← België

Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.34 Rolnummer: P.25.0848.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-06-15 11:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit de enkele omstandigheid dat een geïnterneerde op het ogenblik dat de kamer voor bescherming van de maatschappij moet beslissen over de uitvoering van een interneringsmaatregel geen verblijfsrecht heeft voor België en hij zich in het buitenland bevindt, volgt niet dat de beslissing van de kamer niet uitvoerbaar is; indien de geïnterneerde ondanks de voorgehouden afwezigheid van verblijfsrecht zich naar België zou begeven, is de beslissing wel degelijk uitvoerbaar. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Fiches 4 - 6 Het is aan de kamer voor bescherming van de maatschappij, indien zij daartoe wordt uitgenodigd, te oordelen of een geïnterneerde op het ogenblik van de beslissing lijdt aan een geestesstoornis en indien zij oordeelt dat dit het geval is binnen de door de Interneringswet bepaalde mogelijkheden de meest geschikte uitvoeringsmaatregel op te leggen; bij die beoordeling betrekt de kamer de voorhanden zijnde adviezen van deskundigen, zonder evenwel door die adviezen gebonden te zijn aangezien de beslissingsmacht immers bij de kamer als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege ligt en niet bij de adviserende deskundigen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING DESKUNDIGENONDERZOEK Fiches 7 - 9 Uit het enkele gegeven dat de door een geïnterneerde overgelegde stukken dateren van na het verslag van een deskundige waarop de kamer voor bescherming van de maatschappij steunt ter beoordeling van de geestestoestand, volgt niet dat de bevindingen van deze deskundige niet langer actueel zouden zijn. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING DESKUNDIGENONDERZOEK Tekst van de beslissing Nr. P.25.0848.N D. Z., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank, kamer voor de bescherming van de maatschappij, Antwerpen, van 26 mei 2025, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 29 april 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 14, 40, 149 en 159 Grondwet en artikel 2 Interneringswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van “cassatierechtspraak, bv. Cass.09.04.2019, P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7”: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de internering van de eiser strekt tot bescherming van de maatschappij en dat het gegeven dat de eiser niet langer zou beschikken over verblijfsrecht in België hieraan niet in de weg staat; de beslissing dat de eiser zich in België moet komen aanmelden om zich te laten plaatsen in de psychiatrische instelling van de gevangenis te Merksplas of Turnhout is eenvoudigweg onmogelijk en de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) is daarvan op de hoogte; het vonnis kan onmogelijk worden uitgevoerd; de eiser is een Russisch staatsburger die thans in Rusland verblijft, hij heeft geen verblijfsrecht meer in België, zijn fysieke overbrenging naar België is niet mogelijk; er is geen verblijfsstatuut dat toelaat dat de eiser de interneringsmaatregel kan ondergaan, wat de juridische onuitvoerbaarheid van het vonnis bevestigt; gelet op de onmogelijkheid voor de eiser om persoonlijk aanwezig te zijn, is het vonnis in de feiten een verstekbeslissing wat in strijd is met de fundamentele vereiste van persoonlijke aanwezigheid van de geïnterneerde; deze onmogelijkheid van aanwezigheid leidt tot een onherstelbare procedurefout die de geldigheid van de beslissing aantast; een onuitvoerbaar vonnis ontbeert een wettelijke grondslag en miskent daardoor de beginselen van wettelijkheid en proportionaliteit; het vonnis verandert een doelgerichte beveiligingsmaatregel in een symbolische sanctie. 2. Rechtspraak van het Hof is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre faalt het middel naar recht. 3. In zoverre het middel aanvoert dat het voor de eiser om medische redenen fysiek onmogelijk was en is om zich naar België te begeven, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. 4. De eiser heeft voor de kamer aangevoerd dat het hem gelet op de afwezigheid van verblijfsrecht onmogelijk was en is om de rechtszitting van de kamer bij te wonen (conclusie, p. 3, voorlaatste alinea). Hij heeft uit dat gegeven evenwel geen miskenning van zijn rechten afgeleid. Hij kan dit niet voor het eerst voor het Hof. In zoverre is het middel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. 5. De eiser werd bij de behandeling van de zaak vertegenwoordigd door een raadsman die namens hem verweer heeft gevoerd. De bestreden beslissing is geenszins een verstekbeslissing. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 6. Uit de enkele omstandigheid dat een geïnterneerde op het ogenblik dat de kamer moet beslissen over de uitvoering van een interneringsmaatregel geen verblijfsrecht heeft voor België en hij zich in het buitenland bevindt, volgt niet dat de beslissing van de kamer niet uitvoerbaar is. Indien de geïnterneerde ondanks de voorgehouden afwezigheid van verblijfsrecht zich naar België zou begeven, is de beslissing wel degelijk uitvoerbaar. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Het oordeel dat de internering strekt tot bescherming van de maatschappij en dat het feit dat de eiser niet langer over verblijfsrecht zou beschikken in België daaraan niet in de weg staat, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 9. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1, 5.4 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 66 Interneringswet. 10. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de kamer die uitspraak doet over de uitvoering van de interneringsbeslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Eerste onderdeel 11. Het onderdeel voert aan “Onwettige verwerping van de erkende risicotaxatie zonder enige tegenindicatie of bewijs”: het vonnis dat de eiser plaatst in een gesloten voorziening is in strijd met het medisch oordeel van de deskundige; het verslag besluit tot een ambulante begeleiding wat wordt gemotiveerd door een zeer laag recidiverisico en stabiele leefomstandigheden zonder risicofactoren; het verslag stelt nergens dat de plaatsing in een gesloten instelling noodzakelijk is; de plaatsingsbeslissing in een gesloten voorziening is bovendien in strijd met het proportionaliteitsbeginsel; de maatregel staat niet in verhouding tot het doel, namelijk de bescherming van de maatschappij; minder verregaande maatregelen zijn beschikbaar; daardoor is de beslissing ook strijdig met artikel 66 Interneringswet; het vonnis negeert het officiële FARE-rapport van de forensisch psycholoog waarin het recidiverisico zeer laag wordt ingeschat; er wordt geen alternatief evaluatiekader aangeboden noch een inhoudelijke weerlegging geformuleerd; deze willekeurige bewijswaardering miskent het gelijkheids- en objectiviteitsbeginsel, alsook de bepalingen betreffende de motiveringsplicht. 12. Het vonnis oordeelt niet dat volgens de deskundige een plaatsing in een gesloten instelling noodzakelijk is. Het verwijst enkel naar dit verslag ter staving van het oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden om te interneren. 13. Het vonnis hanteert de plaatsingsmaatregel evenmin als een straf. 14. Het vonnis negeert niet het FARE-rapport maar het betrekt integendeel dit rapport bij de beoordeling. Het vermeldt ook waarom een loutere FARE-score niet tot het besluit kan leiden dat er sprake is van een zeer laag recidiverisico. 15. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. 16. Het is aan de kamer, indien zij daartoe wordt uitgenodigd, te oordelen of een geïnterneerde op het ogenblik van de beslissing lijdt aan een geestesstoornis en indien zij oordeelt dat dit het geval is binnen de door de Interneringswet bepaalde mogelijkheden de meest geschikte uitvoeringsmaatregel op te leggen. 17. Bij die beoordeling betrekt de kamer de voorhanden zijnde adviezen van deskundigen, zonder evenwel door die adviezen gebonden te zijn. De beslissingsmacht ligt immers bij de kamer als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege en niet bij de adviserende deskundigen. 18. Uit het enkele feit dat de kamer niet beslist op de door een geïnterneerde gewenste wijze, volgt niet dat de waardering door de kamer van de beschikbare gegevens willekeurig zou zijn of niet objectief of een miskenning zou inhouden van het gelijkheidsbeginsel. 19. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 20. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling over de feiten door de kamer en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 21. Het onderdeel voert aan “Minimalisering van het psychiatrisch verslag van psychiater dr. V. zonder enige tegendicatie of zonder afdoende motivering”: het vonnis reduceert dit verslag, dat is gebaseerd op tweeëntwintig diepgaande sessies in samenwerking met de psycholoog, tot een attest en miskent zowel de inhoud als het gewicht als bewijs ervan; de diagnose waarop het verslag van dr. D. van 13 september 2023 is gesteund, is niet langer actueel, gelet op het forensisch eindverslag van dr. V. van 28 december 2023, op de notariële zorgvolmacht van 24 april 2024 en bevestigende recente medische rapporten uit Rusland; het zijn stukken van recentere datum waaruit een duidelijke verbetering blijkt; door vast te houden aan het verslag van dr. D. zonder deze evoluties te weerleggen of een tegenexpertise te bevelen, miskent het vonnis de verplichting tot een actuele en individuele beoordeling. 22. In zoverre het onderdeel verplicht tot kennisname van de inhoud van het forensisch eindverslag van dr. V. van 28 december 2023, van de notariële zorgvolmacht van 24 april 2024 en van medische rapporten uit Rusland, in de mate dat die niet blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. 23. Uit het enkele gegeven dat de door een geïnterneerde overgelegde stukken dateren van na het verslag van een deskundige waarop de kamer steunt ter beoordeling van de geestestoestand, volgt niet dat de bevindingen van deze deskundige niet langer actueel zouden zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 24. Het staat aan de kamer om de actualiteit van het verslag van een deskundige te beoordelen. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk. 25. Het vonnis vermeldt de redenen op grond waarvan het oordeelt dat de bevindingen van dr. D. wel degelijk actueel zijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel 26. Het onderdeel voert aan “Genegeerde rapporten van justitieassistent L.”: het vonnis negeert de positieve rapporten van deze justitie-assistente die de eiser gedurende meer dan 2,5 jaar heeft begeleid en waaruit een strikte naleving van de voorwaarden door de eiser, de totale afwezigheid van incidenten en een stabiele maatschappelijke re-integratie van de eiser blijkt; het vonnis kan dan ook niet oordelen dat enige controle op de voorwaarden ontbrak en een verwijzing naar feiten uit 2022 miskent de vereiste van een actuele risico-analyse. 27. Het onderdeel dat geheel gegrond is op de inhoud van de rapporten van de justitie-assistente verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 28. Het onderdeel voert aan “Negatie zonder motivering van de notariële zorgvolmacht”: het vonnis bagatelliseert ten onrechte de notariële zorgvolmacht van 24 april 2024; het vonnis kan niet oordelen dat de akte geen uitspraken bevat betreffende de geestelijke gezondheid van de eiser, terwijl die akte juridisch vaststelt dat de betrokkene niet lijdt aan een geestesstoornis, hij wilsbekwaam is en hij psychisch gezond is; deze notariële akte heeft authentieke bewijskracht; de erin vermelde feiten kunnen niet worden genegeerd zonder tegenbewijs van gelijke waarde; het vonnis schuift de notariële akte zonder geldige reden en zonder motivering ter zijde; daardoor is ook gehandeld in strijd met de grondwettelijke beginselen van bewijswaardering. 29. Het onderdeel preciseert niet wat de grondwettelijke beginselen van bewijswaardering inhouden. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 30. Het vonnis motiveert wel degelijk waarom de notariële zorgvolmacht niet toelaat te twijfelen aan de bevindingen van het verslag van dr. D. Het oordeelt dat deze akte geen uitspraken doet over de geestelijke gezondheid van de eiser, dat enkel het bestaan wordt geacteerd van een attest van 9 april 2024 waarbij de eiser bekwaam wordt verklaard om rechtshandelingen te stellen, dat dit attest echter niet wordt overgelegd en dat dit attest dateert van vóór het arrest van 28 juni 2024 waarbij werd vastgesteld dat aan de interneringsvoorwaarden was voldaan. Het onderdeel laat na die redenen in zijn kritiek te betrekken. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel 31. Het onderdeel voert aan “Feitelijke onjuistheid, bevoegdheidsoverschrijding en onrechtmatige verschuiving van de bewijslast”; het vonnis oordeelt dat de eiser zich in Spanje of de Verenigde Staten bevond terwijl hij ondubbelzinnig aantoont dat hij gedurende meer dan 2,5 jaar onder permanent toezicht stond van de justitie-assistente, die daarover stelselmatig rapporten heeft ingediend waaruit een nauwgezette naleving van de voorwaarden en de afwezigheid van incidenten blijkt; kortstondige buitenlandse reizen gebeurden steeds met voorafgaande toestemming en zijn nooit in strijd geweest met de voorwaarden; met het oordeel dat de eiser zijn verblijf onvoldoende heeft aangetoond, verschuift het vonnis de bewijslast naar de eiser; een beslissing moet worden gebaseerd op concrete en verifieerbare gegevens uit het dossier en niet op speculatieve of arbitraire aannames; daardoor miskent het vonnis de motiveringsplicht, het beginsel van behoorlijke bewijswaardering en het recht van verdediging zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM; indien de kamer haar oordeel baseert op informatie buiten het dossier of op eigen veronderstellingen overschrijdt zij haar bevoegdheid en ondermijnt zij het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM. 32. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 33. De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit de voormelde vergeefse aanvoering en zijn bijgevolg evenzeer onontvankelijk. Zesde onderdeel 34. Het onderdeel voert aan “Schending van het individualiseringsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel”: het vonnis negeert de door de eiser overgelegde gegevens die zijn uitzonderlijke sociale integratie en maatschappelijke stabiliteit aantonen; deze gegevens zijn essentieel voor een grondige en individuele risicobeoordeling; daarmee miskent het vonnis het individualiseringsbeginsel en artikel 66 Interneringswet; elk objectief medisch of juridisch motief ontbreekt dat een plaatsing in een gesloten instelling kan rechtvaardigen; de plaatsingsmaatregel is manifest disproportioneel en strijdig met het grondwettelijk gewaarborgd beginsel van de minst ingrijpende maatregel; door ten onrechte de eiser te plaatsen in een gesloten instelling verliest de beslissing haar beschermend karakter en krijgt zij het karakter van straf, waarop het geheel van de waarborgen van artikel 6 EVRM van toepassing is. 35. Er bestaat geen grondwettelijk gewaarborgd beginsel van de minst ingrijpende maatregel. 36. Uit het enkele feit dat de kamer geen melding maakt van door een geïnterneerde aangevoerde gegevens betreffende zijn voorgehouden sociale integratie en maatschappelijke stabiliteit, volgt niet dat de kamer die gegevens niet bij haar beoordeling heeft betrokken. 37. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 38. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste en het derde onderdeel en moet het worden verworpen om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen. Derde middel 39. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1, 5.4, 6.1 en 6.3 EVRM, de Interneringswet en “Cass. 09.04.2019 (P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7)”: 40. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de kamer die uitspraak doet over de uitvoering van de interneringsbeslissing. 41. Rechtspraak van het Hof is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. 42. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Eerste onderdeel 43. Het onderdeel voert aan “Eerdere aanvaarding van video-conferentie-expertise”: de weigering van de kamer om zowel Belgische als Russische bewijsstukken te erkennen, gecombineerd met het ongerechtvaardigd afwijzen van een videoconferentie bij afwezigheid van een verblijfsrecht, maakt het voor de eiser onmogelijk om zijn herstel aan te tonen en zich te verdedigen; het verslag van dr. D. kwam tot stand via een telefoongesprek via WhatsApp en die methode werd noch door het openbaar ministerie, noch door de rechtbank noch door de kamer betwist; het verslag werd als rechtsgeldig en doorslaggevend aanvaard niettegenstaande de toenmalige raadsman daartegen bezwaar heeft gemaakt, de eiser zich op dat ogenblik in België bevond en zich had aangeboden om fysiek te verschijnen en er dus een volwaardig alternatief beschikbaar was dat volledig werd genegeerd. 44. Het onderdeel is geheel gebaseerd op feitelijke gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. Het onderdeel dat aldus verplicht tot een onderzoek van feiten, is niet ontvankelijk. Tweede en vierde onderdeel 45. Het tweede onderdeel voert aan “Discriminatoire weigering in gewijzigde omstandigheden”: het vonnis weigert een nieuwe expertise via videoconferentie zonder enige motivering en zonder een alternatieve waarborg, niettegenstaande de eiser zijn verblijfsrecht had verloren en hij om medische redenen niet langer naar België kon reizen; die weigering is discriminerend omdat in 2023 een minderwaardige methode wel werd aanvaard in het kader van de internering en zo aan de eiser de enige effectieve mogelijkheid werd ontzegd op een actuele psychiatrische evaluatie; videoconferentie is een ingeburgerd en wettelijk toegelaten alternatief zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens de behandeling op de rechtszitting en dit zowel in straf- als in burgerlijke zaken; door die procedurele discriminatie worden artikel 10 Grondwet en de artikelen 5.1, 5.4, 6 en 14 EVRM geschonden. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM en miskenning van het recht van verdediging: de weigering van een videoconferentie-expertise belet de eiser om zijn actuele medische bewijzen over te leggen ter staving van zijn verzoek. 46. Het vonnis wijst het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek om een nieuwe forensische-psychiatrische evaluatie via videoconferentie niet af omdat die zou gebeuren bij videoconferentie, maar wel omdat een dergelijke vorm van evaluatie niet noodzakelijk is daar het bestaan van de geestesstoornis vaststaand is. De onderdelen die geheel berusten op een onjuiste lezing van het vonnis, missen feitelijke grondslag. Derde onderdeel 47. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 66 Interneringswet, alsook “Verplichting tot beoordeling bij gezondheidsclaim”: niettegenstaande de eiser zijn stelling dat hij volledig is hersteld heeft onderbouwd met een diepgaand psychiatrisch verslag van dr. V. van 28 december 2023 op basis van tweeëntwintig sessies, een notariële zorgvolmacht met authentieke vaststellingen over zijn wilsbekwaamheid en de afwezigheid van geestesstoornis en recente medische rapporten uit Rusland en daarover heeft geconcludeerd, heeft de kamer die bewijzen niet weerlegd en zonder enige inhoudelijke beoordeling het verzoek om een tegenexpertise afgewezen. 48. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het eerste en derde onderdeel van het tweede middel, moet om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen worden verworpen. Vierde middel Eerste onderdeel 49. Dit onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste en tweede onderdeel van het derde middel. Het moet om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen worden verworpen. Tweede onderdeel 50. Aan het Grondwettelijk Hof moeten de volgende prejudiciële vragen worden gesteld: “1. Schendt artikel 66 Interneringswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in zoverre het geen procedurele waarborgen biedt voor geïnterneerde personen die, wegens het ontbreken van verblijfsrecht op het Belgisch grondgebied, geen fysieke forensisch-psychiatrische expertise kunnen ondergaan en de toegang tot een expertise via videoconferentie wordt geweigerd, terwijl een dergelijke procedure zelfs tegen hun uitdrukkelijk bezwaar eerder werd aanvaard als grondslag voor de internering toen de betrokkene wel in België verbleef? 2. Worden de artikelen 10 en 11 Grondwet geschonden door de rechterlijke praktijk die erin bestaat dat, in het kader van de beveiligingsmaatregel van de internering, de uitvoering van een gerechtelijk psychiatrisch onderzoek via een applicatie op de mobiele telefoon via WhatsApp-videobellen door de rechter wordt aanvaard wanneer het initiatief daartoe uitgaat van een door de overheid aangestelde deskundige, terwijl eenzelfde onderzoek via videobellen de betrokkene wordt geweigerd wanneer deze nadien zelf aan de rechter vraagt om een dergelijk psychiatrisch onderzoek uit noodzaak via videoconferentie te ondergaan? 3. Worden de artikelen 10 en 11 Grondwet geschonden door de rechterlijke praktijk die erin bestaat dat geïnterneerden die zich op Belgisch grondgebied bevinden of daar verblijfsrecht hebben, zich persoonlijk kunnen aanmelden bij de bevoegde personen met het oog op het ondergaan van een psychiatrisch onderzoek in het licht van de evaluatie van hun internering, zoals door de rechter werd beslist, terwijl geïnterneerden die zich in het buitenland bevinden en geen verblijfsrecht meer hebben in België, zich hoewel door de rechter zo beslist, onmogelijk persoonlijk kunnen melden bij de bevoegde personen om deze psychiatrische evaluatie te ondergaan gelet dat zij het Belgisch grondgebied niet mogen betreden en daardoor de facto in de onmogelijkheid zijn het vonnis van de rechter uit te voeren? 4. Worden de artikelen 10 en 11 Grondwet geschonden door de rechterlijke praktijk die erin bestaat dat geïnterneerden die zich op het Belgisch grondgebied bevinden of daar verblijfsrecht hebben, zich effectief kunnen komen melden met het oog op hun plaatsing in een afdeling tot bescherming van de maatschappij van de strafinrichting in afwachting van hun opname in een residentiële forensische psychiatrische afdeling, zoals door de rechter werd beslist terwijl geïnterneerden die zich in het buitenland bevinden en geen verblijfsrecht hebben in België, deze plaatsing, hoewel door de rechter zo beslist, onmogelijk kunnen realiseren gelet dat zij het Belgisch grondgebied niet mogen betreden en daardoor de facto in de onmogelijkheid zijn het vonnis van de rechter uit te voeren?” 51. De eerste prejudiciële vraag houdt verband met het eerste en het tweede onderdeel van het derde middel. Het eerste onderdeel is niet ontvankelijk omdat het verplicht tot een onderzoek van feiten. Het tweede onderdeel mist feitelijke grondslag omdat het is gebaseerd op een onjuiste lezing van het vonnis. De eerste prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. 52. Artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt in welke gevallen aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag kan of moet worden gesteld. De toetsing van een rechterlijke praktijk wordt daarbij niet vermeld. De tweede, derde en vierde prejudiciële vragen worden niet gesteld. Ambtshalve onderzoek 53. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.34 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.