← België

O. contra Dender Durme en Schelde

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4 Rolnummer: C.24.0390.N Zaak: O. contra Dender Durme en Schelde Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-24 Raadplegingen: 433 - laatst gezien 2026-06-17 10:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250904.1N.4 Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 124 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 blijkt dat zowel voor de lopende administratieve als de gerechtelijke procedures de oude regels van toepassing blijven voor de afhandeling van die procedures

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 - Planologische neutraliteit - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 63 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 110 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 124 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.4.6, § 1, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 2 Het recht op een onteigeningsvergoeding ontstaat definitief op de dag van het vonnis waarbij de door de onteigenaar verschuldigde provisionele vergoeding wordt vastgesteld en op dat ogenblik gaat het eigendomsrecht van de eigenaar naar de onteigenaar over
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Spoedprocedure - Recht op onteigeningvergoeding - Overdracht van het eigendomsrecht - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte - 26-07-1962 - Art. 7 - 34 ELI link Pub nr 1962072651 Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte - 26-07-1962 - Art. 8 - 34 ELI link Pub nr 1962072651 Fiche 3 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 vindt geen toepassing op een vergoedingsaanspraak die het voorwerp uitmaakt van een op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet hangende gerechtelijke onteigeningsprocedure en waarin de provisionele onteigeningsvergoeding voor die datum reeds bij vonnis werd vastgesteld en het recht op de onteigeningsvergoeding definitief is ontstaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Vergoedingsaanspraak - Hangende gerechtelijke onteigeningsprocedure - Planologische neutraliteit - Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten Tekst van de beslissing Nr. C.24.0390.N
  1. D. O.,
  2. R. M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen DENDER, DURME EN SCHELDE, dienstverlenende vereniging, met zetel te 9200 Dendermonde, Bevrijdingslaan 201, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.087.872, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 april 2024 (rolnummer 2021/AR/1404). Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 1 juli 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Krachtens het bij artikel 110 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 met ingang van 1 januari 2018 opgeheven artikel 2.4.6, § 1, eerste lid, VCRO, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.
  4. Artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 bepaalt: “§
  5. Als wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende onroerend goed of zakelijk recht geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of de waardevermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, ongeacht wie de onteigenende overheid is. (…) §
  6. Paragraaf 1 is alleen van toepassing als het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld.” Ingevolge artikel 38 Besluit van 27 oktober 2017 van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het Vlaams Onteigeningsdecreet is dit decreet in werking getreden op 1 januari
  7. Artikel 124 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 bepaalt: “Titel 3 van dit decreet is niet van toepassing op lopende administratieve procedures die onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet. Voor de onteigeningen waarvan de administratieve fase heeft plaatsgevonden met toepassing van de regels zoals deze bestonden voor de inwerkingtreding van dit decreet, legt de onteigen[en]de instantie in afwijking van artikel 46, § 5, uiterlijk de tiende dag voorafgaand aan de inleidingszitting ter griffie van het vredegerecht het administratief dossier neer zoals die overeenkomstig deze regels diende te zijn samengesteld. Titel 4 van dit decreet is niet van toepassing op lopende gerechtelijke procedures die onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet.” Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat voor zowel de lopende administratieve als de gerechtelijke procedures de oude regels van toepassing blijven voor de afhandeling van die procedures.
  8. Krachtens de artikelen 7 en 8 Onteigeningswet 1962 oordeelt de vrederechter in een en hetzelfde vonnis over de naleving van de door de wet voorgeschreven formaliteiten en, bij wijze van ruwe schatting, over het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal zal storten. Krachtens artikel 8, tweede lid, van voormelde wet is dit vonnis niet vatbaar voor hoger beroep en wordt het overgeschreven in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder en heeft het ten aanzien van derden dezelfde gevolgen als de overschrijving van de akte van overdracht. Uit deze wetsbepalingen volgt dat het recht op een onteigeningsvergoeding definitief ontstaat op de dag van het vonnis waarbij de door de onteigenaar verschuldigde provisionele vergoeding overeenkomstig artikel 8 wordt vastgesteld en op dat ogenblik het eigendomsrecht van de eigenaar naar de onteigenaar overgaat.
  9. Krachtens artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Volgens het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet is een nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  10. Uit het voorgaande volgt dat artikel 63, § 2, Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 geen toepassing vindt op een vergoedingsaanspraak die het voorwerp uitmaakt van een op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, dit is op 1 januari 2018, hangende gerechtelijke onteigeningsprocedure en waarin de provisionele onteigeningsvergoeding voor die datum reeds bij vonnis werd vastgesteld en het recht op de onteigeningsvergoeding bijgevolg definitief is ontstaan.
  11. De appelrechter stelt vast dat: - de verweerster bij verzoekschrift van 17 februari 2017 en bij navolgende dagvaarding van 23 februari 2017 de gerechtelijke onteigeningsprocedure heeft ingesteld met toepassing van de Onteigeningswet 1962; - de vrederechter in het declaratief vonnis van 22 mei 2018 bij ruwe schatting het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalde op vijfentachtig duizend euro;
  12. De appelrechter oordeelt dat : - de gemeenrechtelijke regels over de toepasselijkheid van nieuwe wetten moeten toegepast worden; - waar artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet tot doel heeft de regels over de waardering van onteigende goederen vast te leggen, het dan ook op het moment is dat de bevoegde instantie tot onteigening besluit dat zij moet beseffen wat het referentiekader zal zijn voor de gevolgen van die beslissing; - de bevoegde instantie zich niet eraan moest verwachten dat er voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen een wettelijk gevolg zou verbonden zijn aan het feit dat de plannen in uitvoering waarvan de onteigening plaatsvond, al sinds een bepaalde tijd (5 jaar) bestonden; - het een toepassing betreft van het recht op rechtszekerheid en voorzienbaarheid van de wettelijke norm in hoofde van de verweerster; - de eisers zich ten onrechte op artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet beroepen aangezien de onteigening die hier het voorwerp is van het geschil niet gebeurd is op de wijze en in de gevallen vermeld in het Vlaams Onteigeningsdecreet, maar volledig gestoeld is op de Onteigeningswet
  13. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat artikel 63, § 2, Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 niet van toepassing is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  14. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 4 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250904.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251016.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.