id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.9 Rolnummer: C.24.0186.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT c. ONDERWIJSGROEP ZUSTER Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht - Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-22 Raadplegingen: 759 - laatst gezien 2026-06-16 19:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.9 Fiches 1 - 4 Nu wordt aangevoerd dat artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet aldus moet worden begrepen dat zij rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, niet vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG en het oordeel van het Marktenhof wordt betwist dat artikel 83.7 AVG aldus moet worden uitgelegd dat ook instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs als een “overheidsinstantie of overheidsorgaan” in de zin van deze bepaling moeten worden beschouwd, stelt het Hof de vraag of artikel 83.7 AVG, in samenhang gelezen met punten 38 en 58 van de considerans en de artikelen 6.1, f), 8, 57.1, b), AVG, zich verzet tegen een nationaalrechtelijke regeling waarbij de toezichthoudende autoriteit geen administratieve geldboete kan opleggen aan rechtspersonen met een privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hof van Justitie van de Europese Unie - Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Prejudicieel geschil - Hof van Justitie van de Europese Unie - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Thesaurus CAS: ONDERWIJS Vrije woorden: Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Prejudicieel geschil - Hof van Justitie van de Europese Unie - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0186.N GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, met zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0694.679.950, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen ONDERWIJSGROEP ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN ZUID-KEMPEN vzw, met zetel te 2290 Vorselaar, Mgr. Donchelei 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0478.061.134, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 februari 2024 gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 9 januari 2023. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 19 mei 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN 1. Uit het arrest blijken volgende gegevens: - op 22 juli 2019 werd bij de eiseres een klacht ingediend gericht tegen een vrije secundaire school waarvan de verweerster de inrichtende macht is; - deze klacht betrof een enquête met betrekking tot het welbevinden van de leerlingen die de school via het digitaal platform Smartschool aan haar leerlingen had voorgelegd; - de klager, een ouder van een leerling van de school, verweet de school dat zij de ouders niet vooraf had geïnformeerd over de enquête, niet om hun toestemming had gevraagd, meer gegevens verwerkte dan noodzakelijk was voor de doeleinden van de verwerking en dat zij ten onrechte geen beoordeling inzake ‘gegevensbeschermingseffecten’ had uitgevoerd. 2. Op 16 juni 2020 oordeelde de geschillenkamer van de eiseres dat de verweerster verantwoordelijk was voor de gegevensbeschermingsverwerking die de enquête met zich meebracht en dat vier inbreuken op de Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, hierna AVG, vaststonden en meer precies inbreuken op de artikelen (
- i)6, eerste lid, (
- ii)8, (iii) 5, eerste lid,
- c)en (
- iv)5, eerste lid, a), juncto 12, eerste lid, juncto 13 AVG. De geschillenkamer van de eiseres beval dat de verwerking in overeenstemming moest worden gebracht met de geschonden bepalingen van de AVG en legde een administratieve geldboete van 2.000 euro op. 3. De verweerster heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Marktenhof dat bij tussenarrest van 18 november 2020 oordeelde dat de beslissing terecht stelde dat geen rechtsgrond voorhanden was voor de verwerking, de toestemming diende te worden gevraagd aan de ouders en niet voldaan was aan het principe van minimale gegevensverwerking. Het Marktenhof oordeelde tevens dat onvoldoende was aangetoond dat de school had nagelaten de minderjarige leerlingen afdoende en op hun niveau te informeren en de beslissing onvoldoende motiveerde in hoeverre zij aan de verweerster een administratieve geldboete kon opleggen ondanks de vrijstelling voor overheden in artikel 221, § 2, Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, hierna Gegevensbeschermingswet. Het Marktenhof ging over tot een gedeeltelijke vernietiging van de beslissing en beval de geschillenkamer van de eiseres de beslissing met betrekking tot de administratieve geldboete te heroverwegen en te hermotiveren. 4. Op 15 maart 2021 besliste de geschillenkamer van de eiseres dat zij aan een instelling van het vrije gesubsidieerde onderwijs een administratieve geldboete kan opleggen aangezien deze weliswaar een overheid is in de zin van artikel 5, tweede lid, Gegevensbeschermingswet maar geen overheid is in de zin van artikel 83.7 AVG en besliste zij aan de verweerster een administratieve geldboete op te leggen van 1.000 euro ingevolge inbreuk op de artikelen 5.1, c, 6.1 en 8 AVG. 5. De verweerster stelde op 12 april 2021 hoger beroep in tegen de beslissing van 15 maart 2021. Het Marktenhof oordeelde bij arrest van 6 oktober 2021 dat de geschillenkamer van de eiseres geen administratieve geldboete kon opleggen aan de verweerster aangezien het aanbieden van wettelijk gesubsidieerd onderwijs door een scholengroep geen economische activiteit vormt in de zin van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet en vernietigde de beslissing van de geschillenkamer van de eiseres van 15 maart 2021. 6. De eiseres heeft tegen het arrest van het Marktenhof van 6 oktober 2021 cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 9 januari 2023 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het Marktenhof van 6 oktober 2021 vernietigd behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk had verklaard. De zaak werd verwezen naar het Marktenhof, anders samengesteld. 7. Bij arrest van 27 februari 2024 verklaart het Marktenhof het verhaal van de verweerster gegrond en vernietigt het de beslissing van de geschillenkamer van de eiseres van 15 maart 2021. Het Marktenhof zegt voor recht dat geen administratieve geldboete kan worden opgelegd aan de verweerster en veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding. III. CASSATIEMIDDEL Geschonden wetsbepalingen - Artikel 221, § 2, van de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna: Gegevensbeschermingswet); - Punten 10, 38 en 58 van de considerans, en de artikelen 6.1, (f), 8, 57.1, (b), en 83 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna: AVG); - Artikel 4.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gecoördineerd door het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007, goedgekeurd bij Wet van 19 juni 2008 (BS 19 februari 2009) (hierna: VEU); - Artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals gecoördineerd door het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007, goedgekeurd bij Wet van 19 juni 2008 (BS 19 februari 2009) (hierna: VWEU); - Het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht. Aangevochten beslissing De appelrechters oordelen dat verweerster is vrijgesteld van de administratieve geldboetes die eiseres kan opleggen krachtens de AVG, op grond van volgende motieven: “Een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling is volgens de Belgische wetgeving vrijgesteld van de administratieve geldboetes die [de eiseres] krachtens artikel 83 AVG kan opleggen 1 Het Marktenhof stelt ten eerste vast dat er tussen de partijen, terecht, geen betwisting over bestaat dat een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling bij de uitoefening van haar reguliere onderwijstaken een 'overheid' is in de zin van artikel 5, 3°, Gegevensbeschermingswet. Een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling wordt immers opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn, heeft rechtspersoonlijkheid, haar activiteiten worden in hoofdzaak door de (Vlaamse) overheid gefinancierd en staat onder toezicht van de (Vlaamse) overheid. 2 Met toepassing van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet is een 'overheid' in de zin van artikel 5 Gegevensbeschermingswet vrijgesteld van administratieve geldboetes, tenzij het een publiekrechtelijke rechtspersoon betreft die goederen of diensten aanbiedt op een markt. Het Marktenhof is van oordeel dat een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling geen 'goederen of diensten aanbiedt op de markt', zoals bedoeld in deze wettelijke bepaling. 3 De verwijzing naar een rechtspersoon 'die goederen en diensten aanbiedt op de markt' stemt overeen met de letterlijke bewoordingen die het Hof van Justitie volgens een vaste rechtspraak hanteert voor een verwijzing naar een 'economische activiteit’ in de context van het Europees mededingingsrecht en de regels inzake het vrij verkeer van goederen en diensten. Elke entiteit die een economische activiteit verricht, is met name een 'onderneming'. In deze context beschouwt het Hof van Justitie door de overheid gefinancierde onderwijsinstellingen die regulier onderwijs aanbieden niet als instanties die een 'economische activiteit' uitoefenen, nu zij niet de bedoeling hebben om activiteiten tegen vergoeding te verrichten en zij een sociale, culturele en opvoedkundige taak vervullen jegens de bevolking. 4 [De eiseres] voert aan dat deze rechtspraak niet relevant zou zijn voor de interpretatie van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet, omdat zij werd gewezen buiten de context van het 'gegevensbeschermingsrecht'. Zij verwijst bovendien naar de parlementaire voorbereiding waaruit zou blijken dat de wetgever wel degelijk de bedoeling had om een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling te beschouwen als een aanbieder van diensten op de markt. 5 Het Marktenhof stelt vast dat de bedoelde wettelijke bepaling is tot stand gekomen naar aanleiding van een amendement dat door vier parlementsleden werd ingediend bij de bespreking van het wetsontwerp. Dit amendement werd door de indieners verantwoord als volgt: "Art. 221 De tweede paragraaf aanvullen met de volgende zin: "tenzij het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon die goederen of diensten aanbiedt op een markt. Verantwoording Tijdens de hoorzittingen over dit ontwerp kwam bij verschillende sprekers tot uiting dat de vrijstelling van administratieve geldboetes voor de overheid als onredelijk werd ervaren. Als we kijken naar de wetgeving van andere Europese landen ter implementatie van de Verordening, zien we dat er landen zijn waar dezelfde vrijstelling geldt, maar evengoed zijn er landen die wel toestaan dat de overheid pecuniair zou worden gesanctioneerd, en dan vooral wanneer het gaat om entiteiten van de overheid die in concurrentie treden met private spelers op de markt. We denken dan vooral aan overheidsbedrijven die actief zijn op de markt van vervoer, post- en pakjesbedeling, telefonie, communicatie,... In ons land kan men moeilijker het begrip "concurrentie" gebruiken, aangezien er voor een aantal overheidsbedrijven geen private tegenhangers zijn. Om er toch voor te zorgen dat er sprake kan zijn van pecuniaire sancties, wordt in dit amendement een omschrijving ontworpen die is gebaseerd op een omkering van de omschrijving die gangbaar is in het economisch recht, waar men stelt dat iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt, geen onderneming is. Als we die logica omkeren, kunnen we in het kader van dit wetsontwerp zeggen dat iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die wel goederen of diensten aanbiedt op een markt, kan worden gesanctioneerd door administratieve geldboetes op te leggen. Dit creëert een eerlijker speelveld tussen de overheidsbedrijven en de private markt. Egbert Lachaert (Open Vld) Peter Dedecker (N-VA) Sonja Becq (CD&V) Gautier Calomne (MR)" Uit de uitdrukkelijke bewoordingen van deze verantwoording blijkt dat de wetgever de omschrijving "die goederen of diensten aanbiedt op een markt" in het kader van het gegevensbeschermingsrecht heeft ontleend aan het "economisch recht". Er kan daarom worden aangenomen dat de indieners van het amendement verwijzen naar artikel 1.1.1°, van Wetboek van Economisch Recht, dat bepaalt dat "iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt" niet kan worden beschouwd als 'onderneming'. Het begrip ‘goederen of diensten aanbieden op de markt’ wordt met andere woorden door de indieners van het amendement zelf uitdrukkelijk in verband gebracht met het Europeesrechtelijk ondernemingsbegrip in de context van het vrij verkeer van diensten (Boek III WER) en van de bescherming van de mededinging (Boek IV WER). Een en ander sluit aan bij de algemene doelstelling die de indieners van het amendement blijkens de aangehaalde verantwoording hebben vooropgesteld, namelijk "het creëren van een eerlijker speelveld tussen de overheidsbedrijven en de private markt." 6 Uit de aangehaalde verantwoording van het amendement kan anderzijds niet worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling had om het begrip "goederen of diensten aanbieden op de markt'' in de context van de gegevensbescherming ruimer te interpreteren dan in de context van het economisch recht. 7 Volgens [de eiseres] bieden vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen diensten aan op de markt, omdat er naast het vrije gesubsidieerde onderwijs en het officieel onderwijs ook privaatrechtelijke onderwijsinstellingen bestaan die eveneens onderwijs verstrekken. 8 Uit de hierboven weergegeven verantwoording van het amendement blijkt niet dat het de bedoeling was van de wetgever om elke 'overheid' (in de zin van artikel 5 Gegevensbeschermingswet) die activiteiten ontplooit die van dezelfde (generieke) aard zijn als activiteiten die door privaatrechtelijke actoren worden aangeboden, buiten het toepassingsgebied van de vrijstelling te laten vallen. Dat dit niet de bedoeling was, werd, voor zover als nodig, op zijn minst impliciet bevestigd tijdens het debat in de commissie Justitie, waar een van de indieners van het amendement aangaf dat het specifiek de bedoeling was om onder meer 'Fod's' (federale overheidsdiensten) vrij te stellen van administratieve geldboetes. De interpretatie die [de eiseres] naar voren schuift zou nochtans tot gevolg hebben dat op zijn minst een (belangrijk) deel van de federale overheidsdiensten bij het aanbieden van diensten, die traditioneel worden beschouwd als (essentiële) overheidstaken, buiten het toepassingsgebied van de vrijstelling zouden vallen nu heel wat federale overheidsdiensten (bijvoorbeeld de Fod Justitie, de Fod Financiën, de Fod Volksgezondheid, enzovoort) activiteiten ontplooien waarvan de generieke aard vergelijkbaar is met diensten die op de markt worden aangeboden (privaatrechtelijke arbitrage, fiscale adviesverlening, private gezondheidszorg, enzovoort), en die daarom, althans volgens de interpretatie die [de eiseres] naar voren schuift, met elkaar 'in concurrentie' zouden kunnen treden. Het feit dat een parlementslid, ook al betrof het een van de (vier) indieners van het amendement, tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de commissie voor Justitie zich heeft laten ontvallen dat "gemeentescholen onder het toepassingsgebied van de definitie ressorteren, aangezien de gemeenten publiekrechtelijke rechtspersonen zijn die de burgers een dienst verlenen", doet geen afbreuk aan wat hierboven werd uiteengezet. Het betreft een uitspraak van een individueel parlementslid tijdens het mondeling debat, die geen grondslag vindt in de keuze van de bewoordingen van de wet en in de hierboven weergegeven gezamenlijke schriftelijke verantwoording van het amendement door de indieners. 9 Ook het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 januari 2021 leidt niet tot een andere conclusie. Het Grondwettelijk Hof heeft bij zijn onderzoek of het wettelijk onderscheid tussen de particuliere en de 'overheids'sector gesteund was op objectieve criteria, geoordeeld dat uit de parlementaire voorbereiding (zoals hierboven werd aangehaald) blijkt dat men, om vast te stellen of « goederen of diensten [worden aangeboden] op een markt», onder de overheden die door het eerste criterium worden beoogd, die overheden moet identificeren die, op een of andere wijze, in concurrentie kunnen treden met de private actoren die onderworpen zijn aan de verplichtingen van de AVG". Het is niet omdat een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling activiteiten uitoefent van dezelfde aard (het verstrekken van onderwijs) als bepaalde (andere) particuliere onderwijsinstellingen, dat er sprake is van 'concurrentie'. Het is immers precies in de context van het mededingingsrecht dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat door de overheid gefinancierde onderwijsinstellingen die regulier onderwijs aanbieden niet kunnen worden beschouwd als instanties die een 'economische activiteit' uitoefenen, nu zij niet de bedoeling hebben om activiteiten tegen vergoeding te verrichten, en een sociale, culturele en opvoedkundige taak vervullen jegens de bevolking. 10 Rekening houdend met al wat voorafgaat, ziet het hof geen reden om het begrip "rechtspersonen die goederen of diensten op de markt aanbieden" anders te interpreteren dan in de betekenis die door onder meer het Hof van Justitie in de context van het mededingingsrecht en het vrij verkeer van diensten aan dit begrip wordt gegeven, namelijk als het verrichten van een economische activiteit. Het Marktenhof deelt de interpretatie van het Hof van Justitie dat een onderwijsinstelling die grotendeels gefinancierd wordt door de overheid bij het aanbieden van regulier onderwijs niet onder de toepassing van dit begrip valt. Een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling kan in het kader van het aanbieden van regulier onderwijs dan ook niet beschouwd worden als een rechtspersoon die diensten op de markt verricht, en valt bijgevolg niet onder de uitzondering van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet. 11 Aangezien het hof [de verweerster] hoe dan ook niet beschouwt als een rechtspersoon die onder deze uitzonderingsbepaling valt, is het ook niet nodig om te onderzoeken of de beperking van de uitzondering tot 'publiekrechtelijke' rechtspersonen, al dan niet in overeenstemming is met de hogere rechtsnormen met betrekking tot onder meer de bescherming inzake discriminatie en staatsteun (zie de uitvoerige bespreking in de laatste conclusie van [de eiseres] in randnummers 29 tot en met 54). 12 [De eiseres] voert in haar laatste conclusie nog aan dat het niet verenigbaar zou zijn met het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, zoals geïnterpreteerd door het Grondwettelijk Hof, dat een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling wél wordt vrijgesteld van administratieve geldboetes en andere privaatrechtelijke onderwijsinstellingen niet, "enkel en alleen omdat de eerste onderwijsinstelling van de Vlaamse overheid subsidies ontvangt en de andere niet''. 13 Het Marktenhof volgt deze redenering niet. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat het verschil in behandeling tussen 'overheden' en andere entiteiten voor wat betreft het opleggen van administratieve geldboetes is ingegeven door de noodzaak om de continuïteit van de 'openbare dienstverlening' niet in het gedrang te brengen ingevolge de financiële lasten die daaruit zouden voortvloeien. Vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen zijn specifiek opgericht met het oog op openbare dienstverlening. De onderwijsinstellingen worden niet alleen grotendeels gefinancierd door de overheid, maar worden ook beheerst door regels die door de overheid zijn bepaald (onder meer inzake minimale onderwijsdoelen, waarop controle wordt uitgeoefend door de Vlaamse overheid), in ruil waarvoor deze onderwijsinstellingen beschikken over overheidsprerogatieven (onder meer de mogelijkheid van het afleveren van 'van rechtswege geldende studiebewijzen') (zie ook de bespreking verder hieronder). Het onderscheid dat [de eiseres] in haar laatste conclusie maakt tussen vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen en andere particuliere onderwijsinstellingen, dat er volgens haar "enkel en alleen" in zou bestaan dat "de eerste onderwijsinstelling van de Vlaamse overheid subsidies ontvangt en de andere niet", berust bijgevolg op een verkeerde feitelijke grondslag. Het onderscheid tussen vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen en de andere privaatrechtelijke onderwijsinstellingen waarnaar [de eiseres] in haar laatste conclusie verwijst, berust, rekening houdend met wat voorafgaat, kennelijk op een objectief criterium, dat redelijk verantwoord is in het licht van het nagestreefde doel om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren. [De eiseres] reikt in haar laatste conclusie geen concrete beoordelingselementen aan waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. De vrijstelling van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet voor vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen is verenigbaar met artikel 83, lid 7, AVG 14 [De eiseres] voert in haar laatste conclusie (ondergeschikt) aan dat de vrijstelling die artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet inzake administratieve geldboetes verleent aan verzoekster verenigbaar is met artikel 83, lid 7, AVG, dat voorrang heeft op het interne recht van de lidstaten. 15 Zoals hierboven al werd vermeld, bepaalt artikel 83, lid 7, AVG wat volgt: "Onverminderd de bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 58, lid 2, kan elke lidstaat regels vaststellen betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen. " Volgens [de eiseres] kunnen vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen niet worden beschouwd als 'overheidsinstanties en overheidsorganen' in de zin van deze bindende rechtsbepaling die in de hiërarchie der rechtsnormen voorrang heeft op de internrechtelijke Belgische regeling. Het Marktenhof deelt dit standpunt niet. 16 Het Marktenhof stelt ten eerste vast dat het begrip ‘overheidsinstanties en overheidsorganen' niet wordt gedefinieerd in de verordening. Bij de interpretatie van het begrip dient rekening te worden gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit wat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie als 'overheidsinstanties en overheidsorganen' zou kunnen worden beschouwd. [De eiseres] merkt in haar laatste conclusie bovendien terecht op dat in beginsel een uniforme uitlegging dient te worden gegeven aan de bepalingen van de AVG, die tot doel heeft om een gelijkwaardig en homogeen beschermingsniveau binnen de onderscheiden lidstaten tot stand te brengen. Een uitzonderingsbepaling op regelgeving die streeft naar een hoge mate van rechtsbescherming, zoals in het kader van de gegevensbescherming het geval is, dient bovendien restrictief te worden geïnterpreteerd. 17 [De eiseres] verwijst voor wat betreft de noodzaak van een strikte interpretatie van het begrip 'overheid', naar de rechtspraak van het hof van Justitie in de zaak-Saudaçor. In dit arrest heeft het Hof van Justitie, in navolging van vaste rechtspraak, verduidelijkt wat het verstaat onder een restrictieve invulling van het overheidsbegrip. Het hof begrijpt onder "activiteiten [die in de] hoedanigheid van overheid worden uitgeoefend" met name wat volgt: "70 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is van dergelijke activiteiten sprake indien de activiteiten door bedoelde lichamen worden uitgeoefend in het kader van de voor hen geldende rechtsvoorschriften, en zijn activiteiten die zij onder dezelfde voorwaarden rechtens als particuliere marktdeelnemers verrichten uitgesloten. Het Hof heeft ook gepreciseerd dat het voorwerp of het doel van de activiteit in dit verband irrelevant is en dat het feit dat de uitoefening van de activiteit die in het hoofdgeding aan de orde is het gebruik van bevoegdheden van openbaar gezag meebrengt, de conclusie wettigt dat die activiteit aan een publiekrechtelijke regeling is onderworpen (zie in die zin onder meer arrest Fazenda Publico, C-446/98, EU:C:2000:691, punten 17, 19 en 22)." Anderzijds blijkt niet uit enige rechtspraak van het Hof van Justitie dat het enkele feit dat ook privaatrechtelijke entiteiten die bepaalde activiteiten van dezelfde aard ontplooien, of zelfs het feit dat er enige vorm van concurrentie mogelijk zou zijn met particuliere marktdeelnemers, op zichzelf genomen zou volstaan om te besluiten dat entiteiten die voldoen aan de door het Hof vooropgestelde criteria, niettemin niet als 'overheid' zouden kunnen worden beschouwd. 18 De feiten die aanleiding hebben gegeven tot deze zaak werden begaan door een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling bij de uitoefening van haar reguliere onderwijstaken, namelijk het verschaffen van onderwijs aan scholieren van het secundair onderwijs. Een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling oefent deze onderwijstaken uit binnen het kader van dwingende 'rechtsvoorschriften' die de (Vlaamse) overheid haar oplegt, waarvan haar subsidiëring door de overheid afhankelijk is gemaakt, en die niet worden opgelegd aan andere (niet-gesubsidieerde of gefinancierde) particuliere entiteiten die een vorm van onderwijs verschaffen. De Vlaamse overheid legt aan vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen allerhande regels op, waaronder specifieke bindende minimumdoelen, die zij, onder meer via een systeem van onderwijsinspectie, controleert en kan afdwingen. De vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen oefenen binnen dit decretale keurslijf hun activiteiten uit met gebruik van bevoegdheden van 'openbaar gezag'. Zij beschikken over overheidsprerogatieven die hen onder meer toelaten om op grond van een eenzijdige beslissingsmacht 'van rechtswege geldende studiebewijzen' te leveren, die door de overheid zonder meer worden erkend. Het feit dat vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen een privaatrechtelijk statuut hebben, verandert niets aan de vaststelling dat de vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen als 'overheid' in Europeesrechtelijke zin kunnen worden beschouwd, nu het Europeesrechtelijk overheidsbegrip bij gebrek aan concrete invulling in de regelgeving vanuit de noodzaak van een uniforme uitlegging, in beginsel in functionele zin dient te worden geïnterpreteerd. De Europese rechtspraak die [de eiseres] in haar laatste conclusie, weliswaar selectief, aanhaalt, sluit bijgevolg niet uit dat vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen zoals [de verweerster] als 'overheid', op een restrictieve wijze geïnterpreteerd, kunnen worden beschouwd, maar bevestigt daarentegen precies dat dat het geval kan zijn. 19 Het feit dat de aangehaalde rechtspraak niet specifiek betrekking heeft op de regelgeving inzake gegevensbescherming, doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Noch de Europese regelgeving, noch de rechtspraak van het Hof van Justitie bevat enige aanwijzing dat het begrip 'overheid' in het kader van de gegevensbescherming op een andere, (nog) meer restrictieve, wijze zou dienen te worden geïnterpreteerd om redenen die eigen zijn aan de bijzondere bescherming die wordt beoogd met de regelgeving inzake gegevensbescherming. In dit kader moet er met name rekening mee worden gehouden dat de administratieve geldboete niet de enige maatregel is waarmee de naleving van de AVG kan worden gewaarborgd. Het recht van de Europese Unie heeft rekening gehouden met het rechtssysteem van lidstaten die niet toestaan dat administratieve geldboetes worden opgelegd. Vrije gesubsidieerde onderwijsinstellingen kunnen worden veroordeeld tot andere maatregelen. [De eiseres] beschikt onder meer over een ruim sanctiearsenaal conform artikel 100, § 1, van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Naast het opleggen van een administratieve geldboete, beschikt zij immers tevens over de mogelijkheid tot het opleggen van andere sancties, waaronder het bevel tot intrekking van certificatie-instellingen, het opleggen van dwangsommen, enzovoort. De bezorgdheid van [de eiseres] dat ‘de verwezenlijking van het doel van de AVG [...] ernstig in het gedrang [wordt] gebracht’ door het feit dat zij aan entiteiten zoals de verzoekster geen administratieve geldboetes kan opleggen, lijkt dan ook enige redelijke grondslag te missen. Wat dit betreft heeft het Hof van Justitie overigens reeds geoordeeld dat de vrijstelling van een overheid van administratieve geldboetes in het kader van de AVG, een effectieve rechtsbescherming niet in de weg staat. Het Hof van Justitie oordeelde in dit kader onder meer wat volgt (betreffende het Duitse 'Bundesambt'): "de omstandigheid dat in casu de oplegging van een administratieve geldboete op grond van artikel 58, lid 2, onder i), en artikel 83 AVG uitgesloten is, omdat het nationale recht een dergelijke sanctie voor het Bundesamt verbiedt, [staat] niet in de weg aan de effectieve toepassing van deze verordening. Dienaangaande volstaat het namelijk op te merken dat artikel 83, lid 7, van die verordening de lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt te bepalen of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan overheidsinstanties of overheidsorganen. Afgezien daarvan maken de verschillende alternatieve maatregelen van de AVG, die in het vorige punt in herinnering zijn gebracht, een dergelijke effectieve toepassing mogelijk." (r.o. 68) 20 De algemene beschouwingen in de laatste conclusie van [de eiseres] over de verenigbaarheid van de (ruime) omschrijving van het begrip 'overheid' in artikel 5 Gegevensbeschermingswet met de Europeesrechtelijke regels, behoeven geen nader onderzoek, nu het Marktenhof enkel dient na te gaan of verzoekster als 'overheid' in de zin van artikel 83, lid 7, AVG kan worden beschouwd, wat, zoals hierboven werd besproken, effectief het geval is. Geen noodzaak prejudiciële vragen 21 [De eiseres] verzoekt het Marktenhof om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. 22 De eerste vraag betreft de verenigbaarheid van de beperking van de uitzonderingsregel van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswset tot 'publiekrechtelijke rechtspersonen' die goederen of diensten aanbieden op de markt. Deze vraag behoeft geen antwoord, nu het hof oordeelt dat verzoekster niet dient te worden beschouwd als een rechtspersoon die onder het uitzonderingsregime van voormelde wetsbepaling valt. Naar het oordeel van het Marktenhof biedt zij met name, zoals in de randnummers 1 tot en met 13 reeds werd gemotiveerd (zie supra), geen goederen of diensten aan op de markt. Het is bijgevolg overbodig om te onderzoeken of de beperking van de uitzondering tot 'publiekrechtelijke' rechtspersonen, al dan niet in overeenstemming moet worden geacht met de hogere rechtsnormen. 23 De tweede vraag betreft in wezen de draagwijdte van het begrip 'overheidsorgaan/overheidsinstantie' zoals bedoeld in artikel 83, lid 7, AVG. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, en met het feit dat noch de regelgeving, noch de rechtspraak enige aanwijzing bevat dat het begrip 'overheid' in het kader van de gegevensbescherming op een andere, (nog) meer restrictieve, wijze zou dienen te worden geïnterpreteerd om redenen die eigen zijn aan de bijzondere bescherming die wordt beoogd met de regelgeving inzake gegevensbescherming, is er ook wat dit betreft geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie” (bestreden arrest p. 20-23) Grieven In toepassing van artikel 83 AVG kan de toezichthoudende autoriteit administratieve geldboetes opleggen. Evenwel bepaalt artikel 83.7 AVG dat, onverminderd de bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 58, lid 2, elke lidstaat regels kan vaststellen betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen. Het begrip ‘overheidsinstanties en overheidsorganen’ uit de AVG dient autonoom te worden geïnterpreteerd in het licht van de doelstellingen van de AVG om een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden aan natuurlijke personen. Noch de nationaalrechtelijke invulling van het begrip ‘overheid’, noch de invulling van dat begrip in andere rechtsdomeinen (economisch recht, mededingingsrecht, …) zijn daarbij determinerend. Dit blijkt uit punt 10 van de considerans van de AVG, dat inderdaad het belang onderlijnt van ‘een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens’ teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen. Het is overigens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat “uit het vereiste van een eenvormige toepassing van het Unierecht voort[vloeit] dat indien een bepaling van dit recht voor een specifiek begrip niet verwijst naar het recht van de lidstaten, dit begrip normaal gesproken in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd. Bij deze uitlegging moet rekening worden gehouden met de bewoordingen en de context van de betreffende bepaling, alsook met de doelstelling van de regeling in kwestie” (zie o.m. HvJ C-260/17, Anodiki Services EPE, 25 oktober 2018, § 25; HvJ C-15/16, Baumeister, 19 juni 2018, § 24; HvJ C-174/14, Saudaçor, 29 oktober 2015, § 52; HvJ C-195/06, Österreichischer Rundfunk, 18 oktober 2007, § 24). Welnu, het begrip ‘overheidsinstanties en overheidsorganen’ uit de AVG kan niet dermate ruim worden uitgelegd, dat ook rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, hieronder worden begrepen. Een dergelijke ruime invulling van het begrip ‘overheidsinstanties en overheidsorganen’ is immers onbestaanbaar met het hoog beschermingsniveau dat de AVG vooropstelt, en inzonderheid met de bijzondere bescherming die de AVG aan kinderen toekent. Deze bijzondere bescherming blijkt onder meer uit punten 38 en 58 van de considerans van de AVG en de artikelen 6.1 (f), 8 en 57.1 (b), AVG, en vindt krachtens punt 38 van de considerans zijn grondslag in het gegeven dat kinderen minder bewust zijn van de betrokken risico's, gevolgen en waarborgen en van hun rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Artikel 221, § 2, van de Gegevensbeschermingswet bepaalt dat het artikel 83 van de Verordening niet van toepassing is op de overheid en hun aangestelden of gemachtigden, tenzij het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon die goederen of diensten aanbiedt op een markt. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat zij rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, niet vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG. Dat geldt des te meer nu het Hof van Justitie van de Europese Unie recent nog het belang heeft bevestigd van administratieve geldboeten bij de handhaving van de AVG: “Het bestaan van een sanctieregeling die het mogelijk maakt om een administratieve geldboete op grond van artikel 83 AVG op te leggen wanneer de specifieke omstandigheden van het concrete geval dit rechtvaardigen, zet verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers ertoe aan om die verordening na te leven. Door hun afschrikkende werking dragen administratieve geldboeten bij tot de versterking van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, zodat zij een sleutelelement vormen om de eerbiediging van de rechten van die personen te waarborgen, overeenkomstig de met de AVG nagestreefde doelstelling om natuurlijke personen een hoog niveau van bescherming te bieden in verband met de verwerking van persoonsgegevens” (HvJ 5 december 2023, C-807/21, § 73). Krachtens artikel 288 VWEU heeft een verordening een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Krachtens artikel 4.3 VEU respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien, krachtens het beginsel van loyale samenwerking. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. Deze bepaling geeft, wat het Unierecht betreft, uiting aan het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht, en zij zijn als zodanig van openbare orde. De verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de krachtens het Unierecht op hen rustende verplichtingen te verzekeren, omvat de verplichting om de onwettige gevolgen van een schending van het Unierecht ongedaan te maken. Deze verplichting rust op elk orgaan van de Lidstaat in het kader van zijn bevoegdheden. Op de nationale rechter rust de plicht de volle werking van het Unierecht te waarborgen. Deze plicht tot waarborging van de volle werking van het Unierecht primeert op het nationale recht en kan de nationale rechter ertoe brengen een nationale regel buiten toepassing te laten of een nationale regel te interpreteren op een manier die de volle werking van het Unierecht garandeert. Derhalve dient de Belgische rechter artikel 221, § 2, van de Gegevensbeschermingswet te interpreteren op een manier die de volle werking van de AVG garandeert en inzonderheid de bijzondere bescherming die deze verordening aan kinderen toekent, derwijze dat deze nationaalrechtelijke bepaling rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, niet vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG. In weerwil hiervan oordelen de appelrechters dat “een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling […] in het kader van het aanbieden van regulier onderwijs […] niet beschouwd [kan] worden als een rechtspersoon die diensten op de markt verricht, en […] bijgevolg niet onder de uitzondering van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet [valt]”, en dat “noch de Europese regelgeving, noch de rechtspraak van het Hof van Justitie […] enige aanwijzing [bevat] dat het begrip 'overheid' in het kader van de gegevensbescherming op een andere, (nog) meer restrictieve, wijze zou dienen te worden geïnterpreteerd om redenen die eigen zijn aan de bijzondere bescherming die wordt beoogd met de regelgeving inzake gegevensbescherming”. Door aldus te oordelen dat rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken, te beschouwen zijn als overheden in de zin van artikel 221, § 2, van de Gegevensbeschermingswet die zijn vrijgesteld van de administratieve geldboetes die eiseres kan opleggen krachtens artikel 83 AVG, schenden de appelrechters artikel 221, § 2, van de Gegevensbeschermingswet, in samenhang gelezen met de punten 10, 38 en 58 van de considerans van de AVG en de artikelen 6.1, (f), 8, 57.1 (
- b)en 83, AVG, artikel 288 VWEU, artikel 4.3 VEU en het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht. Indien Uw Hof niet overtuigd zou zijn van het voorgaande, verzoekt eiseres Uw Hof uitdrukkelijk de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelet enerzijds op het feit dat het Hof van Justitie zich nog niet heeft uitgesproken over de draagwijdte van het begrip ‘overheid’ in de zin van artikel 83.7 AVG, en anderzijds op artikel 267 VWEU dat bepaalt dat, indien een prejudiciële vraag wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden is zich tot het Hof te wenden: “Verzet artikel 83.7 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, in samenhang gelezen met punten 38 en 58 van de considerans en de artikelen 6.1, (f), 8, 57.1, (b), van deze Verordening waaruit een bijzondere bescherming blijkt van kinderen bij de verwerking van hun persoonsgegevens, zich tegen een nationaalrechtelijke regeling waarbij de toezichthoudende autoriteit geen administratieve geldboete kan opleggen aan rechtspersonen met een privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken?” IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 83.1 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, hierna AVG, zorgt elke toezichthoudende autoriteit ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel worden opgelegd in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Artikel 83.7 AVG bepaalt dat, onverminderd de bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 58, tweede lid, elke lidstaat regels kan vaststellen betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen. 2. Krachtens artikel 6.1, f), AVG is de verwerking alleen rechtmatig indien en voor zover aan de voorwaarde is voldaan dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. Artikel 8.1 AVG bepaalt dat, wanneer artikel 6, lid 1, punt a), van toepassing is in verband met een rechtstreeks aanbod van diensten van de informatiemaatschappij aan een kind, de verwerking van persoonsgegevens van een kind rechtmatig is wanneer het kind ten minste 16 jaar is. Wanneer het kind jonger is dan 16 jaar, is zulke verwerking slechts rechtmatig indien en voor zover de toestemming of machtiging tot toestemming in dit verband wordt verleend door de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt. De lidstaten kunnen dienaangaande bij wet voorzien in een lagere leeftijd, op voorwaarde dat die leeftijd niet onder 13 jaar ligt. Krachtens artikel 8.2 AVG doet de verwerkingsverantwoordelijke, met inachtneming van de beschikbare technologie, redelijke inspanningen om in dergelijke gevallen te controleren of de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt, toestemming heeft gegeven of machtiging tot toestemming heeft verleend. Artikel 8.3 AVG bepaalt dat lid 1 het algemene overeenkomstenrecht van de lidstaten, zoals de regels inzake de geldigheid, de totstandkoming of de gevolgen van overeenkomsten ten opzichte van kinderen, onverlet laat. Krachtens artikel 57.1, b), AVG verricht elke toezichthoudende autoriteit, onverminderd andere uit hoofde van deze verordening vastgestelde taken, op haar grondgebied de volgende taken: zij bevordert bij het brede publiek de bekendheid met en het inzicht in de risico’s, regels, waarborgen en rechten in verband met de verwerking. Bijzondere aandacht wordt besteed aan specifiek op kinderen gerichte activiteiten. 3. Krachtens artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet is het artikel 83 AVG niet van toepassing op de overheid en hun aangestelden of gemachtigden, tenzij het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon die goederen of diensten aanbiedt op een markt. 4. De eiseres voert aan dat artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet aldus moet worden begrepen dat zij rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, niet vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG. Volgens de eiseres dient artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet te worden geïnterpreteerd op een manier die de volle werking van de AVG garandeert en inzonderheid de bijzondere bescherming die deze verordening aan kinderen toekent derwijze dat deze nationaalrechtelijke bepaling rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, niet vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG. Zij betwist dan ook het oordeel van het Marktenhof dat artikel 83.7 AVG aldus moet worden uitgelegd dat ook instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs als een “overheidsinstantie of overheidsorgaan” in de zin van deze bepaling moeten worden beschouwd aangezien deze optreden binnen een decretaal geregeld, bindend kader en zij hun activiteiten uitoefenen met gebruik van bevoegdheden van openbaar gezag die hen onder meer toelaten om op grond van een eenzijdige beslissingsmacht van rechtswege geldende studiebewijzen af te leveren, die door de overheid zonder meer worden erkend. 5. De aldus opgeworpen betwisting kan slechts worden opgelost door het antwoord op de vraag of een rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekt, een overheid is in de zin van artikel 83.7 AVG, mede in het licht van de bijzondere bescherming die de regelgeving inzake gegevensbescherming beoogt, inzonderheid ten aanzien van kinderen zoals ook blijkt uit de punten 38 en 58 van de considerans van de AVG. 6. Het Hof dient overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: “Verzet artikel 83.7 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, in samenhang gelezen met punten 38 en 58 van de considerans en de artikelen 6.1, f), 8, 57.1, b), van deze verordening, zich tegen een nationaalrechtelijke regeling waarbij de toezichthoudende autoriteit geen administratieve geldboete kan opleggen aan rechtspersonen met een privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 27 juni 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.9 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div