id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.20 Rolnummer: P.25.1197.N Zaak: O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2025-09-09 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-06-15 05:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit het enkele feit dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis in overeenstemming met de wettelijke vereisten voor een voorlopige hechtenis het voorhanden zijn vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld volgt niet dat dit gerecht het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6.
- EVRM miskent; een dergelijke miskenning kan evenmin worden afgeleid uit het enkele feit dat de rechter vaststelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verdachte bij een vrijlating nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 7 Het recht van verdediging verzet zich niet ertegen dat het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van het recidivegevaar de minimaliserende houding van de verdachte mee in aanmerking neemt. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 8 - 10 Het onderzoeksgerecht dat bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, mag de redenen voor zijn beslissing beknopt vermelden en dat geldt ook voor de vaststellingen dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verdachte bij een vrijlating nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet; geen enkele bepaling verbiedt het onderzoeksgerecht om op dit vlak de redenen van de vordering van het openbaar ministerie of van een deskundigenverslag over te nemen en met die overname geeft het onderzoeksgerecht te kennen dat het zich, na onderzoek, die redenen eigen maakt.; uit de verplichting om het voorhanden zijn van de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet vermelde gevaren te concretiseren, volgt niet dat het onderzoeksgerecht bij elke vaststelling in dat verband de objectieve en actuele elementen moet vermelden waarop die vaststelling is gesteund of dat het daartoe enkel recente feiten in aanmerking mag nemen aangezien de beoordeling van de gevaren voor recidive, collusie en onttrekking een inschatting naar de toekomst toe veronderstelt, wat maakt dat die beoordeling steeds een zeker hypothetisch karakter heeft. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1197.N A. O., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. André Toscas, advocaat bij de balie Waals-Brabant. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5.3 en 6.2 EVRM en artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest neemt de in vordering van het openbaar ministerie opgenomen culpabiliserende formuleringen over; de partnerverkrachting wordt als een vaststaand feit naar voor geschoven en het toeschrijven van een gevaarlijke antisociale mentaliteit aan de eiser houdt een ongeoorloofde voorafname op zijn schuld in; met het oordeel dat de eiser meerdere feiten van intrafamiliaal geweld zou hebben gepleegd, wordt de eiser voorgesteld als dader en niet louter als verdachte; door de ontkenning door de dader als een gebrek aan bewustzijn te interpreteren, miskent het arrest eisers recht van verdediging; door melding te maken van het eigen gedrag van de dader wordt aangenomen dat dit gedrag effectief heeft plaatsgevonden; uit geen enkel aan de tegenspraak onderworpen stuk blijkt dat het zogenaamde slachtoffer heeft verklaard dat zij geslachtsgemeenschap had met de eiser ondanks haar uitdrukkelijke weigering of dat er sprake was van een poging tot verkrachting; het arrest wendt de risicobeoordeling aan om voor enige einduitspraak te anticiperen op de schuldbeoordeling en om de eiser te stigmatiseren.
- Artikel 5.
- EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel is gegrond op feitelijke gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is het niet ontvankelijk.
- Uit het enkele feit dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis in overeenstemming met de wettelijke vereisten voor een voorlopige hechtenis het voorhanden zijn vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld volgt niet dat dit gerecht het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6.
- EVRM miskent. Een dergelijke miskenning kan evenmin worden afgeleid uit het enkele feit dat de rechter vaststelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verdachte bij een vrijlating nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest neemt gelet op het gebruik van de woorden “waartoe aanwijzingen zijn” (overgenomen vordering, p. 8, zevende alinea) de partnerverkrachting niet aan als een vaststaand gegeven. Om dezelfde reden houdt het oordeel dat de feiten wijzen op een gevaarlijke antisociale mentaliteit evenmin een voorafname in op de schuldbeoordeling. Gelet op het gebruik van de woorden “zoals daartoe ernstige aanwijzingen voor bestaan” en het gebruik van het woord “zou” (overgenomen vordering, p. 8, negende alinea), volgt uit het oordeel dat de eiser meerdere feiten van intrafamiliaal geweld zou hebben gepleegd niet dat het arrest de dader voorstelt als een dader en niet louter als een verdachte. Uit het gegeven dat het arrest uit de vaststellingen die het vermeldt, afleidt dat er een risico bestaat dat de eiser zich zou verstaan met derden om zijn eigen gedrag te verdoezelen of te minimaliseren (overgenomen vordering, p. 8, voorlaatste alinea) volgt niet dat het arrest vaststelt dat de eiser de hem verweten feiten heeft gepleegd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het recht van verdediging verzet zich niet ertegen dat het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van het recidivegevaar de minimaliserende houding van de verdachte mee in aanmerking neemt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds wordt het vluchtgevaar uitsluitend afgeleid uit de hoedanigheid van eigenaar van een goed in het buitenland; anderzijds oordeelt het arrest dat er een recidivegevaar is omdat de eiser zich in België tegen het zogenaamde slachtoffer en de gemeenschappelijke kinderen zou keren; bovendien is de zus bij wie de eiser had voorgesteld te worden gehuisvest wel degelijk geïdentificeerd aangezien een attest van huisvesting regelmatig voor het onderzoeksgerecht werd ingediend; de gevaren voor recidive en collusie zijn onvoldoende gemotiveerd; het arrest stelt vast dat de eiser een agressieproblematiek en een antisociale mentaliteit zou hebben, maar geeft niet aan op welke concrete, objectieve en actuele elementen dit recidiverisico wordt gebaseerd; het neemt de algemene bewoordingen uit de vordering van het openbaar ministerie en uit het verslag van de deskundige-psychiater over, zonder een eigen analyse te maken; de motivering over het collusiegevaar als zou de eiser zijn gedrag willen verdoezelen of minimaliseren en contacten willen zoeken met derden zoals zijn echtgenote en kinderen, is louter abstract en hypothetisch; er wordt niet aangegeven op welke concrete handelingen of objectieve elementen dit oordeel is gebaseerd; er wordt geen enkel recent feit vermeld dat dit gevaar actueel maakt; het loutere risico op contact met de familie kan niet volstaan; er worden enkel stereotiepe bewoordingen gebruikt zonder enige koppeling aan concrete dossiergegevens; dit laat het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- In zoverre het middel is gegrond op feitelijke gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is het niet ontvankelijk.
- Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen. Dat is niet het geval met de redenen die volgens het middel tegenstrijdig zouden zijn. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Het onderzoeksgerecht dat bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige beslissing moet beslissen binnen een korte termijn, mag de redenen voor zijn beslissing beknopt vermelden. Dat geldt ook voor de vaststellingen dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verdachte bij een vrijlating nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet.
- Geen enkele bepaling verbiedt het onderzoeksgerecht om op dit vlak de redenen van de vordering van het openbaar ministerie of van een deskundigenverslag over te nemen. Met die overname geeft het onderzoeksgerecht te kennen dat het zich, na onderzoek, die redenen eigen maakt.
- Uit de verplichting om het voorhanden zijn van de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet vermelde gevaren te concretiseren, volgt niet dat het onderzoeksgerecht bij elke vaststelling in dat verband de objectieve en actuele elementen moet vermelden waarop die vaststelling is gesteund of dat het daartoe enkel recente feiten in aanmerking mag nemen.
- De beoordeling van de gevaren voor recidive, collusie en onttrekking veronderstelt een inschatting naar de toekomst toe, wat maakt dat die beoordeling steeds een zeker hypothetisch karakter heeft.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Door overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie stelt het arrest op concrete wijze en met verwijzing naar dossiergegevens het voorhanden zijn van de gevaren voor recidive, collusie en vlucht vast. Die redenen zijn niet louter stereotiep en zij laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel door het arrest over het bestaan van een gevaar voor recidive, collusie en vlucht, is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 16, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest maakt geen melding van de concrete alternatieven die de eiser heeft aangeboden zoals een voorstel tot vrijlating onder voorwaarden, een attest van huisvesting bij zijn zus en de mogelijkheid van elektronisch toezicht; het onderzoekt deze alternatieven niet en het gaat niet na of ze toereikend konden zijn om de vermeende risico’s van vlucht, recidive en collusie te ondervangen; daardoor miskent het arrest de proportionaliteitsplicht.
- Artikel 16, § 3, Voorlopige Hechteniswet is vreemd aan de aangevoerde grief.
- Het onderzoeksgerecht moet niet antwoorden op ingediende stukken, maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser aan de kamer van inbeschuldigingstelling de in het middel vermelde alternatieven heeft voorgesteld. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.