← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Schending van artikel 5.1.e EVRM - Geïnterneerde die niet binnen een redelijke termijn in een aan zijn geestestoestand aangepaste instelling is geplaatst - Gevolg - Afweging door de KBM van de onrechtmatige vrijheidsberoving tegen het gevaar voor de maatschappij van een vrijlating van de geïnterneerde - Onaantastbare beoordeling - Elementen van de beoordeling - Actuele beoordeling - Onzekerheid verbonden aan de inschatting - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Bescherming van de maatschappij - Internering - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Schending van artikel 5.1.e EVRM - Geïnterneerde die niet binnen een redelijke termijn in een aan zijn geestestoestand aangepaste instelling is geplaatst - Gevolg - Afweging door de KBM van de onrechtmatige vrijheidsberoving tegen het gevaar voor de maatschappij van een vrijlating van de geïnterneerde - Onaantastbare beoordeling - Elementen van de beoordeling - Actuele beoordeling - Onzekerheid verbonden aan de inschatting - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.e - Schending van artikel 5.1.e EVRM - Geïnterneerde die niet binnen een redelijke termijn in een aan zijn geestestoestand aangepaste instelling is geplaatst - Gevolg - Afweging door de KBM van de onrechtmatige vrijheidsberoving tegen het gevaar voor de maatschappij van een vrijlating van de geïnterneerde - Onaantastbare beoordeling - Elementen van de beoordeling - Actuele beoordeling - Onzekerheid verbonden aan de inschatting - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1043.N M. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Sofie Molenberghs, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 8 juli 2025, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 24 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.16 en 8.17, lees de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het vonnis miskent bij de motivering van de gevaarlijkheid van de eiser de bewijskracht van de Dundrum-analyse die is opgenomen in het verslag van 27 juni 2025, alsook van het verslag van 27 juni 2025 zelf; dit verslag is opgesteld op basis van het op 21 mei 2025 bij de eiser uitgevoerde psychiatrisch onderzoek door de gevangenispsychiater; anders dan gemotiveerd in het vonnis, zegt dit onderzoek niets over het eventueel risico, maar is het louter beschrijvend; met het oordeel dat de hoge risicotaxatie van de eiser haar grondslag vindt in het aanvullend psychiatrisch verslag van 27 juni 2025, geeft het vonnis aan de neerslag van het onderzoek van 21 mei 2025 een betekenis en een draagwijdte die niet in overeenstemming zijn te brengen met wat de auteur van het geschrift van 27 juni 2025 heeft willen tot uiting brengen; verder stelt het vonnis tegen het verslag in dat er sprake is van een aanhoudend gebruik van benzodiazepines; aangezien de psychiater nergens spreekt van het gebruik van benzodiazepines doet het vonnis dit verslag liegen; het vonnis geeft ook een verkeerde interpretatie aan het doel van de afgenomen Dundrum; een Dundrum heeft niet tot doel om het risico op nieuwe feiten en dus het gevaar voor de samenleving in te schatten, zodat het vonnis niet kan oordelen dat het hoge risico zijn grondslag vindt in de afgenomen Dundrum.
  3. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift indien de gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere.
  4. Uit het enkele gegeven dat het vonnis het oordeel betreffende de gevaarlijkheid van de eiser voor de samenleving mede grondt op de Dundrum-analyse en dat volgens de eiser de Dundrum geen geschikt instrument is om die gevaarlijkheid van een geïnterneerde te beoordelen, volgt niet dat het vonnis van dit geschrift een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  5. Het verslag van de gevangenispsychiater van 27 juni 2025 (p. 4 en p. 8) bevat onder meer de volgende vermeldingen: - “Wat zijn persoonlijkheidsstructuur betreft, wordt deze gekenmerkt door voornamelijk vermijdende en antisociale aspecten. Echter zijn ook veel kenmerken mogelijk toe te schrijven aan zijn autisme, waarbij er een afwezigheid is van theory of mind, wat empathisch vermogen sterkt aantast. Verder afwezigheid van enige diepgang, reflectie of mentalisatievermogen.” - “Diagnostisch is er sprake van een autismespectrumstoornis, stoornis in gebruik van verscheidene middelen en een hoge mate van psychopathie. De psychotische kwetsbaarheid lijkt voornamelijk middelengeïnduceerd te zijn en is heden onder controle middels antipsychotische behandeling.” - “Uit bovenstaande concluderen we dat er nood is aan een langdurige opname met aandacht voor zijn complexe problematiek alsook de verscheidenheid in feiten en gedrag met regelmatig een buiten proportionele reactie of vreemde uiting. Net voor zijn detentie leken de meldingen en pv’s te escaleren. Daarnaast is er in het afgelopen jaar nog melding van het opsparen medicatie o.a. en blijkt hij ambivalent te zijn ten aanzien van abstinentie binnen een high security context. Een trage opbouw in vrijheden lijkt dan ook eveneens aangewezen te zijn alsook het gebruik van instrumentaria om een gestage en gecontroleerde opbouw te doen van vrijheden binnen een forensische omkadering.” “Wanneer we rekening houden met dit profiel zien we dat een behandeling binnen een hoog beveiligde setting het meest aangewezen is. De doorslaggevende factoren hiervoor zijn op de eerste plaats de hardnekkige en problematische persoonlijkheidsstoornis waarvoor een langdurend traject aangewezen is. Op de tweede plaats de ernst en de frequentie van eender welke vorm van geweld binnen een ziekenhuiscontext, het aanhoudend benzodiazepine gebruik en het ontbreken van informatie van [de eiser] zelf over zijn hele traject.”
  6. Daaruit volgt dat het vonnis met de door het middel bekritiseerde redenen van het verslag van 27 juni 2025 een uitlegging geeft die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het herval van de eiser onlosmakelijk is verbonden met het risico op nieuwe feiten, maar het oordeelt anderzijds ook dat er verschillende voorvallen waren met medicatie en dat ondanks dit herval er geen strafbare feiten of agressiefeiten in de gevangenis plaatsvonden; voor het motiveren van het oordeel dat het risico niet louter een papieren risico is, verwijst het vonnis naar een agressie-incident met de justitieassistente van maart 2023, maar van een agressie-incident is geen sprake en bovendien zou een dergelijk incident een strafbaar feit inhouden.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat er van een agressie-incident geen sprake is, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het vonnis. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  9. Een agressie-incident houdt niet noodzakelijk een strafbaar feit in. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het motiveringsgebrek betreffende het agressie-incident is afgeleid uit die andere rechtsopvatting, is het niet ontvankelijk.
  11. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar opheffen of teniet doen.
  12. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels dat er in de gevangenis geen herval was in strafbare feiten of agressiefeiten ondanks dat er verschillende voorvallen waren met medicatie, en, anderdeels dat bij een invrijheidstelling met een herval in middelengebruik er een reëel gevaar is op nieuwe agressiedelicten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1 en 13 EVRM: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de opsluiting van de eiser noodzakelijk is voor de bescherming van de maatschappij; de afweging die het vonnis maakt tussen de onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving en het gevaar dat een vrijlating van de eiser oplevert voor de samenleving gebeurt op een verkeerde manier; met cruciale elementen wordt geen rekening gehouden; het vonnis is gebaseerd op oude verslagen en verkeerde interpretaties van die verslagen; deze verslagen zijn niet recent genoeg voor de conclusie dat de eiser een risico vormt voor de maatschappij en die verslagen bevatten niet de informatie die vereist is voor het correct beoordelen van eisers gevaarlijkheid; de Dundrum van 17 april 2023 en het verslag van dr. V. van 2 september 2020 dateren van respectievelijk meer dan twee jaar en meer dan vijf jaar geleden; zij zijn in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet actueel genoeg ter rechtvaardiging van een vrijheidsberoving; de meer recente verslagen van 29 januari 2024, 29 februari 2024, 4 juli 2024, 28 januari 2025, 24 februari 2025, 8 april 2025 en 1 juli 2025 gaan alle terug op de twee voormelde oude verslagen; een aangekondigde VERA-2R test is nog steeds niet afgenomen; het verslag van de gevangenispsychiater van 27 juni 2025 brengt weinig bij over de actuele risico‘s; het grootste gedeelte van dit verslag bestaat in een overname van de twee vermelde verslagen van 2 september 2020 en 17 april 2023; in het vonnis of in de verslagen van de psychosociale dienst en de psychiater wordt geen rekening gehouden met de ernst van de interneringsfeiten en de eventuele aanwezigheid van nieuwe feiten en de ernst hiervan; de feiten waarvoor de eiser werd geïnterneerd, houden geen aantasting in van de fysieke integriteit van personen en kunnen niet als zwaar worden gekwalificeerd; de eiser heeft geen nieuwe feiten gepleegd; indien het vonnis de elementen in aanmerking zou hebben genomen die het volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in aanmerking had moeten nemen, dan zou zijn geoordeeld dat de eiser voor de maatschappij niet gevaarlijk genoeg is om ondanks de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM zijn detentie te handhaven; de geestestoestand van de eiser is relatief stabiel; de eiser heeft een netwerk van behandelaars; het gevaar dat een persoon oplevert voor de maatschappij moet in concreto worden beoordeeld aan de hand van alle specifieke elementen van de zaak; er moet rekening worden gehouden met de realiteit en niet met een hypothetische realiteit.
  14. De eiser werd bij beschikking van 18 december 2020 geïnterneerd voor feiten van schriftelijke bedreigingen, mondelinge bedreigingen onder bevel of voorwaarde, het aanzetten tot haat ten aanzien van een groep, een gemeenschap of de leden ervan en negationisme. Dit zijn wel degelijk wanbedrijven die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  15. In zoverre het middel verplicht tot de kennisname van feitelijke gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is het niet ontvankelijk.
  16. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste en het tweede middel, moet het worden verworpen om de in het antwoord op die middelen vermelde redenen.
  17. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) vaststelt dat een schending voorligt van artikel 5.1.e EVRM omdat een geïnterneerde niet binnen een redelijke termijn is geplaatst in een aan zijn geestestoestand aangepaste instelling, moet de kamer de onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving afwegen tegen het gevaar dat een vrijlating van de geïnterneerde voor de samenleving oplevert en kan zij beslissen dat gelet op die gevaarlijkheid de geïnterneerde niettegenstaande de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM van zijn vrijheid blijft beroofd.
  18. Het komt de kamer als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege toe de gevaarlijkheid van een geïnterneerde te beoordelen.
  19. Bij die beoordeling, die niet noodzakelijk samenvalt met de beoordeling van de geestestoestand van de geïnterneerde, dient de kamer rekening te houden met de concrete omstandigheden van de zaak zoals die gekend zijn op het ogenblik van de te nemen beslissing. Zij kan daarvoor onder meer steunen op de aard van de feiten waarvoor de interneringsmaatregel is bevolen, deskundigenverslagen van psychiaters of psychologen, risicotaxaties en informatie verstrekt door de penitentiaire autoriteiten, zonder dat de kamer door die verslagen en gegevens is gebonden of dat zij er in haar beslissing noodzakelijk melding moet van maken.
  20. De vereiste van een actuele beoordeling sluit niet uit dat de kamer ook rekening houdt met niet recente of minder recente verslagen voor zover blijkt dat de daarin vervatte gegevens nog steeds relevant zijn voor de beoordeling van de gevaarlijkheid van de geïnterneerde op het ogenblik van de te nemen beslissing. De kamer kan immers niet zonder meer abstractie maken van de voorgaanden van de geïnterneerde op strafrechtelijk, psychiatrisch, psychologisch, sociaal en penitentiair vlak.
  21. Niet is vereist dat de kamer bij elke beoordeling die zij moet maken betreffende de gevaarlijkheid van een geïnterneerde telkens een nieuw psychiatrisch of een psychologisch onderzoek of een risicotaxatie beveelt.
  22. Uit het enkele gegeven dat een geïnterneerde na de interneringsbeslissing geen nieuwe feiten meer heeft gepleegd, volgt niet dat de kamer moet aannemen dat hij niet langer een gevaar oplevert voor de samenleving.
  23. De beoordeling van de gevaarlijkheid van de geïnterneerde voor de maatschappij veronderstelt steeds een inschatting naar de toekomst. De daarmee noodzakelijk verbonden onzekerheid impliceert evenwel niet dat de beoordeling arbitrair is.
  24. Waar rekening houdend met het voorgaande de kamer onaantastbaar oordeelt over de gevaarlijkheid van een geïnterneerde voor de samenleving, gaat het Hof wel na of de kamer uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  26. Het vonnis stelt vast dat de eiser bij beschikking van 18 december 2020 werd geïnterneerd wegens feiten van schriftelijke bedreigingen, mondelinge bedreigingen onder bevel of voorwaarde, het aanzetten tot haat ten aanzien van een groep, een gemeenschap of de leden ervan en negationisme. Het vermeldt de strafrechtelijke antecedenten. Het schetst vervolgens een gedetailleerd verloop van het interneringsparcours van de eiser met onder meer de toekenning van een invrijheidstelling op proef, gevolgd door een herziening en een herroeping van die uitvoeringsmodaliteit, met als gevolg dat de eiser sinds 28 november 2023 verblijft in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij (hierna ABM) Merksplas. Het vonnis bespreekt verder de uitgebrachte verslagen en vermeldt gedetailleerd de relevant geachte feitelijke gegevens. Het benadrukt dat werd getracht een ambulant traject uit te werken alsook dat werd gezocht naar een vrijwillige residentiële opname, maar dat deze trajecten mislukten waarbij werd gewezen op de eigen houding van de eiser. Meer specifiek met betrekking tot de afweging van de onrechtmatigheid van eisers vrijheidsberoving en het gevaar dat zijn vrijlating voor de samenleving oplevert, oordeelt de kamer als volgt: - in het licht van de geactualiseerde adviezen en incidenten die zich ook nog recent hebben voorgedaan, moet worden vastgesteld dat ondanks het onrechtmatig karakter van het verblijf van de eiser in de ABM Merksplas, dit verblijf actueel en in afwachting van een overplaatsing naar een residentiële high security voorziening (forensisch psychiatrisch centrum, hierna FPC), de enige en voldoende aan zijn noden aangepaste wijze van uitvoering van de internering is, rekening houdend met de gevaren voor de samenleving die zijn vrijlating, zelfs gekoppeld aan bijzondere voorwaarden, zou opleveren, gelet op het reëel risico op herval van zijn middelengebruik en het plegen van nieuwe strafbare feiten; - het loutere feit dat de eiser sedert de interneringsfeiten geen nieuwe strafrechtelijk gesanctioneerde agressiefeiten zou hebben gepleegd en er ook in de gevangenis geen sprake zou zijn van agressie, doet geen afbreuk aan de hoge risicotaxatie, die en anders dan voorgehouden in de conclusie van de eiser, niet uitsluitend haar grondslag vindt in de indicatiestelling en afgenomen Dundrum van 17 april 2023, maar ook in het aanvullend psychiatrisch onderzoek van 21 mei 2025; - de bevindingen van de deskundigen dat een residentiële, streng gecontroleerde omgeving absoluut noodzakelijk is om het voor de maatschappij reële gevarenrisico dat uitgaat van de impulscontroledoorbraken en mogelijk agressief acting-outgedrag, te ondervangen, is niet zomaar een papieren risico en wordt naast het strafregister van de eiser bevestigd door onder meer het agressie-incident met de justitie-assistente in maart 2023; - uit de bijgebrachte adviezen blijkt dat de gevarenrisico’s die uitgaan van de hardnekkige en problematische persoonlijkheidsproblematiek waarmee de eiser te kampen heeft, evenals de psychische destabiele toestand, rechtstreeks worden getriggerd door het middelenmisbruik van de eiser, zodat het gevaar voor de samenleving onlosmakelijk is verbonden met het actuele middelengebruik van de eiser; - hoewel de eiser onder de strikte begeleiding in de ABM zegt erin geslaagd te zijn om zijn Lyrica af te bouwen, blijkt uit het psychiatrisch verslag dat er alleszins nog sprake is van aanhoudend benzodiazepinegebruik en het ontbreken van waarheidsgetrouwe informatie van de eiser zelf over zijn traject; - de concrete recente feitelijke voorvallen, waaronder de diverse incidenten naar aanleiding van de uitgaansvergunningen in 2024 met de ernstige overdosis op 24 oktober 2024 tot gevolg, bevestigen andermaal dat de eiser zelf binnen het uitermate korte tijdsbestek van een uitgaansvergunning onder begeleiding van zijn moeder niet in staat blijkt te zijn om zelfstandig de neiging tot middelengebruik de baas te kunnen, zodat uitsluitend een diepgaande en aanklampende begeleiding binnen een residentieel kader toelaat om het hieraan gekoppelde gevarenrisico te ondervangen en het onder controle zijn van de destabilisatie van de geestestoestand van de eiser een zeer precair gegeven is dat slechts in stand kan worden gehouden door de huidige plaatsing in de ABM; - het op de rechtszitting voorgehouden schokeffect dat van de ziekenhuisopname in 2024 zou zijn uitgegaan, moet in het licht van het nieuwe incident van 10 februari 2025 waarbij tijdens een kamercontrole opnieuw opgespaarde medicatie werd gevonden, duidelijk worden genuanceerd. Dit wordt bijkomend bevestigd door het feit dat ingevolge deze incidenten en ondanks de voorgehouden afbouw van Lyrica intussen ook het OPZC te Rekem, dat initieel nochtans had laten weten dat de eiser op haar wachtlijst werd geplaatst, heeft aangegeven dat de eiser er niet langer terecht kan voor opname gelet op zijn minimaliserende houding over middelen en gebruik; - het voorgestelde hulpverleningsnetwerk, dat in geval van een invrijheidstelling op proef of het opleggen van elektronisch toezicht bereid zou zijn de eiser op te vangen, volstaat niet om het reële gevaar op nieuwe agressiedelicten in navolging van het herval in het middelenmisbruik te ondervangen aangezien de eiser alleen in een appartement zou wonen en uit de maatschappelijke enquête blijkt dat er in het opvangmilieu onvoldoende draagkracht aanwezig is voor de intensieve en aanklampende begeleiding die noodzakelijk is om de vermelde risico’s te ondervangen; - het behoud van de plaatsing in de ABM Merksplas heeft in afwachting van een plaatsing in een FPC bovendien minstens tot gevolg dat de eiser in een gecontroleerde setting van zijn hardnekkige neiging tot middelengebruik wordt afgehouden – het opsparen van medicatie in zijn monocel werd tijdig opgemerkt – waardoor meer dan bij een invrijheidstelling op proef minstens bijkomend tegemoet wordt gekomen aan de zorgen betreffende de veiligheid van de eiser zelf.
  27. Uit die redenen blijkt dat de kamer bij haar beoordeling van de gevaarlijkheid van de geïnterneerde wel degelijk de aard en de ernst van de feiten waarvoor de eiser werd geïnterneerd en van de feiten die zich sinds de interneringsbeslissing hebben voorgedaan betrekt, dat zij rekening houdt met concrete gegevens van de zaak, dat de gemaakte beoordeling een actueel karakter heeft en dat wel degelijk wordt nagegaan of de modaliteiten die kunnen worden verbonden aan een invrijheidstelling op proef werkelijk de gevaren voor de samenleving kunnen ondervangen. Op grond van die redenen kan het vonnis wettig oordelen dat het met het oog op de bescherming van de maatschappij niet verantwoord is de eiser in vrijheid te stellen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Tamara Konsek, Eric Van Dooren en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 29 juli 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250729.VAK.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.26 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.