id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.19 Rolnummer: P.25.1195.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-09-09 Raadplegingen: 632 - laatst gezien 2026-06-17 03:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Volgens artikel 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet gaat de raadkamer in het kader van de beoordeling van de eerste handhaving van de voorlopige hechtenis na of het bevel tot aanhouding regelmatig is en die verplichting rust overeenkomstig artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet ook op de kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep uitspraak doet; uit die bepaling volgt niet dat het onderzoeksgerecht op eigen initiatief en uitdrukkelijk moet vaststellen dat de elementen die de ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken waarop het bevel tot aanhouding is gegrond, regelmatig zijn verkregen, zodat indien de inverdenkinggestelde aanvoert dat de elementen die de ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken waarop het bevel tot aanhouding is gegrond, onregelmatig zijn verkregen, het onderzoeksgerecht, dat geen uitspraak doet bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, die aanvoering prima facie moet onderzoeken en de inverdenkinggestelde in het kader van die beoordeling zijn aanvoering enigszins aannemelijk moet maken. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 8 Het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde vereist niet dat op het ogenblik dat het onderzoeksgerecht de regelmatigheid van een bevel tot aanhouding moet beoordelen dat is gesteund op elementen die voortspruiten uit gegevens afkomstig uit een ander gerechtelijk onderzoek, die inverdenkinggestelde toegang moet hebben tot alle stukken van dat ander gerechtelijk onderzoek, louter en alleen omdat de verkrijging van die gegevens potentieel onregelmatig is en hij de regelmatigheid ervan moet kunnen nazien en desgevallend betwisten; de prima facie-controle waartoe het onderzoeksgerecht in het kader van de handhavingsprocedure van de voorlopige hechtenis gehouden is, kan gebeuren op basis van de uit het andere gerechtelijk onderzoek gevoegde stukken en bij de keuze van de gevoegde stukken wordt de loyaliteit van het openbaar ministerie en de politieambtenaren vermoed
(1).
(1)Cass. 8 maart 2022, AR P.22.0258.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.
- Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1195.N A. Z., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, en 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest kan niet vaststellen dat de uit het dossier TU.10.L1.1256/2025 afkomstige gegevens, waarop het voorliggende dossier is gesteund, regelmatig zijn verkregen; zonder die gegevens zouden de door het voorliggend onderzoek opgeleverde elementen waarop het bevel tot aanhouding is gebaseerd, nooit zijn verkregen; het onderzoeksgerecht kan niet volstaan met de vaststelling dat niet blijkt dat er een onregelmatigheid is begaan bij de verkrijging van de elementen waarop het bevel tot aanhouding is gesteund; het onderzoeksgerecht heeft de positieve verplichting vast te stellen dat de elementen regelmatig zijn verkregen; het is in dit dossier van belang onder meer te weten op welke wijze het gerechtelijk onderzoek TU.10.L1.1256/2025 is tot stand gekomen, op welke wijze de koeriers zijn onderschept, waarom zij werden onderschept, op welke wijze de telefoniegegevens werden verkregen en wat de eventuele verklaringen van de koeriers waren; zonder die gegevens kunnen de appelrechters niet tot het besluit betreffende de regelmatigheid komen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest verwerpt eisers aanvoering dat de gegevens waarop het bevel tot aanhouding is gesteund potentieel onregelmatig zijn met het oordeel dat er prima facie geen onregelmatigheid is vast te stellen, maar het laat na te preciseren op welke regelmatige wijze deze gegevens zijn verkregen. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 10 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 6 EVRM en artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest miskent eisers inzagerecht; de eiser moet inzage kunnen nemen van alle elementen die aan de basis liggen van het bevel tot aanhouding en dus ook van de gegevens die een beoordeling van de regelmatigheid van de verkrijging van die elementen toelaten; de eiser heeft geen kennis kunnen nemen van de relevante gegevens uit het dossier TU.10.L1.1256/2025 om de regelmatigheid van de verkrijging van de elementen waarop het bevel tot aanhouding is gesteund, te kunnen betwisten.
- De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek.
- Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- Volgens artikel 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet gaat de raadkamer in het kader van de beoordeling van de eerste handhaving van de voorlopige hechtenis na of het bevel tot aanhouding regelmatig is. Die verplichting rust overeenkomstig artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet ook op de kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep uitspraak doet.
- Uit die bepaling volgt niet dat het onderzoeksgerecht op eigen initiatief en uitdrukkelijk moet vaststellen dat de elementen die de ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken waarop het bevel tot aanhouding is gegrond, regelmatig zijn verkregen.
- Indien de inverdenkinggestelde aanvoert dat de elementen die de ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken waarop het bevel tot aanhouding is gegrond, onregelmatig zijn verkregen, dient het onderzoeksgerecht, dat geen uitspraak doet bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, die aanvoering prima facie te onderzoeken.
- Het komt in het kader van die beoordeling de inverdenkinggestelde toe zijn aanvoering enigszins aannemelijk te maken.
- Het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde vereist niet dat op het ogenblik dat het onderzoeksgerecht de regelmatigheid van een bevel tot aanhouding moet beoordelen dat is gesteund op elementen die voortspruiten uit gegevens afkomstig uit een ander gerechtelijk onderzoek, die inverdenkinggestelde toegang moet hebben tot alle stukken van dat ander gerechtelijk onderzoek, louter en alleen omdat de verkrijging van die gegevens potentieel onregelmatig is en hij de regelmatigheid ervan moet kunnen nazien en desgevallend betwisten.
- De prima facie-controle waartoe het onderzoeksgerecht in het kader van de handhavingsprocedure van de voorlopige hechtenis gehouden is, kan gebeuren op basis van de uit het andere gerechtelijk onderzoek gevoegde stukken. Bij de keuze van de gevoegde stukken wordt de loyaliteit van het openbaar ministerie en de politieambtenaren vermoed.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Aangezien de eiser enkel heeft voorgehouden dat de gegevens uit het dossier TU.10.L1.1256/2025 potentieel onregelmatig zijn verkregen en dus niet dat die gegevens ook daadwerkelijk onregelmatig zijn verkregen dan wel dat daartoe aanwijzingen voorhanden zijn, kunnen de appelrechters op grond van de redenen die het arrest (p. 2, randnr. 3.3.) bevat, oordelen dat prima facie geen onregelmatigheid bij de verkrijging van die gegevens blijkt. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
- Met die redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters bovendien eisers verweer. In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div