id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:
Art. 1
, § 1, 11°, en § 2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 1
, § 1, 11°, en § 2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 1, § 1, 11°, en § 2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0941.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, eiser, met als raadsman mr. Sigrid Van Rompaey, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen S. B., vreemdeling, vastgehouden, verweerster, met als raadsman mr. Ward Reniers, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerster werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op: het cassatieberoep is niet ontvankelijk want het is ingesteld om louter dilatoire redenen, met name met als enkel doel om de verweerster langer vast te houden.
- Uit het loutere gegeven dat een in de wet bepaald rechtsmiddel wordt ingesteld, volgt niet dat dit rechtsmiddel wordt misbruikt. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1, 11°, en 1, § 2, Vreemdelingenwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod om ultra petita te oordelen en het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten: met het oordeel dat “gelet op de schijnbare verankering in België (…) er op heden geen risico op onderduiken aanwezig is zodat de huidige vrijheidsberovende maatregel niet noodzakelijk noch proportioneel is”, plaatsen de appelrechters hun beoordeling in de plaats van de wettelijke criteria, vervat in artikel 1, § 2, Vreemdelingenwet; de beslissing tot vasthouding motiveert immers ten aanzien van de verweerster het risico op onderduiken aan de hand van vier wettelijk verankerde criteria; met het voormelde oordeel maken de appelrechters een opportuniteitsafweging die buiten hun bevoegdheid ligt.
- Artikel 1, 11°, Vreemdelingenwet definieert het “risico op onderduiken” als volgt: het feit dat er redenen bestaan om aan te nemen dat een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsprocedure, een procedure voor toekenning van internationale bescherming of een procedure tot vaststelling van of tot overdracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, met het oog op de criteria die opgesomd worden in § 2, zal onderduiken. Artikel 1, § 2, Vreemdelingenwet bepaalt dat het in artikel 1, 11°, bedoelde risico op onderduiken actueel en reëel moet zijn en dat dit risico, na een individueel onderzoek en op basis van een of meer van de elf vervolgens opgesomde objectieve criteria, wordt vastgesteld, rekening houdend met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval.
- Indien de bestuurlijke beslissing het wettelijk bepaalde criterium “risico op onderduiken” met feitelijke gegevens onderbouwt, kan het onderzoeksgerecht niet volstaan met het louter poneren dat dit risico gelet op een schijnbare verankering in België niet aanwezig is.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering van 19 mei 2025 het risico op onderduiken van de verweerster in concreto vaststelt, met verwijzing naar de criteria vermeld in artikel 1, § 2, 1°, 3°, 4° en 8°, Vreemdelingenwet.
- Het bestreden arrest dat oordeelt dat de vrijheidsberovende maatregel niet noodzakelijk noch proportioneel is op de enkele grond dat er gelet op de schijnbare verankering in België, geen risico op onderduiken aanwezig is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Frédéric Lugentz, Ilse Couwenberg en Simon Claisse, en in openbare rechtszitting van 15 juli 2025 uitgesproken door sectievoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250715.VAK.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div