← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250729.VAK.3 Rolnummer: P.25.1019.N Zaak: C. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-08-01 Raadplegingen: 327 - laatst gezien 2026-06-15 05:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Vertaling samenvatting(
  2. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De strafuitvoeringsrechtbank beoordeelt onaantastbaar of de door artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten voorhanden is en het kan daarbij het gegeven van een onduidelijk verblijfsstatuut betrekken, zonder dit gegeven als een autonome tegenaanwijzing in aanmerking te nemen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van elektronisch toezicht - Afwijzing - Tegenaanwijzingen - Artikel 47, § 1, 2° Wet Strafuitvoering - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Beoordeling door de rechter - In aanmerking nemen van het onduidelijk verblijfsstatuut van de veroordeelde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafuitvoering - Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van elektronisch toezicht - Afwijzing - Tegenaanwijzingen - Artikel 47, § 1, 2° Wet Strafuitvoering - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Beoordeling door de rechter - In aanmerking nemen van het onduidelijk verblijfsstatuut van de veroordeelde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1019.N F. C., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 30 juni 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 29, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht af, terwijl de eiser niet om die modaliteit had gevraagd en een dergelijk uitdrukkelijk verzoek is vereist; daardoor zijn eisers recht op een eerlijk proces en de motiveringsverplichting ook miskend. 2. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken, die geen uitspraak doen over de gegrondheid van een strafvervolging. 3. Artikel 29 Wet Strafuitvoering is van toepassing op een veroordeelde tot vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, maar niet op een veroordeelde tot vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar. 4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. De eiser heeft op 27 maart 2025 een schriftelijk verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht ingediend, dat op 28 maart 2025 werd ontvangen ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser geen verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht heeft ingediend, mist het feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de formele motiveringsverplichting: het vonnis vermeldt bij de toegepaste wetsbepalingen artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering niet, zodat een essentiële rechtsgrond niet in het vonnis is opgenomen. 7. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken, die geen uitspraak doen over de gegrondheid van een strafvervolging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Het vonnis past artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering niet toe, maar wel artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. 9. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel 10. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt dat er onduidelijkheid bestaat over het verblijfsstatuut van de eiser, wat geen in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing is. 11. Het vonnis beoordeelt eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteiten van het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling niet op grond van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen, maar wel op grond van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen. In zoverre berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. 12. De strafuitvoeringsrechtbank beoordeelt onaantastbaar of de door artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten voorhanden is. Het kan daarbij het gegeven van een onduidelijk verblijfsstatuut betrekken. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Het vonnis oordeelt dat het voorbarig is om aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteiten van het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen omdat zijn reclasseringsplan nog niet concreet op punt staat en er vragen blijven over zijn verblijfsstatuut, zodat het risico op herval in strafbare feiten hoog blijft. Aldus neemt het vonnis de door artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten mede op grond van het onduidelijke verblijfsstatuut van de eiser aan, zonder dit gegeven als een autonome tegenaanwijzing in aanmerking te nemen. In zoverre berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel 14. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van de formele motiveringsverplichting: het oordeel dat de Raad van State bij arrest van 20 december 2024 de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen heeft vernietigd, dat mogelijk een nieuwe beslissing van deze overheid moet worden afgewacht, dat indien het vluchtelingenstatuut van de eiser definitief zou worden ingetrokken hij niet zou mogen worden teruggestuurd, is foutief en strijdig met de ingediende stukken; het verwart het vluchtelingen- en verblijfsstatuut; het vonnis oordeelt ten onrechte dat er over het terugsturen nog een beslissing kan volgen die een invloed kan hebben op de beoordeling van de verzoeken om de strafuitvoeringsmodaliteiten; de “non-refoulement”-beslissing houdt in dat zelfs als de beslissing over eisers verblijf wordt ingetrokken, hij nog steeds over een aantal elementaire rechten beschikt; enkel het verblijfsstatuut is nog in discussie; bij de behandeling van eisers verzoeken om strafuitvoeringsmodaliteiten was de intrekking van eisers verblijf nog niet definitief; gelet op de “non-refoulement” zal de eiser feitelijk worden gedwongen in België te verblijven; het verblijfsstatuut was een wezenlijk gegeven bij de beoordeling van eisers verzoeken om de strafuitvoeringsmodaliteiten. 15. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken, die geen uitspraak doen over de gegrondheid van een strafvervolging. 16. Artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering is van toepassing op een veroordeelde tot vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, maar niet op een veroordeelde tot vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar. 17. Het enkele feit dat de strafuitvoeringsrechtbank het vluchtelingen- of verblijfsstatuut van een veroordeelde verkeerd zou beoordelen of daarbij de inhoud van door die veroordeelde ingediende stukken zou miskennen, levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet. 18. In zoverre het subonderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 19. Uit de uiteenzetting van het subonderdeel volgt dat de eiser niet betwist dat de beslissing over zijn verblijfsstatuut nog niet definitief is. Het vonnis kan dan ook oordelen dat er over dat verblijfsstatuut vragen blijven bestaan en kan dit gegeven dan ook mee in aanmerking nemen bij het oordeel over het voorhanden zijn van de door artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. 20. Voor het overige is het subonderdeel gericht tegen overtollige redenen en kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het subonderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Tamara Konsek, Eric Van Dooren en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 29 juli 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250729.VAK.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.