← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250722.VAK.8 Rolnummer: C.25.0228.N Zaak: B. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-07-29 Raadplegingen: 604 - laatst gezien 2026-06-18 19:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 2 Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens wettige verdenking en wettige verdenking in de zin van deze bepaling veronderstelt dat een rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of dat bij de partijen en de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat over zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen waarbij die twijfel objectief moet gerechtvaardigd zijn aangezien de rechter ten opzichte van de partijen of derden niet de indruk mag wekken dat hij ongeschikt is om te oordelen met de nodige onafhankelijkheid of onpartijdigheid; wettige verdenking kan evenwel niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat een magistraat zitting heeft gehouden in een andere zaak dan deze waarop de wraking betrekking heeft en dat hij een beslissing heeft genomen waarmee de wrakende partij het oneens is. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wettige verdenking - Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Begrip - Raad van beroep van de Orde der artsen - Uitspraak gedaan in een andere zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Vrije woorden: Raad van beroep van de Orde der artsen - Wraking - Wettige verdenking - Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Begrip - Uitspraak gedaan in een andere zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. C.25.0228.N E. B., verzoeker tot wraking, met als raadsman mr. Philippe Vanlangendonck, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65, in de zaak aanhangig bij de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde der Artsen (hierna de raad van beroep), met rolnummer 4/2025. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoek tot wraking is neergelegd op de griffie van de raad van beroep op 5 mei 2025. Het verzoekschrift is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven. De gewraakte leden met uitzondering van R. V.B., hebben allen op of tussen 5 en 8 mei 2025 een verklaring afgelegd waarin zij aangeven zich niet te willen onthouden van de zaak. Raadsheer Ann De Wolf heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Verzoek tot wraking van de afgevaardigde en de plaatsvervangende afgevaardigde van de Nationale Raad van de Orde der Artsen (hierna de nationale raad) 1. Krachtens de artikelen 40 en 41 van het koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der Geneesheren mag de geneesheer, om de redenen die in artikel 828 Gerechtelijk Wetboek zijn vermeld, zijn recht van wraking gebruiken tegen de leden van de raad van beroep die over zijn zaak moeten beslissen. Artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen bepaalt dat een niet verkozen lid van de nationale raad, dat daartoe is afgevaardigd, van rechtswege de zittingen van elke raad van beroep bijwoont om er het advies van de nationale raad uit te brengen over beginselkwesties of over regelen van de plichtenleer die ter gelegenheid van een onderzocht geval worden opgeworpen. 2. In zoverre de verzoeker zijn wrakingsverzoek richt tegen de afgevaardigde van de nationale raad, D. M. en zijn plaatsvervanger, R. V.B. die binnen de raad van beroep slechts een adviserende rol hebben, is zijn verzoek niet ontvankelijk. Verzoek tot wraking van de leden en de plaatsvervangende leden van de raad van beroep 3. Op 2 oktober 2024 legde dr. R. tegen de verzoeker een klacht neer omdat deze na zijn schorsing tijdens de pandemie Ivermectine en niet-goedgekeurde behandelingen bleef voorschrijven bij Covid. Ingevolge deze klacht werd een onderzoek opgestart door de Onderzoekscommissie van de provinciale raad van de Orde der Artsen Vlaams-Brabant en Brussel (hierna de onderzoekscommissie). Op 19 december 2024 diende de verzoeker een wrakingsverzoek in tegen leden van de onderzoekscommissie evenals tegen leden van de Provinciale raad van de Orde der Artsen Vlaams-Brabant en Brussel (hierna de provinciale raad). Bij beslissing van 6 februari 2025 stuurde de provinciale raad het dossier door naar de raad van beroep. 4. De verzoeker vordert thans de wraking van A. B., M.V., C.L., J.D., A.D.P., leden van de raad van beroep en van de plaatsvervangende leden, J.V.D.E., I.M., P.M., L.T. en L.K. De verzoeker steunt zijn wrakingsverzoek op wettige verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek omdat de genoemde leden de schijn wekken dat zij niet in staat zijn om met de nodige rust, onafhankelijkheid en onpartijdigheid te oordelen. 5. De verzoeker voert meer in concreto aan dat deze leden deelnamen aan de miskenning van het recht van artsen op de vrijheid van meningsuiting door waardeoordelen die hun voorkeur genieten, meer bepaald aangaande de Covid 19-crisis, in de plaats te stellen van de door verzoeker vertolkte waardeoordelen die hij steunt op wetenschappelijke informatie waarvan de twijfelachtigheid of valsheid niet wordt bewezen. De verzoeker wijst daarbij op de voormelde tegen hem geformuleerde klacht en op een door de nationale raad uitgebracht advies van 23 januari 2021 die de indruk kunnen wekken van een vijandigheid ten opzichte van de verzoeker of zijn raadsman of van een beperking van de uitoefening van het recht van verdediging van de verzoeker. De verzoeker verwijst ook naar het standpunt dat hij innam voor de raad van beroep in een eerdere zaak tegen hem en lijkt voor te houden dat de houding van de raad in die zaak en in dergelijke andere zaken verhindert dat de voormelde leden met de nodige rust, onafhankelijkheid en onpartijdigheid zullen oordelen. 6. Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens wettige verdenking. Wettige verdenking in de zin van deze bepaling veronderstelt dat een rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of dat bij de partijen en de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat over zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. Die twijfel moet objectief gerechtvaardigd zijn. De rechter mag immers ten opzichte van de partijen of derden niet de indruk wekken dat hij ongeschikt is om te oordelen met de nodige onafhankelijkheid of onpartijdigheid. 7. In zoverre de verzoeker met het huidige wrakingsverzoek de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van de voormelde onderzoekscommissie en van de provinciale raad in vraag stelt en niet deze van de door het huidige wrakingsverzoek geviseerde leden van de raad van beroep, voert hij tegen deze laatsten geen grond van wettige verdenking aan in de zin van artikel 828 Gerechtelijk Wetboek. 8. In zoverre niet blijkt of vaststaat dat de met het verzoek geviseerde leden betrokken waren bij de voormelde klacht of het voormelde advies, kan evenmin een grond van wettige verdenking in de zin van artikel 828 Gerechtelijk Wetboek voorliggen. 9. Voor het overige kan wettige verdenking niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat een magistraat zitting heeft gehouden in een andere zaak dan deze waarop de wraking betrekking heeft en dat hij een beslissing heeft genomen waarmee de wrakende partij het oneens is. 10. Er blijkt niet dat de voormelde leden van de raad van beroep niet in staat zijn om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen over de zaak. Evenmin wekken zij bij de openbare opinie gewettigde twijfel aangaande hun geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. Het verzoek tot wraking van de leden en de plaatsvervangende leden van de raad van beroep is ongegrond. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de verzoeker op 26 euro ten gunste van het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit voorzitter Filip van Volsem, als voorzitter, en de raadsheren Tamara Konsek, Marielle Moris, Eric Van Dooren en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 22 juli 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250722.VAK.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.22 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.27 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.