worden beschreven: - uit de gevoegde processen-verbaal, het verhoor en het bevel tot aanhouding blijkt dat de politie werd opgeroepen naar aanleiding van een vechtpartij op 28 april 2025 om 22.20 uur in een café, waar de eiser werd aangetroffen en waarbij werd vastgesteld hoe hij iets in een gele papiercontainer legde. Nazicht leerde dat in de container een keukenmes aanwezig was. Op basis van nazicht van de stadscamera’s bleek dat de eiser meerdere keren met een mes zou hebben uitgehaald naar het kennelijke slachtoffer. De eiser erkende de feiten, maar voerde aan dat het slachtoffer agressief was naar hem toe. De eiser ontkende het slachtoffer te hebben opgezocht of te willen verwonden. De eiser had met die man al een verleden. De eiser hield voor uit wettige verdediging en uit angst voor deze man te hebben gehandeld; - de eiser erkende met betrekking tot de feiten van 15 november 2024 een herval in alcoholmisbruik. Uit getuigenissen bleek dat hij meerdere vrouwen zou hebben lastig gevallen, een tussenkomende man een duw gaf, hij tussen twee wagens zou hebben geürineerd en hij met zijn geslachtsdeel zichtbaar rondwandelde terwijl kinderen en volwassenen voorbij kwamen. Geconfronteerd met de camerabeelden gaf de eiser aan dat hij een slechte dag had en zich schaamde voor zijn gedrag.
  5. Door op basis van die feitelijke gegevens te oordelen dat de eiser tot tweemaal toe een ernstig gevaar vormde voor de fysieke of psychische integriteit van derden en hij de voorwaarde 11 betreffende het verbod wapens te bezitten of te dragen heeft overtreden, doet het vonnis geen uitspraak over eisers schuld aan enig strafbaar feit en miskent het bijgevolg ook niet het vermoeden van onschuld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.26 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.