id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 augustus 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Voorwaarden - Impact op aspecten van het privé- en gezinsleven - Motiveringsplicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Invrijheidstelling onder voorwaarden - Voorwaarden - Impact op aspecten van het privé- en gezinsleven - Motiveringsplicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1189.N P. V. H., beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Wahib El Hayouni, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 11 augustus
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM: het arrest willigt slechts gedeeltelijk het verzoek van de eiseres in om de zesde voorwaarde waaronder zij in vrijheid is gelaten op te heffen of minstens te wijzigen, dit laatste door de fysieke contacten tussen haarzelf en haar kinderen enerzijds en haar partner B. anderzijds maximaal uit te breiden naar elke reguliere bezoekmogelijkheid die door de gevangenis wordt georganiseerd of, nog meer ondergeschikt, de telefonische beperkingen tussen haar en B. op te heffen teneinde een vrije communicatie, al dan niet onder justitieel toezicht, tussen hen mogelijk te maken; het arrest kan uit de feiten die het vermeldt niet wettig afleiden dat het nog langer legitiem en proportioneel is om het aan de eiseres opgelegde contactverbod met B. te handhaven; het arrest stelt weliswaar vast dat de handhaving van de zesde voorwaarde “waarbij beperkt contact wordt voorzien om de inmenging in het privé- en gezinsleven tot een minimum te beperken en waarbij dit contact wordt uitgeoefend onder strikt justitieel toezicht en zonder de mogelijkheid van onbeperkt fysiek of telefonisch contact” nog steeds noodzakelijk is om te vermijden dat eiseres zich met B. zou verstaan, maar het legt niet uit waarom het onmogelijk zou zijn om het onder strikt justitieel toezicht uit te oefenen contact uit te breiden naar elke reguliere bezoekmogelijkheid die door de gevangenis wordt georganiseerd; noch de redenen van het arrest, noch deze waarnaar het arrest verwijst, leggen namelijk uit waarom een dergelijk gecontroleerd contact zou moeten worden beperkt tot tweemaal per week en waarom een dergelijke beperking proportioneel en legitiem verantwoord zou zijn in het licht van de vereisten van artikel 8 EVRM.
- Overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet kan het vonnisgerecht waarbij de zaak na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek aanhangig is, op verzoek van de beklaagde de voorwaarden waaronder deze in vrijheid is gelaten wijzigen of opheffen, dan wel vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan. Het vonnisgerecht oordeelt onaantastbaar of en in hoeverre de handhaving van de voorwaarde waarvan de beklaagde de opheffing dan wel de gehele of gedeeltelijke wijziging of vrijstelling vraagt, nog absoluut noodzakelijk is in het licht van de risico’s bepaald in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, te weten het bestaan van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten beklaagde nieuwe misdaden en wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden.
- Uit artikel 8 EVRM kan niet worden afgeleid dat de vonnisrechter ertoe gehouden is om een aan een beklaagde opgelegde voorwaarde op te heffen of te wijzigen omdat de handhaving van die voorwaarde nadelig is voor het privé- en gezinsleven van hemzelf, zijn partner en hun gemeenschappelijke kinderen. Wel dient de vonnisrechter, wanneer de beklaagde dat aanvoert, de proportionaliteit tussen de handhaving van de voorwaarde en het vermelde recht op privé- en gezinsleven bij zijn voormelde beoordeling te betrekken.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die onverenigbaar zijn met het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privé- en gezinsleven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met eigen redenen en redenen overgenomen van de beroepen beschikking onderzoekt het arrest omstandig de impact van het behoud van de zesde aan de eiseres opgelegde voorwaarde op haar privé- en gezinsleven en dat van haar gemeenschappelijke kinderen met haar partner B., en oordeelt het onder meer als volgt: - de zesde voorwaarde legt aan de eiseres geen contactverbod op met de familiaire of familiale omgeving; - de zesde voorwaarde, zoals door het arrest aangepast, heeft geen disproportionele gevolgen ten opzichte van de kinderen van de eiseres en B. Er is een mogelijkheid voor de kinderen om hun vader te zien, zowel fysiek als via videocontact, telkens twee maal per week, en het veiligheidsregime van B. voorziet bijkomend in een maandelijks individueel bezoek van zijn kinderen zonder begeleidende volwassene van buitenaf; - de kinderen gaan ook tijdens bezoekmomenten van de moeder van B. mee op bezoek; - het hof van beroep is ervan overtuigd dat de zesde voorwaarde zoals deze thans geldt, maximaal rekening houdt met de belangen van de kinderen en tevens rekening houdt met de noodzakelijk te nemen maatregelen voor de openbare veiligheid als gevolg van de feiten die hun ouders ten laste worden gelegd en die, in zoverre bewezen, ernstige veiligheidsrisico's met zich meebrengen; - de handhaving van de zesde voorwaarde, waarbij in beperkt contact wordt voorzien om de inmenging in het privé- en gezinsleven tot een minimum te beperken en waarbij dit contact wordt uitgeoefend onder strikt justitieel toezicht en zonder mogelijkheid van onbeperkt fysiek of telefonisch contact, is op heden nog steeds noodzakelijk om te vermijden dat de eiseres zich met B. zou verstaan, wat ook het risico op recidive en onttrekking sterk zou hypothekeren; - “volwassen communicatie”, onder meer over het nemen van beslissingen over de gezamenlijke kinderen, is perfect mogelijk binnen de thans opgelegde voorwaarde; - het contactverbod, dat voorheen reeds werd versoepeld, wordt verder meer gedeeltelijk opgeheven, zodat ook het jongste gemeenschappelijke kind van de eiseres en B. onder de bestaande bezoek- en contactregeling valt.
- Op grond van die redenen, onder meer dat de beperkingen van de contacten tussen de eiseres en B., met inbegrip van het justitieel toezicht erop, noodzakelijk blijven om de gevaren op recidive, onttrekking en collusie bij de eiseres tegen te gaan en dat de thans bestaande contacten tussen de eiseres en B. volstaan om het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de eiseres en haar gemeenschappelijke kinderen met B. te eerbiedigen, kan het arrest wettig oordelen dat de gevraagde opheffing of wijziging van de zesde aan de eiseres opgelegde voorwaarde niet vereist is op grond van artikel 8 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Mireille Delange, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren François Stévenart Meeûs, Maxime Marchandise en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 26 augustus 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Mireille Delange, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div