← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.21 Rolnummer: P.25.1205.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-09-09 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-06-15 05:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De Belgische rechtscolleges die moeten oordelen over de voorlopige hechtenis hebben geen rechtsmacht om zich uit te spreken over eventuele onregelmatigheden die zouden zijn begaan door de autoriteiten van een derde staat bij de overdracht van een persoon aan België tegen wie een aanhoudingsbevel bij verstek was uitgevaardigd en die internationaal werd geseind en zij hebben evenmin rechtsmacht om zich uit te spreken over de eventuele onregelmatigheid van de vrijheidsberoving tussen het tijdstip waarop de autoriteiten van de overdragende staat de betrokkene ter beschikking hebben gesteld van Belgische politieambtenaren en de aankomst van de betrokkene op het Belgisch grondgebied aangezien dat tijdsverloop moet worden beschouwd als de noodzakelijke voortzetting en uitvoering van de beslissing van de derde staat tot overdracht

(1).
(1)Cass. 5 november 1986, AR 5396, AC 1986-87, nr. 145; S. DEWULF, Handboek Uitleveringsrecht, Intersentia 2013, pp. 48-
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING BIJ VERSTEK Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1205.N S. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 augustus
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. FEITELIJKE GEGEVENS Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - op 27 januari 2025 verleent de onderzoeksrechter tegen de eiser een aanhoudingsbevel bij verstek, alsook een Europees aanhoudingsbevel; - de beide bevelen worden bezorgd aan de procureur des Konings en aan de federale gerechtelijke politie (FGP) Brussel met verzoek tot nationale en internationale seining over te gaan; - de bevelen worden ook ter informatie bezorgd aan de centrale autoriteit van de fod Justitie; - de eiser wordt in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna VAE) aangehouden en ervoor de bevoegde autoriteit gebracht die de Belgische autoriteit heeft verzocht om een veiligheidsmissie naar de VAE te sturen; - de eiser is op 11 juli 2025 met twee politie-inspecteurs vanuit de luchthaven van Dubai via de luchthaven van Amsterdam naar de luchthaven van Brussel gevlogen en overgebracht naar het kantoor van de FGP Brussel; - bij aankomst op het Belgisch grondgebied wordt de eiser van zijn vrijheid beroofd en wordt hem het bevel tot aanhouding bij verstek ter kennis gebracht; - tegen de eiser wordt op 12 juli 2025 door de onderzoeksrechter een nieuw bevel tot aanhouding verleend. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 en 5.4 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat het tegen de eiser verleende bevel tot aanhouding en zijn voorlopige hechtenis regelmatig zijn; eisers vrijheidsberoving te Dubai door twee Belgische politieambtenaren is immers onrechtmatig; de vrijheid van komen en gaan van de eiser is opgehouden toen hij in de transitzone van de luchthaven van Dubai onder de hoede van twee Belgische politieambtenaren werd geplaatst en hij onder hun begeleiding naar België werd overgebracht, zonder dat er aan Dubai een uitleveringsverzoek werd gericht; zonder een dergelijk verzoek hadden de politieambtenaren geen bevoegdheid om in de transitzone van de luchthaven van Dubai, op het KLM-vliegtuig en in de transitzone van de luchthaven Schiphol eisers vrijheid van komen en gaan te beperken; het arrest kan niet oordelen dat de vrijheidsberoving maar plaats had op het Belgisch grondgebied; dat Dubai België heeft verzocht een veiligheidsmissie te sturen, laat niet toe anders te oordelen; noch de Belgische wet, noch het verdrag van 9 december 2021 tussen België en de VAE noch enig andere regelgeving omschrijven de procedure van veiligheidsmissie; eisers vrijheidsberoving op de luchthaven van Dubai gebeurde zonder titel; het arrest motiveert bovendien het gevaar voor collusie op stereotiepe wijze.
  4. Uit de feitelijke vaststellingen door het arrest blijkt dat tegen de eiser door de onderzoeksrechter een aanhoudingsbevel bij verstek was uitgevaardigd, dat hij internationaal werd geseind, dat hij in de VAE werd aangehouden en er voor de bevoegde autoriteit gebracht en dat die de Belgische autoriteit heeft verzocht om een veiligheidsmissie naar de VAE te sturen met het oog op overdracht. Daaruit volgt dat: - op het ogenblik dat de eiser door de autoriteiten van de VAE onder de hoede werd geplaatst van twee Belgische politieambtenaren er tegen hem wel degelijk een vrijheidsberovende titel bestond, namelijk het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding bij verstek; - dit onder de hoede van twee Belgische politieambtenaren stellen van de eiser door de autoriteiten van de VAE wel degelijk gebeurde in het kader van zijn overdracht door de VAE aan België, ook al blijkt niet dat, behoudens wat betreft een internationale seining, België formeel een uitleveringsverzoek heeft geformuleerd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  5. De Belgische rechtscolleges die moeten oordelen over de voorlopige hechtenis hebben geen rechtsmacht om zich uit te spreken over eventuele onregelmatigheden die zouden zijn begaan door de autoriteiten van een derde staat bij de overdracht van een persoon aan België tegen wie een aanhoudingsbevel bij verstek was uitgevaardigd en die internationaal werd geseind. Zij hebben evenmin rechtsmacht om zich uit te spreken over de eventuele onregelmatigheid van de vrijheidsberoving tussen het tijdstip waarop de autoriteiten van de overdragende staat de betrokkene ter beschikking hebben gesteld van Belgische politieambtenaren en de aankomst van de betrokkene op het Belgisch grondgebied. Dat tijdsverloop moet worden beschouwd als de noodzakelijke voortzetting en uitvoering van de beslissing van de derde staat tot overdracht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het arrest (p. 4, tweede alinea) stelt vast dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat indien de eiser in vrijheid wordt gesteld hij: - nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen daar de feiten, indien bewezen, een bijzonder lucratief en internationaal georganiseerd karakter hebben, en gezien zijn gerechtelijke antecedenten; - zich zou onttrekken aan het optreden van het gerecht aangezien hij België heeft verlaten en in Dubai verbleef; - zich zou verstaan met derden of bewijzen zou pogen te laten verdwijnen aangezien er nog meerdere onderzoeksdaden moeten worden gesteld.
  7. Het middel bekritiseert uitsluitend de beoordeling van het collusiegevaar, terwijl het niet-bekritiseerde oordeel betreffende het gevaar voor recidive en onttrekking de beslissing dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde voorwaarde op zich naar recht verantwoordt. In zoverre is het middel, dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.