id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.22 Rolnummer: P.25.1208.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-09-09 Raadplegingen: 488 - laatst gezien 2026-06-15 05:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit het enkele feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling door overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot handhaving van de voorlopige hechtenis oordeelt dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan tegen een inverdenkinggestelde voor de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend en dat die feiten zouden betrekking hebben op een bepaald aantal containertransporten, terwijl het openbaar ministerie in de vordering tot regeling van de rechtspleging die dateert van vóór de vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis slechts de verwijzing vraagt van de inverdenkinggestelde voor feiten die betrekking hebben op minder containertransporten, kan geen schending van artikel 22 Voorlopige Hechteniswet of een miskenning van de motiveringsplicht worden afgeleid; de kamer van inbeschuldigingstelling is bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis niet gebonden door de vordering van het openbaar ministerie tot regeling van de rechtspleging, ook al dateert die van vóór de vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis; behoudens bij daartoe strekkende conclusie moet de kamer van inbeschuldigingstelling in haar beslissing niet laten blijken dat zij dit gegeven bij haar beoordeling heeft betrokken. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1208.N N. S., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, en 22 Voorlopige Hechteniswet: het arrest neemt de redenen van de vordering van het openbaar ministerie van 18 augustus 2025 over waarin is aangegeven dat er tegen de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan wegens de telastleggingen waarvoor hij is aangehouden, waarbij hij een belangrijke en coördinerende rol lijkt te spelen in een schijnbaar criminele organisatie die zich heeft ingelaten met de invoer en het uithalen van grote ladingen via de haven van Antwerpen en dit bij minstens vier containertransporten, terwijl volgens de eindvordering van het openbaar ministerie van 28 juli 2025 er slechts voldoende bezwaren zouden zijn voor twee containertransporten; het arrest neemt die reden over bij wijze van automatisme, zonder rekening te houden met de eindvordering van 28 juli 2025; het arrest laat na een effectief onderzoek te verrichten naar het actueel bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de motivering is manifest gebrekkig aangezien nog steeds wordt verwezen naar de mogelijke rol van de eiser met betrekking tot vier containertransporten, terwijl het openbaar ministerie slechts voor twee transporten de doorverwijzing vraagt; het arrest moet het geheel van ernstige aanwijzingen aftoetsen aan het risico voor de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking.
- Uit het enkele feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling door overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot handhaving van de voorlopige hechtenis oordeelt dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan tegen een inverdenkinggestelde voor de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend en dat die feiten zouden betrekking hebben op minstens vier containertransporten, terwijl het openbaar ministerie in de vordering tot regeling van de rechtspleging die dateert van vóór de vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis slechts de verwijzing vraagt van de inverdenkinggestelde voor feiten die betrekking hebben op twee containertransporten, kan geen schending van artikel 22 Voorlopige Hechteniswet of een miskenning van de motiveringsplicht worden afgeleid. De kamer van inbeschuldigingstelling is bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis niet gebonden door de vordering van het openbaar ministerie tot regeling van de rechtspleging, ook al dateert die van vóór de vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis. Behoudens bij daartoe strekkende conclusie moet de kamer van inbeschuldigingstelling in haar beslissing niet laten blijken dat zij dit gegeven bij haar beoordeling heeft betrokken. De onderdelen die uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div