id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250722.VAK.1 Rolnummer: P.25.0948.N Zaak: A. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-07-29 Raadplegingen: 363 - laatst gezien 2026-06-17 12:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 De strafuitvoeringsrechter kan een verzoek om de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied afwijzen indien hij het voorhanden zijn vaststelt van de door artikel 28, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden, waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden en de strafuitvoeringsrechter bepaalt onaantastbaar of een omstandigheid een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden oplevert; niet is vereist dat die omstandigheid rechtstreeks een manifest risico in de zin van artikel 28, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering oplevert zodat ook een omstandigheid die onrechtstreeks een dergelijk manifest risico oplevert, als tegenaanwijzing kan worden aangenomen en de strafuitvoeringsrechter kan uit het strafrechtelijk verleden van een veroordeelde een dergelijk manifest risico voor de fysieke integriteit van derden afleiden
(1).
(1)Cass. 14 januari 2025, AR P.24.1732.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Verzoek tot toekenning van de modaliteit van voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Afwijzing - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Begrip - Onrechtstreeks risico - Verwijzing naar het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 2, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoering - Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Verzoek tot toekenning van de modaliteit van voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Afwijzing - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Begrip - Onrechtstreeks risico - Verwijzing naar het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 2, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Strafuitvoering - Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Verzoek tot toekenning van de modaliteit van voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Manifest risico voor de fysieke integriteit van derden - Begrip - Onrechtstreeks risico - Verwijzing naar het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 2, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0948.N J. A., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechter Brussel van 17 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 76, 78 en 91 Gerechtelijk Wetboek: het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 juni 2025 vermeldt dat de zetel was samengesteld uit A. V., voorzitter, P. B., griffier en K. B., eerste substituut-procureur des Konings; de zetel is bijgevolg niet correct samengesteld aangezien het openbaar ministerie geen deel uitmaakt van de zetel.
- Uit de door het middel bekritiseerde vermelding in het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 juni 2025 waarop het vonnis werd uitgesproken, volgt niet dat het vermelde lid van het openbaar ministerie deel heeft uitgemaakt van de strafuitvoeringskamer die over de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit heeft geoordeeld. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 2, Wet Strafuitvoering: het vonnis kan uit de vaststellingen die het bevat niet afleiden dat er een manifest risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden; daardoor is ook de motiveringsplicht miskend; een veroordeling wegens feiten van invoer van verdovende middelen is geen gedrag dat de fysieke integriteit van derden rechtstreeks kan schaden.
- Het vonnis grondt de afwijzing van de door de eiser gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet enkel op veroordelingen wegens de invoer van verdovende middelen, maar ook op de bijzonder precaire financiële en administratieve situatie van de eiser. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- De strafuitvoeringsrechter kan een verzoek om de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied afwijzen indien hij het voorhanden zijn vaststelt van de door artikel 28, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden, waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
- De strafuitvoeringsrechter bepaalt onaantastbaar of een omstandigheid een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden oplevert.
- Niet is vereist dat die omstandigheid rechtstreeks een manifest risico in de zin van artikel 28, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering oplevert. Ook een omstandigheid die onrechtstreeks een dergelijk manifest risico oplevert, kan als tegenaanwijzing worden aangenomen.
- De strafuitvoeringsrechter kan uit het strafrechtelijk verleden van een veroordeelde een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden afleiden.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het vonnis oordeelt dat gelet op het strafrechtelijk verleden van de eiser, namelijk twee veroordelingen wegens de invoer en dus de beschikbaarheid van cocaïne wat een nefast gevolg heeft op de gezondheid van de individuele gebruiker, in combinatie met de bijzonder precaire financiële en administratieve situatie waarin de eiser zich bij vrijlating zou bevinden, er een verhoogd risico bestaat op het plegen van gelijkaardige feiten. Op grond daarvan kan het wettig oordelen dat er een manifest risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde vergeefs aanvoerde onwettigheid. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Tamara Konsek, Marielle Moris, Eric Van Dooren en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 22 juli 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250722.VAK.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div