← België

A.C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Artikel 46/7 Wet Politieambt - Niet-zichtbaar gebruik door politie van tijdelijke vaste of mobiele camera's bij het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie en tijdens deze acties - Doel van het gebruik van deze camera - Finaliteit van de inzet van deze camera - Toepassingsvoorwaarden - Beslissing van bevoegde politieambtenaar om camera in te zetten - Dekking van de beslissing - Registratie van de camerabeelden - Doelstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 3 - 5 Uit het enkele feit dat de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera's gegevens hebben opgeleverd die als bewijs kunnen worden aangewend in de strafvervolging waarbinnen de gerechtelijke actie kaderde, ook al was dit niet het oogmerk van de inzet van de camera's, volgt niet dat de inzet van de camera's een gerechtelijke finaliteit had. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Artikel 46/7 Wet Politieambt - Niet-zichtbaar gebruik door politie van tijdelijke vaste of mobiele camera's bij het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie en tijdens deze acties - Finaliteit van de inzet van deze camera - Gegevens van de ingezette camera die als bewijs kunnen worden aangewend in de strafvervolging waarbinnen de gerechtelijke actie kadert - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Artikel 46/7 Wet Politieambt - Niet-zichtbaar gebruik door politie van tijdelijke vaste of mobiele camera's bij het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie en tijdens deze acties - Finaliteit van de inzet van deze camera - Gegevens van de ingezette camera die als bewijs kunnen worden aangewend in de strafvervolging waarbinnen de gerechtelijke actie kadert - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Artikel 46/7 Wet Politieambt - Niet-zichtbaar gebruik door politie van tijdelijke vaste of mobiele camera's bij het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie en tijdens deze acties - Finaliteit van de inzet van deze camera - Gegevens van de ingezette camera die als bewijs kunnen worden aangewend in de strafvervolging waarbinnen de gerechtelijke actie kadert - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 6 - 10 Het staat aan het onderzoeksgerecht om, indien de onregelmatigheid van het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera's, van de aldus verkregen bewijsgegevens en van de daaruit afgeleide ernstige aanwijzingen van schuld wordt aangevoerd, in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis prima facie te oordelen of de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt werd afgewend van zijn doel en bewust werd gebruikt met een gerechtelijke finaliteit, in welk geval de bepalingen betreffende de bijzondere opsporingsmethodes van toepassing kunnen zijn; het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Wettigheidstoezicht prima facie - Aangevoerde onregelmatigheid met betrekking tot het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera en van de daaruit verkregen bewijsgegevens - Controle op de afwending van het doel van de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt - Toezicht van het Hof - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Wettigheidstoezicht prima facie - Aangevoerde onregelmatigheid met betrekking tot het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera en van de daaruit verkregen bewijsgegevens - Controle op de afwending van het doel van de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Toezicht op de voorlopige hechtenis - Wettigheidstoezicht prima facie - Aangevoerde onregelmatigheid met betrekking tot het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera en van de daaruit verkregen bewijsgegevens - Controle op de afwending van het doel van de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt - Toezicht van het Hof - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Toezicht op de voorlopige hechtenis - Onderzoeksgerechten - Wettigheidstoezicht prima facie - Aangevoerde onregelmatigheid met betrekking tot het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera en van de daaruit verkregen bewijsgegevens - Controle op de afwending van het doel van de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt - Toezicht van het Hof - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 5 augustus 1992

Art. 46

/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Toezicht op de voorlopige hechtenis - Onderzoeksgerechten - Wettigheidstoezicht prima facie - Aangevoerde onregelmatigheid met betrekking tot het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera en van de daaruit verkregen bewijsgegevens - Controle op de afwending van het doel van de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt - Toezicht van het Hof - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 5 augustus 1992

Art. 46/7 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0964.N I.A.C., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 47ter en 47sexies, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 46/7 Wet Politieambt. Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de inzet van de cameradrone geen bijzondere opsporingsmethode zou uitmaken, gelet op de finaliteit van de inzet van de cameradrone; het oordeelt dat de inzet van het droneteam bij de huiszoeking van 3 december 2024 immers niet gericht was op de bewijsgaring, doch primair op het waarborgen van de veiligheid van de aanwezige politieambtenaren; de finaliteit van de bijzondere opsporingsmethodes dient niet te worden beperkt tot de bewijsgaring, maar moet een gerechtelijke finaliteit kennen, waaronder het opsporen van verdachten kan worden begrepen. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de ingezette cameradrone als een zintuigversterkend middel in de zin van artikel 46/7 Wet Politieambt kan worden beschouwd, omdat er niet voldaan is aan de voorwaarden van die bepaling; deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de speurders op een niet-zichtbare wijze gebruik maken van een vaste of mobiele camera ter voorbereiding van acties van de gerechtelijke politie, zodat het vlotte verloop ervan wordt verzekerd en de veiligheid van de politieambtenaren tijdens de uitvoering ervan zou worden gewaarborgd; de wet voorziet niet in de mogelijkheid om op niet-zichtbare wijze gebruik te maken van een camera bij de voorbereiding van een actie van de gerechtelijke politie en tijdens die actie; het arrest bevestigt dat uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de cameradrone niet werd ingeschakeld bij de voorbereiding van de tussenkomst, maar enkel tijdens de tussenkomst; bovendien werd de beelden van de betreffende drone niet enkel in realtime weergegeven aan de operatoren van de drone, maar werden ze ook geregistreerd en opgeslagen; daaruit volgt dat de beelden aldus kunnen aangewend worden in de bewijsvoering, hetgeen kennelijk de doelstellingen van artikel 46/7 Wet Politieambt overstijgt.
  3. Artikel 46/7 Wet Politieambt bepaalt: “In afwijking van artikel 25/3, kan de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3 beslissen om op niet-zichtbare wijze gebruik te maken van tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, voor het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie die gedekt zijn door een mandaat van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter, teneinde het vlot verloop ervan te verzekeren, en om de openbare orde en de veiligheid van de betrokken politieambtenaren tijdens deze acties te garanderen, en dit meer bepaald in de gevallen waarin de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren of in de gevallen die van die aard zijn dat ze het zichtbaar gebruik van camera's ondoeltreffend maken.”
  4. Uit die bepaling en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - het doel van het in de bepaling vermelde gebruik van camera’s, ook als dit kadert in een actie van gerechtelijke politie, het waarborgen is van de openbare orde en de veiligheid van de betrokken politieambtenaren, waaruit volgt dat de finaliteit van het inzetten van de camera’s als dusdanig geen gerechtelijke finaliteit heeft; - die bepaling zowel van toepassing is op het voorbereiden van een actie van gerechtelijke politie als op de uitvoering ervan, ook als die uitvoering niet werd voorafgegaan door een voorbereiding met inzet van camera’s; - de beslissing van de bevoegde politieambtenaar om de camera’s in te zetten wordt gedekt door het mandaat van de bevoegde gerechtelijke overheid; - de registratie van de bij toepassing van deze bepaling gemaakte camerabeelden niet onverenigbaar is met de doelstelling van deze bepaling.
  5. Uit het enkele feit dat de bij toepassing van deze bepaling ingezette camera’s gegevens hebben opgeleverd die als bewijs kunnen worden aangewend in de strafvervolging waarbinnen de gerechtelijke actie kaderde, ook al was dit niet het oogmerk van de inzet van de camera’s, volgt niet dat de inzet van de camera’s een gerechtelijke finaliteit had.
  6. Het staat aan het onderzoeksgerecht om, indien de onregelmatigheid van het gebruik van de bij toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt ingezette camera’s, van de aldus verkregen bewijsgegevens en van de daaruit afgeleide ernstige aanwijzingen van schuld wordt aangevoerd, in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis prima facie te oordelen of de toepassing van artikel 46/7 Wet Politieambt werd afgewend van zijn doel en bewust werd gebruikt met een gerechtelijke finaliteit, in welk geval de bepalingen betreffende de bijzondere opsporingsmethodes van toepassing kunnen zijn.
  7. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Met een geheel van redenen die het arrest bevat, oordeelt het prima facie dat de finaliteit van het dronegebruik niet opsporend maar louter tactisch en beschermend van aard was, dat de inzet was gericht op de bescherming van de fysieke integriteit van de politieambtenaren in het licht van de risico’s verbonden aan georganiseerde criminaliteit en dat de opname van de beelden welke accessoir was aan de primaire doelstelling van veiligheid geen afbreuk doet aan het niet-opsporend karakter van de inzet. Het arrest kan dan ook wettig prima facie oordelen dat het gebruik van de drone bij de versterkte huiszoeking geen bijzondere opsporingsmethode was, dat de inzet rechtmatig was in het kader van de huiszoeking en dat er geen grond is om tot uitsluiting over te gaan van de vaststellingen bij de huiszoeking. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, de raadsheren Peter Hoet, Frédéric Lugentz en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 8 juli 2025 uitgesproken door sectievoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250708.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.