id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.29 Rolnummer: P.25.0595.N Zaak: BO GOURMARE Gmbh Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 885 - laatst gezien 2026-06-18 18:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Een rechtspersoon kan de hoedanigheid hebben van werkgever in de zin van de artikelen 162 en 181 Sociaal Strafwetboek en artikel 12/1 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en zich als dader schuldig maken aan de door die bepalingen omschreven misdrijven
(1)Zie F. DERUYCK en P. WAETERINCKX, “Daderschap en verantwoordelijkheid voor sociaalrechtelijke misdrijven”, in G. VAN LIMBERGHEN (ed), Sociaal handhavingsrecht, p 96, nr. 26; C-E. CLESSE, “L'imputabilité d'une infraction de droit pénal social à une personne physique”, in C-E. CLESSE (ed.), Droit pénal social. Actualité et prospectives, Louvain-La Neuve, Athémis, 2007, p.
- Contra: Cass. 26 juni 2024, AR P.22.1371.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.4, met concl. van eerste advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.
- Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Hoedanigheid werkgever - Rechtspersoon als werkgever - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 30-04-1999 - Art. 12/1 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Hoedanigheid werkgever - Rechtspersoon als werkgever - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 30-04-1999 - Art. 12/1 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Hoedanigheid werkgever - Rechtspersoon als werkgever - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 30-04-1999 - Art. 12/1 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0595.N I H. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel. II BO GOURMARE GmbH, met zetel te 22085 Hamburg (Duitsland), Winterhuder Weg 29, ON 0726.632.146, die woonplaats kiest te 2000 Antwerpen, Stijfselrui 48/101, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Bart Verbelen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest spreekt door bevestiging van het beroepen vonnis de eisers vrij voor sommige van de hen verweten feiten. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het niet-ingaan op het verzoek van de eiser om de inbeslagname te bevelen van het volledige administratieve dossier bij SD Worx is niet naar recht verantwoord; er werd weliswaar een document door de eiseres overgelegd, maar de voeging van een volledige versie van dit document en alle mailverkeer is noodzakelijk voor de verdediging van de eiser; de redenen die het arrest bevat ter verantwoording van de afwijzing van het verzoek zijn niet ter zake; het gegeven dat de eiser en de eiseres eensgezind en meermaals hebben aangevoerd dat het door de eiseres bijgebrachte dossier niet volledig is, maakt dat het aannemelijk is dat SD Worx nog in het bezit is van andere relevante stukken die de beoordeling kunnen beïnvloeden; de appelrechters verwijzen voor de schuldbeoordeling naar het onvolledig overgelegde dossier; de ontbrekende stukken vormen de ontlastende bewijselementen die de eiser in staat kunnen stellen zijn onschuld aan te tonen; het oordeel dat er geen bewijs voorligt van de opdracht van SD Worx om de loonbetalingen te doen, miskent het vermoeden van onschuld.
- Het arrest (p. 27) oordeelt onder meer dat de eiser onvoldoende aannemelijk maakt dat SD Worx nog in het bezit zou zijn van andere relevante stukken die de beoordeling zouden kunnen beïnvloeden. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
- Deze vergeefs door het middel bekritiseerde reden schraagt de aangevochten beslissing. Derhalve kan het middel voor het overige niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 5 Strafwetboek, de artikelen 16, 3°, en 181 Sociaal Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt niet vast dat de feiten waaraan de eiseres schuldig werd verklaard hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van haar doel of de waarneming van haar belangen, of naar blijkt uit de concrete omstandigheden voor haar rekening zijn gepleegd, wat nochtans noodzakelijk is; voor een schuldigverklaring is vereist dat de eiseres werkgever is en een vennootschap kan geen werkgever zijn.
- Een rechtspersoon kan de hoedanigheid hebben van werkgever in de zin van de artikelen 162 en 181 Sociaal Strafwetboek en artikel 12/1 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en zich als dader schuldig maken aan de door die bepalingen omschreven misdrijven.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de rechter die een rechtspersoon schuldig verklaart aan een misdrijf niet uitdrukkelijk vaststellen dat is voldaan aan één van de in artikel 5, eerste lid, Strafwetboek niet cumulatief vermelde criteria van materiële toerekening.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de aanvoering van de eiseres over de delegatie van bevoegdheden; dit verweer werd enkel beantwoord met betrekking tot de eiser.
- Het arrest (p. 61-65) bespreekt bij de beoordeling van de schuld van de eiseres wel degelijk het op de delegatie van bevoegdheden ontwikkelde verweer. Het beoordeelt, beantwoordt en verwerpt dit verweer. Dat het arrest daarbij ook melding maakt van de eiser die een gelijkaardig verweer heeft gevoerd, houdt niet in dat het verweer van de eiseres niet werd beantwoord. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 353,71 euro, waarvan de eiser I 176,85 euro is verschuldigd en de eiseres II 76,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div