← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 13

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Uitvoering - Plaatsing in een aangepaste instelling binnen een redelijke termijn - Plaatsing in Afdeling Bescherming Maatschappij - Onrechtmatigheid van de plaatsing wegens onredelijke termijn - Sanctionering - Rechtsherstel - Taak van het onderzoeksgerecht - Gevaar voor de samenleving - Afweging van de onrechtmatigheid tegen de gevolgen van de invrijheidstelling voor de veiligheid van de samenleving - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 13

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Internering - Uitvoering - Plaatsing in een aangepaste instelling binnen een redelijke termijn - Plaatsing in Afdeling Bescherming Maatschappij - Onrechtmatigheid van de plaatsing wegens onredelijke termijn - Sanctionering - Rechtsherstel - Taak van het onderzoeksgerecht - Gevaar voor de samenleving - Afweging van de onrechtmatigheid tegen de gevolgen van de invrijheidstelling voor de veiligheid van de samenleving - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 13

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Internering - Uitvoering - Plaatsing in aangepaste instelling binnen redelijke termijn - Plaatsing in Afdeling Bescherming Maatschappij - Onrechtmatigheid van de plaatsing wegens onredelijke termijn - Sanctionering - Rechtsherstel - Taak van het onderzoeksgerecht - Gevaar voor de samenleving - Afweging van de onrechtmatigheid tegen de gevolgen van de invrijheidstelling voor de veiligheid van de samenleving - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 13- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0837.N M. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Sofie Molenberghs, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 27 mei 2025, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 13 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: de opsluiting van de eiser in de afdeling ter bescherming van de maatschappij van de gevangenis (hierna ABM) is niet aangepast aan zijn geestesziekte; de gevangenis waar hij verblijft is geen hospitaal, kliniek of aangepaste instelling in de zin van artikel 5.1.e EVRM; de uitvoerende macht faalt door de eiser op te sluiten in de gevangenis; de rechterlijke macht schendt artikel 5.1.e EVRM door de opsluiting in de gevangenis te bevelen; daardoor is de vrijheidsberoving van de eiser onrechtmatig; de eiser verblijft er bovendien bijna anderhalf jaar zonder enige vorm van behandeling; de eenmalige redelijke termijn van vier maanden om een geïnterneerde te plaatsen in een aangepaste instelling is ruimschoots overschreden; de eiser verblijft sinds 28 november 2023 in de gevangenis te Merksplas zonder dat voor zijn problematiek enige behandeling werd opgestart; de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) weigert de onmiddellijke overbrenging van de eiser naar een aan zijn noden aangepaste instelling te bevelen, maar zij beveelt zijn verdere plaatsing in een ABM, wat neerkomt op een verder verblijf in een gevangenis, wat een niet aangepaste setting is; de redenen van het vonnis kunnen het oordeel dat er geen schending is van artikel 5.1.e EVRM niet rechtvaardigen; de motieven van het vonnis komen op vele vlakken overeen met de vonnissen van 11 maart 2025 en van 11 april 2025, die door het Hof werden vernietigd; het oordeel dat het verblijf van de eiser in een ABM de enige en voldoende aan zijn noden aangepaste wijze van uitvoering van de internering is en dat het alternatief van een invrijheidstelling op proef niet realistisch is gelet op eisers problematiek, kunnen die beslissing evenmin rechtvaardigen; een termijn van meer dan anderhalf jaar kan onmogelijk redelijk zijn; van enige vooruitgang is geen sprake; dat de eiser een veiligheidsrisico betekent, kan geen vrijgeleide zijn om hem zonder concreet vooruitzicht en voor onbepaalde tijd op te sluiten zonder de nodige zorg waarop hij is gerechtigd; een ABM biedt de eiser geen enkele zorg en de focus ligt er enkel op beveiliging; de motivering komt in wezen erop neer dat gelet op het tekort aan plaatsen met gespecialiseerde zorg er voor de eiser geen geschikte plek is en hij daardoor in de gevangenis moet wachten op een plaats.
  3. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg kan worden verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Een vrijheidsberoving als gevolg van een interneringsbeslissing is in beginsel niet strijdig met artikel 5.1.e EVRM.
  4. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: “Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: e. in het geval van rechtmatige detentie van (…) geesteszieken (…).”
  5. Artikel 5.4 EVRM bepaalt: “Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.”
  6. Uit die bepalingen volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een kliniek, hospitaal of andere aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt.
  7. De kamer, als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, moet toezicht houden op de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader. Het staat aan deze kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt.
  8. De redelijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te drukken, hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelwijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verleden is verlopen, de beschikbaarheid van de voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen.
  9. De kamer oordeelt onaantastbaar of de inrichting waar een geïnterneerde is geplaatst, een aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg ontvangt. Uit het enkele feit dat volgens de Interneringswet een ABM een inrichting is waar een geïnterneerde kan worden geplaatst of waarnaar hij kan worden overgeplaatst en dat dit geen gevangenis is, volgt evenwel niet dat een ABM zonder meer een voor de geïnterneerde aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg ontvangt.
  10. Het Hof gaat na of de kamer bij de beoordeling of een inrichting een voor de geïnterneerde aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg ontvangt, uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  11. De kamer oordeelt evenzeer onaantastbaar of een geïnterneerde binnen een redelijke termijn is geplaatst in of overgeplaatst naar een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt.
  12. Het Hof gaat na of de kamer bij die beoordeling van de redelijke termijn, uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  13. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat indien blijkt dat vrijheidsberoving van de geïnterneerde onrechtmatig is omdat zij niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt in een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt en er dus bijgevolg een schending voorligt van artikel 5.1.e EVRM, dit niet noodzakelijk tot de invrijheidstelling van de geïnterneerde moet leiden. De interneringsmaatregel strekt immers ook tot de beveiliging van de samenleving. In dat geval moet de onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving worden afgewogen tegen het gevaar dat een vrijlating van de geïnterneerde voor de samenleving oplevert en kan worden beslist dat niettegenstaande de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM de geïnterneerde van zijn vrijheid blijft beroofd.
  14. Het door artikel 13 EVRM bedoelde recht op daadwerkelijk rechtsherstel kan dan bestaan in de vaststelling dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgde recht van de geïnterneerde op een vrijheidsberoving in een aangepaste instelling waar hij de nodig zorg ontvangt, is miskend, wat dan de mogelijkheid opent voor een schadevergoedingsvordering tegen de overheid.
  15. Uit het voorgaande volgt dat indien uit de vaststellingen van de kamer blijkt dat een geïnterneerde niet binnen een redelijke termijn is geplaatst in of overgeplaatst naar een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt, zij dient vast te stellen dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgd recht van de geïnterneerde is miskend en vervolgens die onrechtmatigheid moet afwegen tegen de gevolgen van een invrijheidstelling van de geïnterneerde voor de veiligheid van de samenleving.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het oordeel van het vonnis (p. 10-15) dat een verblijf van de eiser sinds meer dan anderhalf jaar in een ABM niet maakt dat die vrijheidsberoving onrechtmatig is en er dan ook geen schending van artikel 5.1.e EVRM voorligt, hoe uitgebreid de aangehaalde motieven ook mogen zijn, is in wezen gegrond op de vaststelling dat de eiser niet op korte termijn kan worden geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt, namelijk een medium security voorziening of een FPC. Het vonnis oordeelt overigens dat de redelijke termijn waarbinnen de eiser moet worden geplaatst in een aangepaste instelling niet is overschreden, waarmee dit te kennen geeft dat zijn verblijf in een ABM een verblijf is in een niet-aangepaste instelling. Het vonnis kan dan ook op grond van de redenen die het bevat, niet wettig oordelen dat niettegenstaande een verblijf van meer dan achttien maanden in een ABM er geen schending voorligt van eisers door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgde recht op een plaatsing binnen een redelijke termijn in een aangepaste instelling waar hij de nodige zorgt ontvangt. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.30 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.24 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.26 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.